We hebben 246 gasten online

Havo Thema Feniks Hfst 2 Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland

Gepost in Thema's

Hfst 2 Havo democratische rechtsstaat:

Feniks thema gs dem rechtsstaat havo democratie

De wording van de Nederlandse rechtsstaat

Deelvraag 2: Onder invloed van welke factoren heeft de rechtsstaat zich in Nederland ontwikkeld en welke actoren waren erbij betrokken?

Inleiding

Mensen hebben altijd te maken met regels. Op landelijk niveau heten die afspraken: wetten. In een rechtsstaat gelden de wetten voor alle inwoners, ook voor de overheid, en iedereen is voor de wet gelijk. Iedereen is in de gelegenheid de naleving van deze wetten af te dwingen. De rechtelijke macht ziet daarop toe en is hierbij onafhankelijk van de overheid. De overheid legt verantwoording af en dit alles is vastgelegd in de grondwet.

Het belang van dit onderwerp:

In een rechtsstaat wordt je door de wet beschermd. Dat is niet vanzelf ontstaan en het ging meestal ten koste van de macht van bestuurders en werden dikwijls bevochten en afgedwongen. Dit gebeurde vaak op grond van gebeurtenissen of denkbeelden (factoren) of onder invloed van bepaalde personen of maatschappelijke groepen (actoren).

2.1 Calvijn en de staat

In de Republiek hadden de denkbeelden van Johannes Calvijn veel invloed. In zijn boeken rechtvaardigde Calvijn het recht op verzet tegen de overheid. Hij vond dat men gehoorzaam moest zijn aan het gezag dat God gesteld had, zelfs als het om koningen ging die zich niet aan de wet hielden. Dit principe beperkte zich echter tot privé-personen. Publieke personen hadden wel het recht om zich te verzetten tegen een hogere overheid. Zij waren immers door God bekleed met gezag en brachten zijn bedoelingen ten uitvoer.

2.2 De baron en de rechtsstaat

Baron Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) werd tijdens zijn studie sterk beïnvloed door de ideeën van de Verlichting. Hij maakte kennis met de denkbeelden van:

  • de Engelsman John Locke die pleitte voor mensenrechten;
  • de Fransman Montesquieu die voorstander was van 'de scheiding der machten'. Hieronder verstond hij dat er een scheiding van de macht moest komen tussen degene die het land bestuurden (uitvoerende macht), degenen die in het land de wetten maakten (wetgevende macht) en degenen die rechtspraken (rechtsprekende macht).
  • de Zwitser Rousseau die streefde naar volkssoevereiniteit. Hieronder verstond hij dat de hoogste macht in het land in handen moest zijn van het volk.

volk van nl

Van der Capellen was zelf van adellijke afkomst maar ging zich toch inzetten voor maatschappelijke veranderingen. In pamfletten en tijdschriften uitte hij scherpe kritiek op de situatie in de Republiek. Zijn anoniem gepubliceerde pamflet 'Aan het volk van Nederland' uit 1871 was een grote aanklacht tegen alle stadhouders vanaf Willem van Oranje die ons land hadden bestuurd. Hij vond dat ze misbruik hadden gemaakt van de macht.

2.3 Staatsregeling en Code Civil

De denkbeelden van Van der Capellen legden de basis voor de ideeën van de Patriotten en zouden uiteindelijk worden vastgelegd in de Staatsregeling van 1878, de eerste grondwet van ons land.

Uitgangspunten van deze Staatsregeling waren:

  • de gelijkheid van alle burgers voor de wet;
  • scheiding van de machten;
  • onafhankelijkheid van de rechtelijke macht.

Nederland werd nu een rechtsstaat. De gevolgen van de nieuwe wetgeving voor de rechtsspraak waren groot.

  • de steden moesten hun stadsrechten inleveren en verloren daardoor ook hun bevoegdheid tot rechtspreken.
  • ook op het platteland raakten de heren hun heerlijke rechten kwijt en het recht om recht te spreken.

De Franse revolutie betekende:

  • de ondergang van de feodale samenleving en van de standenmaatschappij;
  • de geboorte van de natiestaat, met centralisatie van bestuur;
  • uitbreiding van de belastingheffing;
  • invoering van algemene dienstplicht;
  • wettelijke gelijkheid van alle burgers.

Toen er een einde kwam aan het koninkrijk Holland onder leiding van Lodewijk Napoleon en Nederland een provincie werd van Frankrijk in 1910 werd de Code Civil ingevoerd, die in 1838 vervangen werd door het Burgerlijk Wetboek.

2.4 Liberalen en de klassieke rechtsstaat

Tijdens de Verlichting kwam er steeds meer kritiek, vooral van de burgerij,op de standenmaatschappij. Hun politiek ideaal was het liberalisme. Elke individuele burger was zelf verantwoordelijk voor zijn positie en de overheid moest zich zo min mogelijk daarmee bemoeien. De overheid diende zich alleen maar bezig te houden met een aantal basistaken zoals openbare orde, onderwijs, rechtspraak en onderhoud van wegen.

thorbecke

Het idee van de rechtsstaat in deze tijd legde dus sterk de nadruk op de klassieke grondrechten, die de burger moesten beschermen tegen overheidsbemoeienis. Tegenstanders van deze staat spraken van een nachtwakersstaat. Vrijheid was volgens Thorbecke wel gebonden aan regels dus moesten de bevoegdheden van de staat in regels worden vastgelegd. De ministers moesten verantwoording daarover afleggen aan het parlement. Het censuskiesrecht gaf de rijke burgers veel politieke macht terwijl de arbeiders geen enkele rol speelden.

2.5 Op weg naar de sociale rechtsstaat

Tot 1872 was het verboden om de staken, ondanks de vrijheid van meninguiting en vergadering. Arbeiders werden tijdens de industriële revolutie nauwelijks beschermd tegen de fabriekseigenaren. Ze konden zo ontslagen worden. Daarbij kwamen slechte woonomstandigheden. Steeds luider kwam men op voor een sociale wetgeving. De eerste wetten werden in ons land eind negentiende eeuw van kracht.

Naast het algemeen kiesrecht voor mannen(1917) en vrouwen(1919) werd het parlement door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging een representatieve vertegenwoordiging van ons land. Dit was belangrijk voor de rechtsstaat: de regering was vanaf nu verantwoording schuldig aan een democratisch gekozen parlement.

pvda

Toen de Partij van de Arbeid na de Tweede Wereldoorlog in de regering kwam, werd onder leiding van Willem Drees gewerkt aan de opbouw van de verzorgingsstaat. Steeds meer mensen vonden dat een grondrecht. De vastlegging van de sociale grondrechten werd geregeld in de grondwet van 1983. Vanaf toen kon gesproken worden van een sociale rechtsstaat. Daaronder vielen de verplichting om werkgelegenheid, bestaanszekerheid en een schoon milieu te bevorderen.

2.6 Vrouwenemancipatie en rechtsstaat

In de tweede helft van de negentiende eeuw begon in Nederland de verplichting voor gelijke rechten van de vrouw. In eerste instantie ging het vooral om het toelaten van meisjes tot het middelbaar en hoger onderwijs. Aletta Jacobs was in 1871 de eerste vrouw die toegelaten werd tot de universiteit.

Na haar studie werd ze een voorvechtster van de vrouwenrechten. Zij opende een praktijk die vrouwen hielp aan voorbehoedsmiddelen. Daarnaast was zij een voorvechtster van vrouwenkiesrecht. Haar strijd paste in de zogenaamde eerste feministische golf waarin het naast betere opleiding- en beroepsmogelijkheden en vrouwenkiesrecht ook om een betere rechtspositie ging.

Bij de grondwetswijziging van 1917 bleek dat de vrouwen alleen passief kiesrecht kregen. Via een initiatiefwetsontwerp kregen vrouwen uiteindelijk in 1919 ook actief kiesrecht.

Ondanks de politieke gelijkstelling bleven vrouwen op vele terreinen een achtergestelde positie houden. Dat bleek uit de volgende feiten:

  • de vrouw was nog steeds ondergeschikt aan de man;
  • de taak van de vrouw lag in het gezin. In de jaren vijftig werd het vanzelfsprekend gevonden dat als vrouwen trouwden ze ophielden met werken.
  • tot 1956 bleef de gehuwde vrouw handelingsonbekwaam, dat wil zeggen dat zij niet zelfstandig een contract kon ondertekenen of een bankrekening mocht openen.

kvp

De strijd voor de gelijkheid van vrouwen leefde pas echt op in de tweede helft van de jaren zestig.

En toch:

  • het opleidingsniveau van jonge vrouwen steeg en er was tegelijkertijd een grote vraag naar arbeidskrachten;
  • het gezinsleven veranderde door de komst van huishoudelijke apparaten;
  • dankzij de introductie van de anticonceptiepil daalde het kinderaantal aanzienlijk.

Deze omstandigheden veroorzaakten de tweede feministische golf. In 1980 werd de 'wet op gelijke behandeling' aangenomen en artikel 1 van de grondwet van 1983 bevatte het discriminatieverbod. De rechtsstaat gold nu ook volledig voor de vrouw.

Zie verder hoofdstuk 3 Havo Thema Feniks Hfst 3 Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland