We hebben 145 gasten online

VWO Thema Feniks Hfst 2 Geschiedenis vann de democratische rechtsstaat in Nederland

Gepost in Thema's

Hfst 2 VWO democratische rechtsstaat

Het denken over staat en onderdanen

Deelvraag 2: Wie zijn de belangrijkste denkers geweest over de verhouding tussen staat en onderdanen en wat waren hun opvattingen?

Inleiding

De wortels van de democratische samenleving liggen in de Griekse Oudheid, in de Renaissance en in de Verlichting. Om te begrijpen waarom mensen in het verleden wel of niet deelnamen aan het bestuur moet je kijken naar de economische stand van zaken en de mate van geletterdheid van de bevolking. Op de verhouding tussen de staat en zijn onderdanen staat dus voortdurend spanning. Daarom is het een dankbaar onderwerp voor filosofen.

Het belang van dit onderwerp

Onze democratische samenleving is het product van denkbeelden die in de Renaissance en de Verlichting zijn ontstaan. In dit hoofdstuk passeren die belangrijkste denkbeelden in relatie tot de tijd waarin zij zijn ontstaan.

2.1 Machiavelli en de macht van de vorst

Machiavelli

Europa was in de Middeleeuwen een feodale samenleving. De adel en de kerk hadden macht. Formeel waren leenmannen ondergeschikt aan een wereldlijk (vorst) of kerkelijk heer (bisschop), maar in de praktijk bestuurden ze zelfstandig een gebied. In de Late Middeleeuwen nam de macht van de vorst toe. De eerste die daarover schreef was de Italiaanse diplomaat Niccolò Machiavelli (1649-1527

Machiavelli werd in zijn denken beïnvloed door het humanisme. Zijn bekendste boek heet 'Il principe' (De heerser) uit 1513. Italië had te lijden onder corruptie en dat maakte volgens Machiavelli tijdelijk een krachtige, agressieve alleenheerser noodzakelijk. Die opvatting noemen we machiavellisme. Een machiavellistische politicus wordt in dit beeld gekenmerkt door sluwheid, waarbij het doel de middelen heiligt. Onder ongewone omstandigheden moet een heerser zonder gewetensbezwaren te werk gaan. Machiavelli kwam tot de conclusie dat je in de politiek nooit moet vertrouwen op beloften.

2.2 Hobbes over de sterke staat

leviathan

Vorsten in de zestiende en zeventiende eeuw streefden naar centralisatie van bestuur. Een gevolg hiervan was dat de macht van de adel afnam. Voorbeelden hiervan:

  • in de Nederlanden ontstond een Opstand en een langdurige strijd tegen koning Filips II;
  • de Engelse koningen en het door de adel beheerste parlement waren in de zeventiende eeuw voortdurend verwikkeld in een strijd om de macht.

Thomas Hobbes (1588-1679) was de eerste grote Engelse politieke filosoof. Hobbes politieke denkbeelden stonden in het teken van angst voor burgeroorlogen en anarchie. De centrale vraag in zijn werk was hoe de vrede kon worden bewaard. Die vraag beantwoordde hij in zijn belangrijkste boek: Leviathan. Hierin rechtvaardigde hij een sterk en effectief gezag.

Uitgangspunt van de ideeën van Hobbes is een denkbeeldige natuurtoestand waarin iedereen vrij en gelijk aan elkaar is. Deze gelijkheid zorgt er volgens Hobbes voor dat mensen hetzelfde willen bereiken. Dit leidt tot onderlinge wedijver, wantrouwen en eerzucht. Hierdoor ontstaat vijandschap, met als gevolg 'een oorlog van allen tegen allen'. Uit zelfbehoud moeten mensen naar een oplossing zoeken. Om vrede te bereiken moet ieder mens bereid zijn om zijn vrijheid op te geven. Hiervoor moet men een overeenkomst sluiten: het sociale contract. Daarin wordt overeengekomen dat iedereen het onbeperkte recht op zelfverdediging overdraagt aan de Leviathan, een absolute vorst of soeverein.

Hobbes benadrukt dat het gaat om een contract tussen volk en vorst. Wordt een vorst verslagen en verliest deze het gezag, dan hoeft hij niet meer gehoorzaamd te worden.

2.3 Locke en de grondrechten

John Locke vluchtte in 1660 naar Nederland na een mislukte opstand tegen de koning. Na de 'Glorius Revolution' in 1688, waarbij Willem III koning van Engeland werd, was er al snel opnieuw sprake van een vorstelijk streven naar absolutisme en opnieuw verzette het parlement zich daartegen.

john locke

In zijn belangrijkste werk, Two treatises on Government (1689), werkte de arts John Locke het natuurecht uit tot een theorie die actief verzet tegen de koning mogelijk maakt. Dit in tegenstelling tot Hobbes die in het natuurrecht een rechtvaardiging zag van autoritair gezag.

Locke hield zich bezig met de vraag aan wie de macht op aarde toekwam. Er is een natuurwet, door God ingesteld, die inhoudt dat iedereen zichzelf in stand moet houden, en ervoor kan zorgen dat de gehele mensheid kan voortbestaan. Iedereen heeft volgens de natuurwet 'natuurlijke rechten', ofwel grondrechten zoals het recht op leven, vrijheid en bezit.

Hobbes vind juist dat de oorspronkelijke macht zou moeten worden overgedragen aan de vorst of aan een andere soevereine macht. Locke stelt dat de oorspronkelijke macht niet wordt overgedragen, maar voorlopig wordt toevertrouwd aan de soeverein. De relatie tussen regering en onderdanen berust op wederzijds vertrouwen. De koning verbindt zich door middel van een dubbele eed tot het in acht nemen van de wet. Als het vertrouwen wordt geschonden door de koning of het parlement dan kan het volk het recht terugnemen om zelf als hoogste macht op te treden.

Locke komt dus op basis van het natuurrecht tot de conclusie dat actief verzet tegen het politieke gezag gerechtvaardigd kan zijn. Het recht op verzet komt iedereen toe, althans als een meerderheid daarmee instemt.

Locke was geen voorstander van algemeen kiesrecht. Met zijn opvattingen over grondrechten, de fundering van het overheidsgezag en verdraagzaamheid is hij de inspiratiebron geworden van het latere liberalisme.

2.4 Montesquieu en de scheiding der machten

Bij de monarchie van de achttiende eeuw lag zowel de wetgevende als de uitvoerende macht bij de koning. In despotische regiems was ook de rechtelijke macht nog in handen van de heerser. Deze beriep zich daarbij op het 'Droit divin', het goddelijk recht dat hij had op zijn machtspositie. De Franse verlichtingsfilosofen uit de achttiende eeuw, zoals Montesquieu en Rousseau, uitten hun bezwaren over dit absolutisme in politieke geschriften.

montesqiueu

Charles Louis de Secundat (1698-1755) erfde de titel baron de Montesquieu en het ambt van president van het parlement van Bordeaux. Montesquieu beschrijft in zijn belangrijkste werk ' Over de geesten van de wetten' (1748), dat regeringsvormen niet los te zien zijn van maatschappijvormen. In zijn boek onderscheidt hij drie regeringsvormen. De eerste vorm is de republiek, dit was ofwel een democratie (regering door het volk) ofwel een aristocratie, regering door een deel van het volk. De tweede vorm is de monarchie een alleenheerschappij gebaseerd op willekeur. Despotie vindt hij een slechte regeringsvorm. Hij geeft de voorkeur aan de monarchie, ook al loopt die voortdurend gevaar af te glijden naar despotisme. Om dit gevaar te keren is machtenscheiding nodig. Zijn voorbeeld daarbij is The Glorius Revolution. Het uitgangspunt van Montesquieu is dat macht corrupt maakt.

In tegenstelling tot het absolutisme moet men de staatsmacht verdelen over drie lichamen: de uitvoerende macht, de wetgevende macht en de uitvoerende macht. Naast machtenscheiding is ook een zeker evenwicht tussen de drie machten van belang. Montesquieu was daarom voorstander van een tweekamerstelsel. Alleen afgevaardigden in een vertegenwoordigend lichaam zijn in staat om over publieke zaken te debatteren. Het volk was naar zijn mening daar niet geschikt voor.

2.5 Jean-Jacques Rousseau en de volkssoevereiniteit

rousseau

Rousseau (1712-1778) is de meest omstreden denker van de Franse verlichting. Hij was in vergelijking met andere filosofen van betrekkelijk eenvoudige afkomst. Het belangrijkste werk van Rousseau is 'Het maatschappelijk verdrag'.

Waar Hobbes van mening was dat vrijheid gepaard ging met anarchie, die allen bestreden kon worden door de instelling van een absoluut en ongedeeld gezag, stelt Rousseau dat er een maatschappelijk contract mogelijk is, dat niet ten koste hoeft te gaan van de vrijheid. Door de vrijheid van de natuurtoestand in te ruilen voor de vrijheid vaneen politieke samenleving, kan men een hogere vorm van vrijheid verwerven. Dit is allen mogelijk door volkssoevereiniteit, het aan allen in gelijke mate toekennen van het hoogste gezag.

Rousseau is een voorstander van de directe democratie, waarbij een volksvergadering beslist over wetgeving. Waar dit niet mogelijk is, is vertegenwoordiging onvermijdelijk, maar dan moet het volk wel zo direct mogelijk invloed uitoefenen door middel van last en ruggespraak. Hoewel hij een directe vorm van democratie voorstaat, is hij gematigd in zijn denken omdat hij voorstander is van een scheiding van de machten en een bestuur van de besten propageert.

In plaats van het eigenrecht komt door het maatschappelijk verdrag de wet, die door allen is ingesteld en voor iedereen geldt.

Het ideale contract houdt in dat de individuele burgers zich allemaal op gelijke wijze verenigen in wat Rousseau noemt de 'volonté géneral'(de algemene wil). De soevereiniteit, de hoogste wetgevende macht, is niets minder dan een uitoefening van de algemene wil. Het hoogste gezag hoort dus bij het volk als geheel te liggen en kan niet worden overgedragen aan een enkeling of groep, zoals Hobbes vindt. De algemene wil houdt in dat er een algemeen belang geldt, waaraan iedereen zich volledig ondergeschikt maakt. Wetgeving die slechts door een deel van het volk of door een enkeling wordt uitgevaardigd, is geen legitieme wetgeving. Om de algemene wil mogelijk te maken moet men waken voor partijen. De algemene wil moet zo direct mogelijk en steeds opnieuw uitgedrukt worden. Een stilzwijgende instemming van het volk, zoals bij Locke, wijst Rousseau absoluut af.

2.6 Adam Smith en de economische vrijheid

De industriële revolutie begon in Engeland en Schotland in de tweede helft van de achttiende eeuw. Vooral de uitvinding van de stoommachine zorgde voor een verandering van de productiewijze. Voor de grootschalige productie was er behoefte aan een afzetmarkt.

adam smith

Het boek van de Schotse econoom Adam Smith (1723-1790) 'Inquiry into the Nature and the causes of the Wealth of Nations (Onderzoek naar de aard en de oorzaken van de rijkdom van de naties, 1776) is een pleidooi voor het afschaffen van handelsbeperkingen en voor een zo groot mogelijke economische vrijheid. Het verwerpt het mercantilisme, dat zijn hoogtijdagen beleefde in de periode van het absolutisme in Frankrijk. Volgens Smith is de primaire bron van rijkdom de arbeid.

Voor productiviteitsverbetering is het belangrijkste middel arbeidsverdeling. Tegelijkertijd moet gestreefd worden naar een zo groot mogelijk omvang van de markt. Daarvoor is vrijhandel noodzakelijk. Eigenbelang, vooral geldelijk gewin is de voornaamste drijfkracht bij het economisch handelen. Indien iedereen zijn eigenbelang nastreeft, zorgt een 'onzichtbare hand' voor het algemeen belang.

De staat dient zich te beperken tot vier taken:

  • bescherming tegen buitenlandse vijanden;
  • handhaving van de rechtsorde;
  • het uitvoeren van de publieke werken;
  • het opleggen van belastingen..

De ideeën van Adam Smith zijn door de liberalen in de negentiende eeuw overgenomen en terug te vinden in de nachtwakersstaat.

2.7 Karl Marx en de klassenloze maatschappij

marxisme

Karl Marx (1818-1883) zag met eigen ogen de schadelijke gevolgen van de industrialisatie in samenhang met het economisch liberalisme. Arbeiders leefden onder erbarmelijke omstandigheden. Hun arbeidsomstandigheden waren meestal bedroevend slecht. Dat gold ook voor hun rechtspositie.

Het uitgangspunt van het denken van Marx is de theorie van het historisch materialisme. Hij verklaart dat alle geestelijke uitingen van de mens, zoals politiek, godsdienst en wetenschap, een weerspiegeling zijn van de bestaande materiële verhoudingen. De bezitters van materie bepalen dus hoe in iedere samenleving de staat is georganiseerd.

marx

In de negentiende eeuw bepaalde het economisch liberalisme steeds meer hoe de samenleving er uit zag. Daarvan werden de arbeiders het slachtoffer. Volgens Marx is het een wetenschappelijke wetmatigheid dat iedere historische fase leidt tot opstand van de onderdrukte klasse, de crisis. Het internationale kapitalisme zal een wereldwijd revolutie van het proletariaat veroorzaken, die de arbeidersklasse aan de macht zal brengen. Na deze revolutie vindt er een verdeling plaats onder de bezitlozen. Omdat dit niet vrijwillig zal gaan, is een een overgangsfase nodig waarin het proletariaat tijdelijk aan de macht is. Nadat het bezit eerlijk is verdeeld komt de eindfase, een klasseloze maatschappij. Omdat er geen onderdrukking meer is kan de staat worden afgeschaft.

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam het binnen de marxistische stroming tot een tweedeling. De communisten hielden vast aan het tot stand brengen van de revolutie en de sociaal-democraten streefden naar de klassenloze maatschappij via parlementaire actie.

Zie verder hoofdstuk 3 VWO Thema Feniks Hfst 3 Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland