We hebben 209 gasten online

VWO Thema Feniks Hfst 5 Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland

Gepost in Thema's

Hfst 5 VWO democratische rechtsstaat

Partijvorming vanaf 1848

Deelvraag 5:

Wat is de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste politieke partijen en stromingen sinds 1848?

Inleiding

Nederland heeft een representatieve democratie waarin partijen een belangrijke rol spelen. In een politieke partij werken mensen samen die dezelfde visie op de maatschappij hebben. Zij komen daarbij vaak op voor de belangen van een bepaalde bevolkingsgroep. Door de opkomst van de moderne media verschuift de politieke aandacht de laatste jaren wel meer naar de politieke leiders van de partijen.

In 1848, toen Nederland een districtenstelsel had, bestonden er nog geen partijen. Men koos vooral een regionale kandidaat, meestal wel verbonden met een politieke stroming. Na 1848 nam het aantal kiezers geleidelijk toe en werden politieke tegenstellingen groter. Door de strijd om het kiesrecht, de schoolstrijd en de sociale kwestie ontstonden er politieke partijen. De invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 zorgden ook voor uitbreiding van het aantal partijen.

Het belang van dit onderwerp

Onze regering komt tot stand op basis van krachtsverhoudingen tussen politieke partijen, die samen een meerderheid in de Tweede Kamer hebben. Politieke partijen vormen de basis van ons politieke bestel. Kennis over de geschiedenis van de politieke partijen is dus belangrijk.

5.1 Het ontstaan van politieke partijen

Sinds de grondwet van 1848 had ongeveer elf procent van de mannelijke bevolking kiesrecht. Een deel van de volksvertegenwoordiging bestond uit conservatieven die tegenstanders waren van de grondwet van Thorbecke.

De meeste parlementariërs rekenden zichzelf echter tot de liberale stroming. Maar er kwamen ook protestantse en katholieke volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer en in de laatste decennia van de negentiende eeuw kwamen er ook socialistische Kamerleden.

Een drietal kwesties, de schoolstrijd, de kiesrechtkwestie en de sociale kwestie, veroorzaakten grote politieke tegenstellingen. Deze zorgden ervoor dat Kamerleden zich gingen organiseren in politieke partijen.

Sinds de schoolwet van 1806 kregen alle schoolgaande kinderen hetzelfde onderwijs op basis van algemene christelijke waarden. Leerstellig onderwijs was niet toegestaan. Dat was veel protestanten en katholieken een doorn in het oog. De grondwet van 1848 bood die mogelijkheid, omdat daarin vrijheid van onderwijs werd vastgelegd. Op basis van deze grondwet kwam in 1857 een nieuwe schoolwet tot stand, opgesteld door een liberale regering. Deze wet verleende echter geen subsidie aan de nu toegestane katholieke en protestantse scholen. Dat leidde tot verontwaardiging omdat men via de belastingen wel meebetaalde aan het openbaar onderwijs. De confessionelen gingen nu streven naar financiële gelijkstelling tussen bijzonder en openbaar onderwijs. Ook de kiesrechtkwestie en de sociale kwestie zorgde voor partijvorming.

In 1878 kwam de eerste politieke partij tot stand: de protestantse Anti-Revolutionaire Partij.

5.2 Liberale vrijheid en tegenstellingen

bond vrije liberalen

 De liberalen gingen uit van het gedachtegoed van de Verlichting. Zij waren voorstanders van vrijheid en gelijkheid van het individu. De liberalen waren tegenstanders van de overheidsinvloed. Op economisch gebied waren zij daarom voor vrijhandel. Die moest worden overgelaten aan de wet van vraag en aanbod. De meeste aanhangers van de liberalen waren afkomstig uit de gegoede burgerij en de top van de middenklasse. Vanaf 1848 kregen de liberalen de meerderheid in de Tweede Kamer en daarmee bepaalden ze de samenstelling van de regering.

Binnen de liberalen ontstonden tegenstellingen met betrekking tot de rol van de overheid. Deze groepering noemde zich progressief-liberalen. Het was het liberale kamerlid Van Houten die in 1874 een initiatief nam tot het indienen van een wetsontwerp waarbij kinderarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar verboden werd. De eerste sociale wet.

In 1885 kwam de eerste liberale partij, de Liberale Unie, tot stand. In 1894 scheidden de conservatieven zich af in een groepering die in 1906 de Bond van Vrije Liberalen ging heten. In 1901 was er een afscheiding van de progressieve groep, de Vrijzinnig Democratische Bond. Deze was voorstander van algemeen kiesrecht.

Door de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 kwam er een definitief einde aan de dominante positie van de liberalen.

5.3 De strijd voor een christelijke natie

De liberale grondwet van 1848 as een belangrijke stap op weg naar katholieke emancipatie. In veel kiesdistricten steunden katholieken daarom de liberale kandidaat. De schoolstrijd zorgde voor verwijdering tussen katholieken en liberalen en overbrugde de tegenstellingen tussen de confessionele bevolkingsgroepen.

De protestantse antirevolutionairen werden geleid door Groen van Prinsterer, die zich fel keerde tegen de ideeën van de Verlichting en Franse Revolutie. De hoogste macht lag volgens hem niet bij het volk (Volkssoevereiniteit) maar bij God (Godsoevereiniteit). Van Prinsterer werd dé pleitbezorger van het bijzonder onderwijs.

De christelijke maatschappijvisie zag de samenleving als een organisch geheel, waarbij niet het individu, maar het functioneren van het individu in de gemeenschap belangrijk is.

Abraham Kuyper, de opvolger van Groen van Prinsterer, ontwikkelde de leer van 'soevereiniteit in eigen kring'. Hiermee wordt bedoeld dat elke levenskring, zoals het gezin, de kerk of het onderwijs, zijn eigen onafhankelijk gezag heeft. De Staat mocht zich daar niet mee bemoeien. Kuyper nam het initiatief tot de stichting van de protestantse Vrije Universiteit. Zijn aanhangers waren de zogenaamde 'kleine luyden': ambachtslieden, winkeliers, boeren. Hij verkondigde de zogenaamde anti-these: de gelovigen moesten zich verenigen tegen de ongelovigen. Hij was voor uitbreiding van het kiesrecht. Een deel van de protestanten waren daar tegen en scheidden zich in 1908 af en richtten de Christelijk Historische Unie op.

Binnen de katholieke Kerk ontstonden denkbeelden die sterk leken op het beginsel van soevereiniteit in eigen kring. In de encycliek Rerum Novarum (1891) verklaarde paus Leo XIII, dat de overheid slechts mocht handelen, waar individuen en organisaties niet in staat waren de problemen op te lossen. Dit uitgangspunt, het beginsel van subsidiariteit, vormde een soort tussenweg tussen liberalisme en socialisme. De schoolstrijd had de brug geslagen tussen de twee godsdiensten, die tijdens de Aprilbeweging in 1853 nog voor onmogelijk werd gehouden. In 1868 riepen alle bisschoppen de katholieken op hun kinderen naar de eigen, bijzonder scholen te sturen.

Het verschijnsel dat maatschappelijke groepen hun eigen organisaties oprichten wordt verzuiling genoemd. Tot de oprichting van een katholieke partij moest men echter wachten tot 1926, toen de Rooms-Katholieke Staatspartij werd opgericht.

De totstandkoming van confessionele partijen is op zichzelf bijzonder, omdat deze partijen personen van zowel de hogere klasse als de arbeidersklasse en de middenklasse achter zich verenigden. Na de grondwetsherziening van 1917 kregen de confessionele partijen de meerderheid in de Tweede Kamer.

De verzuiling benadrukte de onderlinge tegenstellingen, maar de leiders van de confessionele partijen waren bereid om met elkaar samen te werken. Een deel van de protestanten was tegen de samenwerking met de katholieken en richtten in 1918 de Staatkundig Gereformeerde Partij op. Men wilde de Bijbel zoveel mogelijk naleven.

5.4. Socialistische onmacht

In de tweede helft van de negentiende eeuw zorgden de Industriële Revolutie en de armoede op het platteland voor veel ellende. Arbeiders gingen zich organiseren en er ontstonden socialistische partijen. Deze werden geïnspireerd door Karl Marx die van mening was dat de ongelijkheid in de maatschappij het gevolg was van een ongelijke verdeling van de productiemiddelen. Een wereldrevolutie zou daaraan een einde maken. In afwachting van zo'n revolutie was organisatie van arbeiders noodzakelijk..

De eerste socialistische partij in de Tweede Kamer was de Sociaal Democratische Bond, die in de jaren negentig voor het anarchisme koos en buitenparlementaire acties voerde.

sdap

De Sociaal Democratische Arbeiderspartij onder leiding van Jelle Troelstra wilde via het parlement de positie van de arbeider verbeteren. Men pleitte voor algemeen kiesrecht, het staatspensioen en de achturige werkdag. De socialisten slaagden er niet in de confessionele arbeiders aan zich te binden. Dat bleek uit de verkiezingen van 1918 waarbij de SDAP 22% kreeg en de confessionele partijen meer dan 50%.

Troelstra maakte toen de fout om in 1918, in navolging van elders in Europa, de revolutie uit te roepen. Dat mislukte en als straf zou de SDAP tijdens het Interbellum geen regeringsverantwoordelijkheid dragen totdat de Duitse dreiging in 1939 sterker werd.

Revolutionaire denkbeelden waren enkel nog te vinden in het programma van de Communistische Partij van Nederland die zich in 1908 had afgescheiden van de SDAP.

5.5 Partijvorming na de Tweede Wereldoorlog

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werden de bestaande partijen door de nazi's opgeheven. De leiders van de politieke parijen werden geïnterneerd in St. Michielsgestel, waar men discussieerde over een andere Nederlandse samenleving na de oorlog. Dit leidde na de oorlog tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging. Deze ging uit van de zogenaamde 'doorbraakgedachte'. Men wilde een einde maken aan de tegenstellingen die veroorzaakt werden door de verzuiling en de klassenstrijd.

In de meidagen van 1945 bleek de aanhang voor de vernieuwingsdrang beperkt te zijn. Zowel de bisschoppen als de protestantse leiders vertrouwden meer de kracht van de verzuiling dan op de vage denkbeelden van de doorbraak. De RKSP kreeg een nieuwe naam: de Katholieke Volkspartij. De ARP en CHU keerden onder de eigen naam terug.

In februari 1946 werd de Partij van de Arbeid opgericht, in een poging sociaal-democraten, vrijzinnig-democraten en christendemocraten te verenigen in een zogenaamde doorbraakpartij. Een ruime opvatting van het socialisme, het personalistisch socialisme, dat uitging van persoonlijke verantwoordelijkheid en gemeenschapszin, moest christenen overhalen om op de nieuwe partij te stemmen. De verkiezingen van 1946 liepen uit op een grote teleurstelling voor aanhangers van de vernieuwing. De doorbraak was mislukt. Teleurgestelde vrijzinnig-democraten bleken zich al snel niet thuis te voelen in de PvdA en werden medeoprichters van de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD).

vvd 1956

Toch keerden de vooroorlogse tegelstellingen niet terug. Tot 1959 werkten de KVP en de PvdA samen in wisselende coalities waarbij de opbouw van de verzorgingsstaat centraal stond. Onder leiding van de PvdA-premier Willem Drees werd de sociale zekerheid uitgebreid. Bekendste voorbeeld is de Algemene Ouderdomswet uit 1957.

5.6 Polarisatie, participatie, consensus

Het snelle economische herstel had politieke en maatschappelijke gevolgen. Het draagvlak voor de krachtige hand van de overheid nam af. In 1958 kwam er een einde aan de rooms-rode coalitie.

De Nederlandse samenleving veranderde snel in de jaren zestig. De welvaart droeg bij aan de ontkerkelijking en ontzuiling. Een belangrijke factor was ook de komst van de televisie in elke huiskamer. Er was toen nog maar een net waardoor men ook programma's van de andere zuil kon zien. Daardoor verminderde de greep van één zuil op al zijn leden.

Door de ontzuiling ontstond er een nieuw verschijnsel in de politiek: de zwevende kiezer. De grote partijen moesten zich nu bij elke verkiezing waarmaken. Dit schiep ruimte voor nieuwe partijen en voor meer invloed van burgers op besluitvormingsprocessen, de 'partijdemocratie'.

Het idee was dat je de onderlinge verschillen tussen burgers echt zou kunnen wegwerken door ieder van hen te laten deelnemen in elke vorm van beleid dat het dagelijks leven op de een of andere manier beïnvloedt. Binnen het idee van de participatiedemocratie speelde fundamentele maatschappijkritiek vaak een belangrijke rol. Naast de gevestigde partijen ontstonden in die periode ook nieuwe partijen.

De PvdA kreeg in 1957 een concurrent in de PSP(Pacifistisch Socialistische Partij), een partij die streefde naar ontwapening en fel tegenstander was van atoomwapens.

De oprichting van Democraten' 66 was partijpolitiek een voorbeeld van het streven naar een participatiedemocratie. D'66(nu D66) maakte bezwaar tegen de politieke onduidelijkheid in Europa. D'66 was;

  • voor een doorbraak die zou leiden tot de keuze tussen één progressief blok en een conservatief blok;
  • voorstander van een gekozen minister-president;
  • wilde het stelsel van evenredige vertegenwoordiging vervangen door een combinatie van evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel.

Van de KVP splitste zich in 1968, aan de linkerzijde, de PPR (Politieke Partij Radicalen) af. De politiek participatie leidde tot polarisatie: fellere verhoudingen tussen de politieke partijen.

drie cda koningen

De ontzuiling en deconfessionalisering zorgde in de jaren zeventig voor een snelle achteruitgang van de aanhang van de christelijke partijen. Om dit proces te stuiten gingen de KVP, ARP en CHU op in het Christen Democratisch Appel in 1980. Het stemverlies werd tot staan gebracht.

Een kleine groep protestanten kon zich niet vinden in het CDA en richtte de Reformatorisch Politieke Reformatie (RPF) op. Samen met een andere kleine protestantse partij, het Gereformeerd Politiek Verbond (GPF), vormde de RPF in 2001 de Christen Unie, een partij die voor een christelijk-sociaal beleid staat.

groen links

 De kleine linkse partijen CPN, PSP, PPR en EVP gingen in 1989 op in Groen Links, een progressieve partij met veel aandacht voor het milieu.

In de loop van de jaren tachtig normaliseerden de partijverhoudingen en kwam er weer ruimte voor consensuspolitiek. Dat hield in dat er gezocht werd naar mogelijkheden om samen te werken en naar overeenstemming, in plaats van de verschillen te benadrukken. Dat leidde tot de samenwerking in het derde kabinet Lubbers vanaf 1989 tussen CDA en PvdA en de totstandkoming van de Paarse coalitie van de PvdA, VVD en D66 in de jaren negentig.

paarse coalitie

De gematigde koers van de PvdA schiep ruimte links van die partij. De Socialistische Partij vulde dat in. Van een geheel ander politieke orde was de opkomst van Pim Fortuyn, die in 2002 met een geheel eigen lijst zou meedoen aan de verkiezingen. Een week voor de verkiezingen werd hij vermoord. De Lijst Pim Fortuyn (LPF, kwam in de regering en het parlement) maar was geen lang leven gegund door onderling gekissebis.

sp

Sinds de opkomst van de televisie is het gezicht van de lijstrekker van groot belang geworden. Politiek lijkt daardoor steeds meer een zaak van personen in plaats van partijen te worden.

verkiezingen 2003