We hebben 342 gasten online

Samenvatting VWO Feniks Hfst 4 Overzicht van de geschiedenis

Gepost in Tweede Fase 1e druk Overzicht gs

Tijd van Steden en Staten

tijdvak 4

Hoge en Late Middeleeuwen 1000 - 1500

Hoofdstuk 4: De keizer, de paus en de grenzen van de macht

Oriëntatie

De tweede helft van de Middeleeuwen (1000-1500) wordt ook wel onderverdeeld in de Hoge Middeleeuwen (1000-1300) en Late Middeleeuwen (1300-1500).

In de tweede helft van de ME groeiden de bestaande steden in West-Europa en werden er veel nieuwe steden gesticht.

De door de vorsten verleende stadsrechten maakte dat men stadsmuren mocht bouwen, een markt houden en tol mocht heffen. Ze mochten ook zelf hun stad besturen en recht spreken. De belastinginkomsten voor de vorsten stegen daardoor.

De Duitse keizer en de koningen van onder meer Frankrijk, Spanje en Engeland gebruikten de belasting om huurlegers en ambtenaren van te betalen en zo het bestuur in hun staat te verstevigen. daarom spreken we van de Tijd van Steden en Staten.

De kenmerken

De Late Middeleeuwen bleef echter een standenmaatschappij in volgorde:

  • de Koning
  • eerste stand de geestelijkheid;
  • tweede stand de adel;
  • derde stand de burgerij die de kost verdiende met handel en nijverheid.

De handelaren en ambachtslieden organiseerden zich in gilden. De stad werd gesymboliseerd door de muur.

De middeleeuwse mens in Europa was er van overtuigd dat alle macht van God kwam. De paus en de keizer waren door God als plaatsvervangers aangesteld om macht uit te oefenen.

Geen wonder dat er tussen de paus en de keizer problemen ontstonden over de vraag wie de bisschoppen mocht benoemen.

Dat de paus veel macht had bleek ook wel toen hij opriep tot de kruistochten om Palestina van de moslims te bevrijden. In 1099 veroverden de kruisridders Jeruzalem.

De vorsten probeerden in deze tijd hun invloed ook te vergroten. Ze wilden graag heersen over aangesloten gebieden. De Franse en Duits keizer stelden alles in het werk om een nieuwe zelfstandige staat te voorkomen. Een zelfstandig Bourgondië zou hun macht en gezag immers aantasten. Zij streefden naar uitbreiding van hun macht door middel van centralisatie: overal moesten dezelfde wetten gelden. Zo'n gecentraliseerde staat steunt op ambtenaren, een huurleger en vereiste grote sommen geld. Dat geld moesten de stedelingen aan de vorst afdragen en daar hadden ze vaak geen zin in. Zij streefden juist naar vrijheid en zelfbestuur. In 1453, nadat Genk door Filips der Goede was verslagen werden in privileges de rechten en plichten van vorsten en onderdanen vastgelegd.

De vijf kenmerken van het tijdvak:

  • In de christelijke wereld was er strijd over de vraag of de wereldlijke dan wel d egeestelijke macht het hoogste gezag was;
  • De kruistochten zijn een voorbeeld van expansie van de christelijke wereld naar buiten toe;
  • Door de opkomst van handel en ambacht ontstonden nieuwe steden en kwam er een agrarisch-urbane (stedelijke) samenleving;
  • De stedelijke burgerij werd steeds belangrijker en de zelfstandigheid van steden nam toe;
  • Staten werden gevormd en door centralisatie werd het bestuur efficiënter.

Kernbegrippen

Ambacht: Beroep waarbij een handwerker met gereedschap eindproducten maakt. Tevens een ander woord voor gilde, een vereniging van mensen met eenzelfde beroep.

Centralisatie: Het streven van vorsten om hun grondgebied vanuit een hoofdstad centraal te regeren.

Expansie van het christendom: Uitbereiding van het christelijk geloof door missionering of verovering van gebieden.

Geestelijke macht: De macht van de geestelijkheid.

Handel: Het ruilen van producten voor andere producten of voor geld.

Kruistochten: Vanuit katholieke gebieden in (West)- Europa vonden van de elfde tot de dertiende eeuw tochten plaats om de Heilige Plaatsen in Palestina te heroveren op de moslims.

Staatsvorming: Het streven van vorsten naar een aaneengesloten grondgebied met een stevige bestuursstructuur.

Wereldlijke macht: De macht van de keizer, koningen en edelen over het gewone volk. Deze macht betreft bestuur en rechtspraak.

4.1 Paus en keizer

Inleiding

In de tijd van Steden en Staten (1000-1500) waren nagenoeg alle West-Europeanen rooms-katholiek. God had de aarde geschapen en drie standen ingesteld.De geestelijkeheid de adel en de burgerij en ieder had zijn eigen taak. De heerschappij over de kerk en de gelovigen, de geestelijke macht, gaf hij aan de paus, de besturusmacht over landen, de wereldlijke macht, schonk God aan de keizer.

Dit wereldlijk bestuur had een rangorde: keizer, via koning en hertog tot de kleinste adelijke hee,r die vanuit zijn kasteel slechts één of enkele dorpen bestuurde. De kerk had net zo'n hiërachische structuur: van de paus, kardinalen, bisschoppen tot de pastoors en kapelaans.

Voortdurend vond er een strijd om de macht plaats. Daarnaast ging het om de vraag wie op aarde de hoogste macht toekwam, de paus of de keizer.

Het belang van dit onderwerp

Tegenwoordig zijn in de meeste westerse landen kerk en staat gescheiden, in tegenstelling tot het verleden. Toch beïnvloeden godsdienstige overtuigingen nog vaak het politieke denken en handelen. Andersom heeft de politiek ook invloed op religie.

Met behulp van dit onderwerp kun je vergelijkingen maken tussen vroeger en nu als het gaat om kwesties van de macht van de staat over de kerk. Of omgekeerd de invloed van de geestelijkheid op de staat.

Welke machtsconflicten waren in de Hoge Middeleeuwen in de kerk, tussen kerk en staat en binnen de staat?

Het Oosters Schisma

In 395 werd het Romeinse Rijk opgedeeld in een West-Romeins Rijk en een Oost-Romeins Rijk. De christelijke kerk ontwikkelde zich n die gebieden verschillend. In de begintijd van het christendom was er geen paus en bepaalde de bisschoppenvergadering, een zogenaamd concilie, het beleid van de kerk. Niet alle bisschoppen waren het erover eens dat de paus in kerkzaken het laatste woord moest hebben. Had hij het recht zich de vertegenwoordiger van álle christenen te noemen? De oosterse bisschoppen vonden eigenlijk van niet.

Uit het Oost-Romeinse Rijk ontwikkelde zich het Byzantijnse Rijk. Door missioneringarbeid kreeg de patriarch van Constantinopel de oppermacht over de kerk van Rusland. Opnieuw werd toen de vraag gesteld of de patriarch van zo'n welvarende stad ondergeschikt moest zijn aan de paus in Rome. Desondanks beschouwde de paus zich de hoogste geestelijke voor alle christenen.

Paus Leo IX zond in 1054 gezanten naar Constantinopel om de geschillen in het voordeel van Rome te beslechten. Dat mislukte en wederzijds werden banvloeken uitgesproken. het oosters schisma was een feit. De westerse kerk stond voortaan onder leiding van d epaus en de oosterse kerk onder die van de patriarch van Constantinopel.

De Investituurstrijd

Volgens de christelijke opvatting hebben de paus en de keizer evenveel macht gekregen van God. In werkelijkheid was er vaak onenigheid over wie nu het hoogste gezag op aarde toekwam. In de Investituurstrijd gaat het om die kwestie.

Karel de Grote gaf aan hertogen en graven die hem trouw waren gebieden in leen. Zij bestuurden deze gebieden voor hem. Ook dienden zij in zijn leger.

Het leenstelsel - ook wel feodale stelsel genoemd – had echter ook nadelen.

  • Men ging de lenen als eigendom beschouwen;
  • Het erfrecht bepaalde dat alle zonen van een leenman een deel van de bezittingen van hun vader erfden.

De bezittingen raakten zo zeer versnipperd en het rijk van Karel de Grote raakte in verval. In het Duitse rijk (oostelijk deel oude Frankische rijk) werd bepaald dat alleen de oudste zoon bezittingen kon erven, waardoor versnippering werd voorkomen. Lenen die aan bisschoppen werden gegeven kwamen na hun dood weer terug naar de keizer. Bisschoppen mochten namelijk niet trouwen.

Volgens kerkelijk recht mochten de Duitse keizers geen bisschoppen benoemen maar ze deden het wel. De plechtigheid waarmee de bisschop door de paus als bisschop werd aangesteld wordt investituur genoemd.

Binnen de kerk ontstond een beweging die zich verzette tegen de grote invloed van de keizer op bisschopsbenoemingen. Deze hervormingsbeweging vanuit de abdij van Cluny in Frankrijk , sprak ook schande over de zucht naar rijkdom, genot en macht van priesters, bisschoppen en pausen. Veel priesters hielden zich niet aan het celibaat (belofte om niet te trouwen).

Keizer Hendrik de III (1039-1056) steunde de hervormingsbeweging en zette onwaardige pausen af en oefende op benoemingen van pausen en bisschoppen grote invloed uit. In 1045 waren er maar liefst drie ruziënde pausen.

De strijd tussen paus en keizer werd steeds grimmiger. Tijdens het pausschap van Gregorius VII (1073-1085) kwam de Investituurstrijd tot een hoogtepunt.

Toen de Duitse keizer zich niet hield aan de regels van Gregorius VII deed deze keizer Hendrik IV in de kerkelijke ban. Daardoor werd zijn door God gegeven machtsuitoefening in gevaar en zou hij niet meer in de hemel kunnen komen. Hendrik IV restte niets anders dan de paus om vergiffenis te vragen in Canossa. Gregorius VII accepteerde de boetedoening en hief de kerkelijke ban op, om hem daarna weer uit te vaardigen.

In 1084 slaagde hij erin Rome te bezetten en een eigen paus te benoemen: Clemens III. Door deze paus werd Hendrik IV tot keizer gekroond. De strijd tussen pausen en keizers duurde echter voort.

Pas in 1122 kwam er een einde aan de strijd tussen de paus en de keizer door het Concordaat van Worms. In dit verdrag tussen kerk en staat werd vastgelegd dat een bisschop zowel een geestelijke als een wereldlijke taak had. Met het concordaat was de Investituurstrijd beëindigd. De kerk had zich ontworsteld aan de greep van de staat. Macht en aanzien van de paus waren duidelijk toegenomen.

Keizer en keurvorsten

In de Middeleeuwen kozen de Duitse Hoge edelen uit hun midden de invloedrijkste vorst tot hun koning. De koning of keizer was de hoogste leenheer over de leenmannen. de belangrijkste leenmannen heersten over een stam( een volk, zoals de Franken of Saksen). Ze werden daarom ook wel stamhertogen genoemd. In plaats van stamvorst wilden zij landsheer worden. de keizer zelfs opperlandsheer (de soeverein). dan kon echter alleen ten koste van de stamvorsten. Frederik I koning van het Duitse Rijk (1152-1190), die om zijn rode baard de bijnaam Barbarossa kreeg, was zo'n vorst die zijn macht wilde uitbreiden richting Noord-Italië. Daarom trok hij herhaaldelijk de Alpen over. tevens zocht hij in de Duitse gebieden naar bondgenoten. In 1154 gaf hij aan Hendrik de Leeuw, die al hertog van Saksen was, ook nog het hertogdom Beieren. geen wonder dat Hendrik de Leeuw Frederik I steunde. In 1155 werd hij tot keizer gekroond.

In de dertiende en veertiende eeuw konden de Duitse keizers verder machtstoename van de vorsten niet voorkomen. In 1232 vaardigde keizer Frederik II (1212-1250) een privilege uitdat de vorsten enorm bevoordeelde.

holy roman empire 1350

Uiteindelijk vaardigde keizer Karel IV in 1356 de Gouden Bul uit (in het nadeel van de keizer) waarbij hij erkende dat de zeven aanzienlijkste vorsten het alleenrecht kregen de keizer te kiezen. De keizer had eigenlijk de landsheerschappij over heel het keizerrijk willen hebben, maar zijn keizerstitel was symbolisch. Voor belangrijke beslissingen had hij altijd de steun van de keurvorsten nodig.

4.2 Kruistochten

Inleiding

Het woord kruistocht staat voor een sterk godsdienstig geïnspireerde militaire onderneming naar Palestina, het heilige land.

Het belang van dit onderwerp

De christelijke kruistochten worden wel eens vergeleken met de islamitische Jihad of heilige oorlog. De twee begrippen zijn van oorsprong echter verschillend. De islamitische heilige oorlog had van het begin af aan een offensief karakter: het doel was onderwerping van de ongelovigen. De kruistochten waren op de eerste plaats defensief, namelijk het heroveren van Palestina. de term kruistocht werd echter ook gebruikt voor andere militaire offensieven tegen de islamieten, zoals de Reconquista in Spanje, en de oorlog tegen de heidense Slaven in Oost-Europa. Daarbij was de expansie van het christendoom een hoofddoel.

Tegenwoordig wordt het woord kruistocht nog gebruikt als een onderneming die stoelt op een onwrikbare overtuiging. Want aan een kruistocht liggen sterke (persoonlijke) drijfveren ten grondslag. Het geloof of een politieke overtuiging kan zo'n motief zijn.

Welke motieven waren er om op kruistocht te gaan?

Constantinopel bedreigd

Omstreeks 1050 veroverden islamitische Seldsjoeken, een groot deel van de Arabische gebieden. Ze traden fanatieker op tegen joden en christenen dan de Arabieren. Omstreeks 1080 hadden de Seldjoeken grote delen van Klein-Azië veroverd en bereikten ze de Bosporus. Het christelijke Byzantijnse Rijk dreigde het slachtoffer te worden van hun veroveringsdrang. De Byzantijnse keizer vroeg daarom de paus of hij ridders wilde sturen om de christenen in het oosten te redden.

De oproep van de Byzantijnse keizer kwam paus Urbanus II goed uit om de volgende redenen:

  • De ridders waren toch maar vaak onderling aan het vechten en een gezamenlijke vijand kon daaraan een eind maken;
  • Als de ridders erin zouden slagen om de heilige plaatsen in Palestina te bevrijden, was bovendien expansie van het christendom mogelijk.
  • De macht en aanzien van de paus zou groeien.
  • De paus hoopte dat de Byzantijnse kerk, die zich in 1054 had losgemaakt van Rome en de paus niet meer erkende, hem wellicht dan weer als Gods plaatsvervanger op aarde wilde zien. Zo zou er een einde komen aan het Oosterse schisma.

Paus Urbanus II riep de kruisvaarders op tot een kruistocht. Hij en zijn opvolgers beloofden de kruisridders dat al hun zonden zouden worden vergeven waardoor men de hemel kon verdienen.

de kruistochten

 Jeruzalem bevrijd

Vechten om Jeruzalem te bevrijden, en zo vergeving van zonden te verkrijgen, sprak velen aan. Nog aantrekkelijker was de kans om buit en rijkdom te vergaren. in 1097 begon men aan de verovering van Klein-Azië. De weg naar Jeruzalem was vol ontberingen, ziektes en hinderlagen van de inheemse bevolking. dankzij de verdeeldheid onder de islamitische tegenstanders, konden de kruisridders in 1099 Jeruzalem veroveren. Om de veroveringen te behouden, stichtten de kruisridders enkele staten, waaronder het koninkrijk Jeruzalem. Veel pelgrims en kruisvaarders keerden terug naar huis zodat de veroverde gebieden maar moeizaam konden worden behouden. daarom waren er in de twaalfde en dertiende eeuw nog verschillende kruistochten nodig om de grenzen van het koninkrijk veilig te stellen(zie kaart)..

Constantinopel geplunderd.

Aangezien de route over land zo gevaarlijk was, namen de kruisridders die dat konden betalen, het schip naar Palestina. Vooral Venetië, dat grote handelsbelangen had, hielp bij dit transport. Tijdens de vierde kruistocht (1202-1204) veroverden de kruisridders op aandringen van Venetië behalve enkele concurrerende handelssteden ook Constantinopel. De rijkste stad in het Middellandse Zeegebied werd zwaar geplunderd. De kruisridders betaalden Venetië dus feitelijk met wapendienst tegen christelijke steden.

Zonen uit adellijke families die in Europa weinig kans hadden op leengoederen kregen in het oosten wel lenen. Ook bekleedden zij hoge bestuurlijke functies in de kruisvaarderstaten en in delen van het Byzantijnse Rijk.

Paus Innocentius III (1198-1216) veroordeelde de verovering van Constantinopel, maar officieel stond de oosterse kerk nu weer onder zijn gezag. Een eeuw later werden de kruisvaardersstaten heroverd door de moslims en konden de oude Byzantijnse machthebbers hun gezag weer herstellen. De kloof tussen Rome en de gelovigen van de Oosterse kerk was nu diepoer dan ooit.

4.3 Brugge: stad van handel en nijverheid

Inleiding

In Brugge worden aangevoerde grondstoffen verwerkt en daarna verhandeld. ook eindproducten worden af- en aangevoerd.

Bij het ontstaan en de bloei van steden spelen vaak natuurlijke omstandigheden een rol, maar ook menselijk ingrijpen kan een beslissende factor zijn.

Het belang van dit onderwerp

Bijna de helft van de wereldbevolking woont in steden en dat aandeel blijft groeien. Steden waren er al in het oude Egypte en in het Romeinse Rijk. Toch dateren de meeste steden uit een latere periode: de Tijd van Steden en Staten. Bestaande steden maakten in de Hoge Middeleeuwen een groeifase door. Bijvoorbeeld het Vlaamse Brugge, in de veertiende eeuw de belangrijkste stad in Noordwest-Europa.

Hoe kon Brugge uitgroeien tot een Europees handelscentrum?

Voedselproductie in Vlaanderen

Voorwaarde voor de ontwikkeling van een stad is de aanwezigheid van voldoende voedsel en mensen.

Vanaf de zevende eeuw nam de productie van de landbouw toe door:

  • het gebruik van andere trekdieren: paarden in plaats van ossen;
  • het gebruik van andere gereedschappen: door een andere ploeg te gebruiken die het land echt keerde;
  • het gebruik van andere landbouwmethoden: de invoering van het drieslagstelsel waarbij de grond eens in de drie jaar werd braak gelegd om de vruchtbaarheid te bevorderen. Doordat nu niet de helft maar tweederde van de akkers werd ingezaaid, kon meer graan worden geoogst.

In de elfde en twaalfde eeuw kwamen er ook nieuwe landbouwgronden bij door het droogleggen van moerassen en indijken van stukken land aan zee. Landinwaarts rooide men bossen.

Omdat er meer te eten was groeide de bevolking. Steden namen in aantal en omvang toe en de samenleving kreeg weer een agrarisch - urbaan (stedelijk) karakter zoals in de Romeinse tijd.

Spontane groei

In de eerste fase van de ontwikkeling van Brugge was er sprake van een spontane groei. Mensen die op het platteland niet meer nodig waren gingen producten verhandelen of ze specialiseerden zich in een handwerk, een ambacht.

Handelaren in wol en laken

In de twaalfde eeuw gingen de handelaren zich nadrukkelijk met het stichten van steden bezighouden.

  • Ten eerste vanuit politiek-militaire redenen;
  • Ten tweede omdat Brugge in economisch opzicht belangrijker werd voor Vlaanderen.

In het Vlaamse achterland produceerden de steden wollen lakens van zeer hoge kwaliteit. In de elfde eeuw kwam de wol uit het Vlaamse land. In de twaalfde eeuw gingen patriciërs, rijke grondbezittende burgers uit de steden, zich doelbewust met droogleggingen en ontginningen bezighouden om ook schapen te kunnen houden.

De lakenproductie nam zo'n vlucht dat ook wol uit Engeland moest worden ingevoerd. Door de vloedgolf van 1134 werd er een bres geslagen in het moerassige land:het Zwin, waardoor de zeeschepen veel verder landinwaarts konden komen. Zo werd Brugge voor Vlaanderen de belangrijkste havenstad.

Jaarmarkten en Hanze

In de derde fase van de stedelijke ontwikkeling werd de handel over grote afstand steeds belangrijker. De luxe Vlaamse lakens en kledingstukken vonden in geheel Europa afzet.

De handelaren uit Frankrijk, Italië en Spanje ontmoetten elkaar in de twaalfde en dertiende eeuw op de jaarmarkten in de Champagnestreek. de jaarmarkten vormden in de dertiende eeuw het hoogtepunt van de handel tussen landen en continenten. In de veertiende eeuw namen ze in betekenis af, doordat de Italiaanse handelaren uit Venetië en Genua nu ook per schip Brugge aandeden. De overzeese handel op de Oostzee groeide eveneens snel. Het Vlaamse en Hollandse platteland bleek niet meer in staat om de steden van voedsel te voorzien. Daardoor moest men van elders graan aanvoeren. Zo werd het Oostzeegebied een belangrijke voedselleverancier voor deze steden.

De handelaren van de belangrijke handelssteden aan de Noordzee en Oostzee verenigden zich in de Hanze. Oorspronkelijk was de Hanze vooral een machtige stedenbond van Duitse en Balitische handelssteden. Vanaf de dertiende eeuw echter kreeg de Hanze ook meer invloed in de Lage Landen en Engeland. De Hanze wist grote handelsprivileges te krijgen in Brugge en stichtte daar zelfs een eigen kantoor. Zo groeide Brugge in de veertiende en vijftiende eeuw uit tot het belangrijkste trefpunt van internationale handelaren.

4.4 Steden vechten voor meer vrijheid

De magistraat ( het stadsbestuur) maakt zelf de regels om het dagelijks leven van de burgers in goede banen te leiden. De landsheer kan niets anders dan er mee in te stemmen. Hij heeft immers belang bij een goede belastingopbrengst en goede leensommen. In deze paragraaf dienen de Vlaamse steden om de toename van de burgerlijke vrijheid te illustreren.

Het belang van dit onderwerp

Mensen proberen hun bestaan zoveel mogelijk naar eigen inzicht in te richten. Eeuwenlang hebben ze gestreden voor mee rechten en vrijheden. Ook in het tijdperk van Steden en Staten wilden de mensen het liefst zichzelf besturen. Soms ondervinden ze daarbij enorm veel weerstand van de keizer of koning die voor zichzelf ook de hoogste bestuursmacht opeiste.

Hoe veroverden de Vlaamse steden steeds meer vrijheden en bestuursmacht?

Stadslucht maakt vrij

De boren op het platteland waren veelal lijfeigenen en horigen. Mensen die in de steden woonden, waren vrijer. De steden maakten tijdens conflicten en oorlogen gebruik van hun grote inwonertal en economische macht en slaagden erin de horigheid af te werpen.

In het begin van de twaalfde eeuw vochten in Vlaanderen verschillende adellijke families om de macht. In 1128 werd dit beslecht in het voordeel van graaf Diederik van de Elzas, die de steun kreeg van de Vlaamse steden. De steden wilden wel iets terug voor die steun:

  • Meer veiligheid voor een betere rechtspraak;
  • Kanalen graven om te handel te bevorderen;
  • De steden kregen meer vrijheden, die werden vastgelegd in stadsrechten.

Een eigen bestuur

Op het platteland was de bestuurlijke en rechtelijke macht in handen van de graaf of zijn directe vertegenwoordiger. In de steden was het de graaf die patriciërs moest kiezen als schepenen om de stedelingen te berechten en te besturen. Een schepen bleef tot zijn dood in functie. Het stadsbestuur kwam steeds meer in handen van een kleine, rijke kliek die de macht misbruikte. Armere burgers kregen in naar verhouding hogere belastingen opgelegd en werden zwaarder bestraft.

Herhaaldelijk kwam in Vlaanderen het gemeen, de stedelingen die niet tot het patriciaat hoorden, in opstand tegen dit onrecht. Rijke handelaren, die geen grond bezaten, hadden geen kans om tot schepen te worden gekozen. Uiteindelijk werd de macht van het patriciaat in 1241 enigszins ingeperkt. Ook werd bepaald dat de handwerksgilden een stadsraad kregen, gekozen uit de leden van de handwerkslieden. Die stadsraad moest de schepenen controleren.

De Guldensporenslag

guldensporenslag

Graaf Gwijde koos steeds meer patij voor 'het gemeen' in de Vlaamse steden, omdat hij steun zocht in zijn machtsstrijd met de Franse koning Filips de Schone. De rijke burgers steunden de Franse koning in zijn ambities. In 1302 kwam het tot felle strijd tussen de Leliaarts (genoemd naar de lelie in het Franse wapenschild) en de Klauwaarts (genoemd naar de klauwende leeuw op het wapenschild van de Vlaamse graaf). Op 17 mei bezetten Franse ridders en soldaten Brugge, maar al de volgende morgen werden ze door de Klauwaarts verrast. Filips de Schone wilde de moordpartij wreken en stuurde een ridderleger van meer dan tweeduizend geharnaste ridders en vierduizend voetknechten naar Vlaanderen. Tegen alle verwachtingen in, verloren de Leliaarts de strijd. De overwinnaars verzamelden vijfhonderd buitgemaakte gulden sporen en hingen die als dank in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk.

Door de overwinning van de Klauwaarts nam de bestuurlijke invloed van de patriciërs af. De ambachtslieden, georganiseerd in gewone gilden, kregen juist meer macht. De zege van de Klauwaarts geldt als een van de grote momenten in de Vlaamse geschiedenis, omdat het gewone volk de strijd toen won van de elitaire Franse ridders.

4.5 Bourgondië: aanzet tot een nieuwe staat

Inleiding de Bourgondische hertogen sloten strategische huwelijken omdat ze gebiedsuitbreidingen wilden. Uiteindelijk streefden de Bourgondiërs naar een nieuwe staat, gelegen tussen Frankrijk en Duitsland.

Het belang van het onderwerp

Europese staten als Engeland, Frankrijk en Spanje kregen vastere vorm in de Tijd van de Steden en Staten. Om de krachten te begrijpen die toen leidden tot staatsvorming, is het nuttig te bezien hoe gebieden bij elkaar werden gevoegd en hoe het staatsbestuur werd georganiseerd. Kamen de staten toen ook met geweld tot stand?

Hoe verliepen de staatsvorming en de centralisatie van de macht in het hertogdom Bourgondië?

De Bourgondische landen

In de veertiende en vijftiende eeuw ontstond tussen Frankrijk en het Duitse Rijk een samenklontering va verschillende graafschappen en hertogdommen. Oorspronkelijk bestond Bourgondië uit twee delen: het hertogdom, waarvan de Franse koning de hoogste leenheer was, en Franche-Comté, het graafschap dat onder lorrainehet Duitse Rijk viel. De Bourgondische hertogen streefden naar een nieuwe staat, los van Frankrijk en het Duitse Rijk.

Drie huwelijken lagen aan d ebasis van Bourgondië als machtsfactor. Het erste huwelijk was dat van Filips de Stoute, de jongste zoon van de Franse koning. Filips trouwde met de erfdochter van Vlaanderen. Dat paste goed in het Franse streven om grip te krijgen op het rijke graafschap. Maar dat bleek niet haalbaar.

De twee andere strategische huwelijken vonden plaats in Kamerijk in 1385. Het dubbelhuwelijk tussen Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, met Margaretha van Holland-Henegouwen en van Willem VI van Holland-Henegouwen met Margaretha van Bourgondië. Toen Jan zonder Vrees vader overleed erfde hij Bourgondië en spoedig van moederszijde Vlaanderen, Artois en Franche-Comté. Zijn zoon Filips de Goede (aan de macht van 1419-1467) erfde Brabant, Limburg, Henegouwen, Holland en Zeeland, doordat neven van hem jong kwamen te overlijden. Luxemburg werd bezet en het graafschap Namen gekocht.

Hertog tussen koning en keizer

Filips de Goede vatte de gedachte op een eigen Bourgondische staat te stichtten, ls van feodale banden met Frankrijk. Hij speeld ehandig in op de strijd tussen Engeland en Frankrijk: de Honderdjarige oorlog (1337-1453). In die oorlog steunde Bourgondië aanvankelijk Engeland. Bij vredesonderhandelingen te Atrecht in 1435 (die mislukten) slaagde Filips erin belangrijke gebiedsuitbreidingen in Noord Frankrijk te verkrijgen van de Franse koning. In ruil daarvoor moest hij wel de kant van de Fransen kiezen.

In 1453 viel Constantinopel in handen van de Turken en kwam in 1454 in regensburg een Rijksdag (vergadering van Duitse keurvorsten, bisschoppen, graven en vertegenwoordigers van de rijkssteden) bijeen om de nieuwe situatie te bspreken. Filips beloofde daar een kruistocht te ondernemen, aar zover kwam het niet. Dankzij de goede relatie met de paus mocht Filips II kerkelijke belastingen innen en die gebruiken voor zijn eigen politiek. Bovendien mocht hij een groot aantal familieleden benoemen tot bisschop in de Bourgondische aangrenzende gebieden. Toen Filips de Goede overleed, werd hij opgevolgd door zijn zoon Karel de Stoute ( 1467-1477). Deze wilde de Elzas en Lotharingen veroveren en zo zijn erflanden tot een aanengesloten gebied maken. Een koningskroning lute echter niet.

Van feodale naar moderne staat

Steeds minder edelen wilden echter hun leven in de waagschaal stellen voor de Bourgondische hertogen. Die moesten toen uitzien naar huursoldaten waardoor er extra geld nodig was. Oorspronkelijk kreeg men geld door de verpachting van hertogelijk grondbezit en de opbrengsten van tollen en soms beden(een soort belasting). Die inkomsten waren ontoereikend geworden waardoor de hertogen de steden onder druk zetten om leningen te verschaffen. Tevens wilde men door centralisatie alle belastingen overal hetzelfde laten zijn (uniformering) en ze centraal te innen (centralisering. Daar had men ambtenaren voor nodig.

Men besloot universitair geschoolde juristen aan te stellen als rechters waardoor de adel bestuurlijke en rechterlijke functies verloor. Dit kwam echter wel de kwaliteit van het bestuur ten goede.

unificationDe hertog besloot niet meer de Gewestelijke Staten ( vergadering van de standen per gewest) bijeen te roepen, maar hij stelde een Staten-Generaal in, een centrale standenvergadering voor alle Bourgondische gewesten samen, bestaande uit vertegenwoordigers van de verschillende Gewestelijke Staten. De Staten-Generaal zou voortaan, in overleg met de hertog, beslissen over nieuwe belastingen.

Burgers tegen centralisatie

Veel Vlaamse steden kwamen in verzet tegen de nieuwe hoge belastingen. ze moesten ineens meer betalen, terwijl er geen nieuwe privileges tegenover stonden. En er werd geen rekening gehouden met de oude stedelijke voorrechten.

Toen Karel de Stoute een extra oorlogsbelasting dreigde op te leggen protesteerden de Staten van Vlaanderen. De gewesten waren tegen de strenge aanpak van Karel de Stoute.

Toen hij sneuvelde bij de belegering van Nancy, grepen zij hun kans. Zij wilden Karels dochter Maria pas als machthebber accepteren, als zij zou instemmen met het Groot Privilege. Zo beperkten de steden de centralisatiedwang van de Bourgondiërs. Door het huwelijk van Maria met Maximiliaan van Oostenrijk (Duitse keizer 1493-1519) kwam het grootste deel van de bourgondische gebieden in oostenrijkse handen. De droom van een zelfstandige Bourgondische staat was vervlogen.

Het Bourgondische hof

Het Bourgondische hof werd het culturele centrum van de Lage Landen. De schilderkunst stond er op een hoog peil. De schilders, de zogenaamde Vlaamse primitieven, verenigden elementen van de Gotiek en de Renaissance in hun werk. Ook de miniatuurkunst, waarmee kostbare boeken werden versierd, was van hoog niveau. Altaarstukken, grafmonumenten en glas-in-loodramen, geschonken aan veel kerken, moesten het gewone volk imponeren. Karel de Stoute had ook een elitaire ridderorde ingesteld voor d ehoge adel: de Orde van het Gulden Vlies. Door deze toe te kennen, verlichtte hij hen tot trouw en gehoorzaamheid.

Jan van Eyck

In de schilderkunst werd steeds meer het perspectief toegepast. deze manier van schilderen was niet wetenschappelijk van eykonderbouwd, maar eerder proefondervindelijk ontdekt door personen en voorwerpen achter elkaar te plaatsen en schaduwpartijen te schilderen.

De schilders van deze tijd zijn bekend geworden als de Vlaamse Primitieven. Zij schilderden echter niet primitief of eenvoudig. de term is een letterlijke vertaling van 'Les Primitifs Flamands' . Daarin betekent 'primitief' juist 'de eersten' of de 'oorspronkelijken'., hetgeen aangeeft dat deze schilders voor het eerst nieuwe technieken toepasten. De bekendste van de Vlaamse Primitieven is Jan van Eyck. Hij werd omstreeks 190 geboren in Maaseik, vandaar zijn naam. Vanaf 1425 was hij in vaste dienst van Filips de Goede als schilder en als kamerheer. Filips wilde huwen met de dochter van de Portugese koning, Isabella. Het was de taak van Jan van Eyck, een schilderij van haar te schilderen, zodat de hertog een goede indruk van haar kon krijgen. en inderdaad huwde Filips met haar in 1430. In 1431 kocht Jan van Eyck een huis in Brugge en zou daar tot zijn dood in 1441 zijn belangrijkste werken schilderen.

arnolfini 

Veel religieuze werken maar ook thema's als landschap, interieur en portret werden steeds belangrijker. Vanaf 1423 signeerde Van Eyck zijn werk en ook dat was een vernieuwing. Hij schilderde ook voor de welvarende burgers van Brugge.

Zie voor hoofdstuk 5 Samenvatting VWO Feniks Hfst 5 Overzicht van de geschiedenis