We hebben 265 gasten online

Samenvatting VWO Feniks Hfst 6 Overzicht van de geschiedenis

Gepost in Tweede Fase 1e druk Overzicht gs

Tijd van Regenten en Vorsten

tijdvak 6

Gouden Eeuw en 17e eeuw 1600-1700

Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa

Oriëntatie

Het Tijdvak

In Nederland wordt de zeventiende eeuw vaak de Gouden Eeuw genoemd. Die naam is echter pas in de negentiende eeuw ontstaan uit bewondering voor die tijd. De Zeventiende eeuw was in de ogen van velen een tijd van grote welvaart.

Voor de Gouden eeuw kennen we ook de benaming Tijd van Regenten en Vorsten, omdat het de regenten en vorsten waren die in de zeventiende eeuw de dienst uit maakten. Een voorbeeld van een koopman-regent is Mattheus van den Broeke die zowel via de WIC in Brazilië terechtkwam maar ook met de VOC in Nederlands Indië.

De Franse koning Lodewijk XIV en Stadhouder Willem III (zie afbeelding rechts) waren aan het einde van de zeventiende eeuw elkaars vijanden in wiillem IIIhet Europese machtsspel. Ze streefden naar machtsuitbreiding ten koste van de standen, vertegenwoordigd in de Staten Generaal. Lodewijk XIV slaagde erin zijn macht te centraliseren maar stadhouder Willem III echter niet. De Republiek der Verenigde Nederlanden was namelijk al bij haar ontstaan (1848) een statenbond: een samenwerkingsverband van grotendeels zelfstandige gewesten waarbij de soevereiniteit berustte bij de Staten generaal. De stadhouders lukt het niet de macht geheel aan zich te trekken.

In de gewesten van de Republiek was het een kleine bovenlaag van rijke burgers die de macht uitoefende. Deze burgers werden regenten genoemd. Voorbeeld van zo'n regent is Hieronymus van Beverningh. Hij had rechten gestudeerd zat in het vroedschap (gemeentebestuur) van Gouda, had zitting in de Staten van Holland en was ook raadspensionaris van Johan de Witt en stadhouder Willem III.

In de steden waren veel bestuurlijke banen erfelijk. Welvarende families legden onderling in 'contracten' vast welke banen naar welke families gingen.

De Kenmerken

De Nederlandse Opstand resulteerde in 1648 in het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Er was geen gecentraliseerd bestuur. In andere Europese landen was dit juist wel het geval.

Een koning zoals Lodewijk XIV vond dat hij zijn macht van God had gekregen, dat noemen we Godsoevereiniteit. Als heerser duldde hij geen tegenspraak en inspraak van anderen. Dit noemen we absolutisme.

Niet alleen de bestuursvorm van de Republiek en de rijkdom wekten wrevel op. Amsterdam was het handelscentrum van Europa geworden. Hollandse kooplieden hadden de rol van de Spanjaarden en de Portugezen overgenomen. En er was een wereldeconomie ontstaan, waarbij verschillende werelddelen in toenemende mate economisch met Europa verbonden werden. De kooplieden investeerden in de overzeese handel om zoveel mogelijk winst te maken. Dit handelskapitalisme leidde tot een felle concurrentie maar de Hollandse kooplieden trokken aan het langste eind.

1648

Ze bouwden enorme huizen en bestelden schilderijen bij beroemde schilders als Johannes Vermeer, Rembrandt van Rijn of Jan Steen. De Republiek was heel tolerant ook voor andersdenkenden. Veel mocht er worden gezegd en geschreven. Daarom besloten filosofen , die om hun ideeën uit hun eigen vaderland moesten vertrekken, De Engelsman Locke en de Fransman Descartes, zich in de Republiek te vestigen. Veel buitenlandse geleerden lieten hun boeken in de Republiek drukken en uitgeven. Samen met Nederlandse geleerden, zoals Spinoza, Huygens en van Leeuwenhoek, zorgden zij voor een doorbraak in het kritische denken: de wetenschappelijke revolutie.

De vier kenmerken van het tijdvak

  • Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie;
  • Het streven van vorsten naar absolute macht;
  • De wetenschappelijke revolutie;
  • De bijzonder plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Kernbegrippen:

Absolutisme: Staatsvorm waarbij de koning alle macht in handen heeft en alleen aan God verantwoording hoeft af te leggen.

Economie: De financiële middelen, de handel en de industrie van een land.

Handelskapitalisme: Vroege vorm van kapitalisme, waarbij de kooplieden een centrale rol speelden. Zij kochten producten op en verkochten die door met winst. de winsten investeerden zij.

Kapitalisme: Economisch systeem met als belangrijke kenmerken winststreven, privé-bezit en vrije concurrentie.

Wereldeconomie: Vanaf de ontdekkingsreizigers breidden Europese handelaren hun werkterrein uit tot de hele wereld. Producten uit alle werelddelen werden uitgewisseld.

Wetenschappelijke revolutie: Wetenschappelijke ontwikkeling die tot een ander beeld van de werkelijkheid leidt. Kenmerken van de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw: observeren, experimenteren en redeneren.

6.1 Langs kusten, over oceanen

Inleiding

Hoorn was na Amsterdam een van de belangrijkste plaatsen van de Republiek. Van hieruit vertrok onder andere Willem Ysbrantsz. Bontekoe in 1618 naar Java. Hij beschreef zijn avonturen in 'Journael van de Oost-Indische reyse'. In de twintigste eeuw schreef Johan Fabricius het daarop geïnspireerde jeugdboek: De scheepsjongens van Bontekoe (onlangs verfilmd).

Het belang van dit onderwerp

De jonge Republiek gold als schatrijk en de kooplieden werkten volgens het principe van het kapitalisme. Hun markt was de wereldmarkt vooral door de oprichting van de VOC. Maar de VOC was echter maar een klein onderdeel van de economie van de Republiek en de soms enorme winsten werden behaald ten koste van de dood van duizenden zeelui en de lage prijzen die in Azië voor de producten werden betaald.

Hoe is de economische groei van de Republiek te verklaren?

Toenemend kapitalisme in de landbouw

In grote delen van Europa was in de zeventiende eeuw nog zeventig procent van de bevolking werkzaam in de (zelfvoorzienende) landbouw. In de Republiek was dat een veel kleiner deel. Deze boeren waren voor een groot deel gericht op de verkoop van producten. In de kustgewesten werkte nog slechts 40 procent in de landbouw; 33 procent van de bevolking was werkzaam in de nijverheid. Ongeveer zeventien procent was actief in de sector handel en verkeer, terwijl de overige beroepsgroepen de overige tien procent betrof. In vergelijking met andere landen was de Republiek haar tijd ver vooruit.

In de vijftiende eeuw verslechterde de situatie in de landbouw door de stijgende zeespiegel en door inklinking van de veengronden. Akkerbouw werd onmogelijk door een te hoge grondwaterspiegel en veel boeren stapten over op de veehouderij. Boeren met weinig grond zochten extra inkomsten in de eendenhouderij, het turfsteken of de textielproductie thuis. Ook de visserij en de haringvangst namen sterk toe.

Tegelijkertijd vond in de Noord-Duitse gebieden en in de Baltische staten juist een toename van de graanproductie plaats. De graanoverschotten uit het Oostzeegebied compenseerden het tekort aan graan in de kustgewesten van de Nederlanden. En zo ontstond er een bloeiende graanhandel tussen het Oostzeegebied en de Nederlanden. Meer dan de helft van het benodigde graan werd geïmporteerd. Door de winstgevende handel werd deze handel ook wel de 'moedernegotie' genoemd.

Door de noodzaak bijverdiensten te zoeken, groeide het aantal arme boeren dat afhankelijk werd van de verkoop van specialistische producten (garens, stokken, turf). Rijke veeboeren waren voor de verkoop van boter, kaas en vee afhankelijk van de afzet in de steden of de export.

Kapitalisme in de steden.

Ook in de steden vond er schaalvergroting en specialisatie plaats. In de Middeleeuwen en zestiende eeuw waren er nog veel spinsters of wevers met een eigen weefgetouw die hun garens en stoffen verkochten aan een handelaar. In de zeventiende eeuw hadden enkele handelaars zich opgewerkt tot zogeheten 'drapeniers': mensen die het gehele productieproces van de textiel beheersten. De arme wevers, maar ook de boeren, werkten nu tegen loon in hun dienst in een 'manufactuur' (een bedrijf met eenvoudige houten spinmachines en weefgetouwen). Ook in de bierproductie en scheepsbouw was er sprake van toenemende schaapvergroting.

Aan het begin van de zeventiende eeuw telde de Republiek anderhalf miljoen inwoners en omstreeks 1700 twee miljoen. Textielstad Leiden - na Amsterdam de grootste stad - groeide van 10.000 inwoners in 1580 tot 72.000 in 1665. Middelburg, Groningen, Delft, Utrecht, Rotterdam en Haarlem telden in 1650 ieder meer dan 25.000 inwoners.

Oostzeehandel

In de visserij en scheepvaart vond ook schaalvergroting en specialisatie plaats. Schepen die eerst nog van enkele zeelieden samen waren, kwamen in handen van grote kooplieden of reders en de bemanning was bij hen in loondienst.

Scheepsbouwtechnische verbeteringen gaven de Hollandse handelaren en kustvaarders een voorsprong op hun concurrenten. Voor de ondiepe kustwateren van de Noordzee en de Oostzee werden nieuwe scheepstypes ontwikkeld met een geringe diepgang, de galjoot en het fluitschip. Het fluitschip had een bolle romp om veel vracht te kunnen verstouwen. het dek werd extra klein gehouden, omdat bij de passage van de Sont bij Kopenhagen tol betaald moest worden naar de grote van het dek. Fluitschepen werden in grote getale gestandaardiseerd op werven gebouwd waardoor ze goedkoper werden. Ze konden ook nog met een derde van de bemanning minder toe zodat de loonkosten ook nog afnamen voor de reders.

Handelskapitalisme in Indië

De Portugezen en de Spanjaarden hadden de wereldzeeën verkend en in het spoor van Da Gama en Columbus stuurden Kooplieden schepen uit om de Indische rijkdommen te halen. De kapitalen die werden verdiend met de kustvaart, vooral de haringsvangst en graanhandel, werden geïnvesteerd in de grote vaart: verre expedities in de hoop spectaculaire winsten te behalen. Tot het einde van de zestiende eeuw bekleedden de Portugezen vrijwel een monopoliepositie in de Europese specerijenhandel. Door hun zwakke organisatie en beperkte vloot (per jaar voeren er slechts vijf schepen naar Indië) konden ze evenwel niet voldoen aan de Europese vraag naar peper, waardoor de prijzen enorm stegen.

In 1595 vertrok een kleine vloot onder leiding van Cornelis de Houtman naar Azië. Veertien maanden later bereikte deze Java. De zogenaamde 'Eerste Schipvaart' werd een ramp. Van de 249 manschappen overleefden er slechts 87 de tocht.

Op aandringen van de overheid besloot een aantal kooplieden tot samenwerking om de moordende concurrentie een halt toe te roepen en om de risico's te spreiden. In 1602 werd de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht (De Britten hadden al in 1600 de East India Company opgericht en de Fransen richtten pas in 1645 de Compagnie d' Orient op). Al die Compagnieën kregen van hun regeringen een handelsmonopolie, mochten zelfstandig verdragen sluiten en bezaten het recht om factorijen, handelsposten en militaire versterkingen aan te leggen.

oprichtingsactie voc

De officiële oprichtingsakte van de VOC met lakzegel.In het octrooi legden de Staten generaal de uitzonderlijke rechten van de handelscompagnie vast.

De honderden eilanden die het oostelijk deel van de Indische Archipel vormen (de Molukken, waaronder de Banda eilanden) waren in de wereld het enige productiegebied van kruidnagelen, nootmuskaat en foelie. De VOC stelde als in het werk om er het handelsmonopolie in handen te krijgen, de productie te controleren en specerijen in te kopen tegen een zo laag mogelijke prijs. Deze konden dan in Europa tegen veel hogere prijzen worden verkocht waardoor enorme winsten konden worden gemaakt.

Tussen 1641 en 1658 voerde de VOC oorlogen om op de noordelijke Molukken een monopolie af te dwingen. De bevolking werd uitgemoord en kruidnagelbomen vernield. De kruidnagelproductie werd geconcentreerd op Ambon, waar de VOC in 1605 een fort op de Portugezen had veroverd. Iedere familie moest verplicht aan de VOC leveren. Mannen moeste mee op de zogenaamde 'hongi-tochten' . de VOC gebruikte deze 'hongi-tochten' om op die eilanden het bestuur uit te oefenen, recht te spreken én om nieuwe aanplant van kruidnagelbomen te vernielen zodat kruidnagelen schaars bleven. Kapitalisme in zijn extreemste vorm.

Het meest driest trad de VOC op tegen de inwoners van de Banda eilanden. Daar werd nootmuskaat en foelie geproduceerd waarvoor de VOC een te lage prijs betaalde zodat de inwoners moeilijk de hoge prijs van rijst en textiel konden betalen. Toen de concurrenten van de VOC 50% meer wilden betalen trad de VOC hard op. In 1621 werd onderleiding van Jan Pieterszoon Koen namens de VOC hard opgetreden en met 1200 soldaten werd de bevolking afgeslacht. Enkele honderden inwoners moesten voortaan als slaaf op de eilanden blijven. Zo kreeg de VOC uiteindelijk toch de totale controle over de productie van nootmuskaat en foelie. Omdat ze op de wereldmarkt de enige aanbieder was, kon de VOC de prijs in Europa hoog houden.

Stapelmarkt en Beurs

Amsterdam had in 1540 30.000 inwoners en haar handel was vooral op Europa gericht. Doordat Antwerpen in 1585 in Spaanse handen viel vluchtten veel handelaren naar Amsterdam. Na 1585 groeide Amsterdam snel van 60.000 inwoners in 1600 naar 150.000 in 1650.

Op de Amsterdamse stapelmarkt werden in de Gouden Eeuw producten uit de gehele wereld opgeslagen en doorverkocht. De Amsterdamse beurs was het centrum van het economische leven van de Republiek, ja zelfs van de wereldeconomie. De Spanjaarden kochten met betaalden met zilver uit de Zuid-Amerikaanse mijnen. Met dat zilver kochten de Hollandse kooplieden in de Levant, de oostelijke kusten van de Middellandse Zee, luxe producten. Het zilver was bovendien gewild om in Indië specerijen te kopen.

In Azië werd door de VOC een heel systeem van interne handel opgezet, dat telkens weer winst opleverde. Men handelde met China en Japan (eiland Decima). Amsterdamse bankiers leenden geld uit tegen 4% rente, terwijl de rente elders vaak het dubbele bedroeg. Daardoor konden Hollandse kooplieden makkelijker investeren en dat kwam de economie ten goede. De Handelsvloot bestond rond 1650 uit tweeduizend schepen, waarvan er elk jaar ruim twintig naar Indië gingen. de scheepvaart verschafte werk aan 50.000 mannen. Alleen de VOC had in de hoogtijdagen 10.000 man in dienst.

6.2 Eindelijk vrede. Altijd weer oorlog

Inleiding

Op 31 januari 1648 werd in Munster een verdrag ondertekend waarmee een einde kwam aan de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Republiek. Spanje erkende de Republiek als een onafhankelijke staat.

verdrag van munster

 

Laatste pagina van het Vredesverdrag van Münster met de ondertekeningen door Spaanse en Nederlandse onderhandelaars 30 januari 1648. Algemeen Rijksarchief Den Haag.

Het belang van dit onderwerp

Zelden zijn er zoveel oorlogen gevoerd als in de zeventiende eeuw. De zeventiende eeuw was meer dan een periode van kunstenaars, wetenschappers en rijke handelaren. Voor de mensen van de Gouden Eeuw was een oorlog bijna een normaal verschijnsel. Vorsten koesterden de oorlog om hun persoonlijke ambities te kunnen botvieren.

Hoe losten landen in de zeventiende eeuw internationale problemen op?

Staatsgezinden en Prinsgezinden

Het hoogste bestuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd gevormd door de Staten Generaal (De Republiek was een statenbond). Ook na de Opstand bleven de stadhouders in functie als legerleiders. Daarnaast hadden zij het recht om in veel steden vroedschapsleden te benoemen. Zo konden zij indirect ook enige invloed uitoefenen op de Gewestelijke Staten en de Staten Generaal, want daarin hadden de afgevaardigden van de steden ook weer zitting.

In de jonge Republiek moest nog bepaald worden bij wie en bij welke instantie de hoogste macht lag. Daarbij ontstonden twee vijandige kampen: de 'staatsgezinden' en de 'prinsgezinden'. De prinsgezinden steunden de stadhouders, de Oranjes. Willem II en Willem III vonden eigenlijk dat zij het recht hadden op soevereine (koninklijke) macht. De staatsgezinden vonden echter dat de Gewestelijke Staten en de Staten Generaal het hoogste gezag toekwamen. Meestal stonden ze onder leiding van de Raadspensionaris, de hoogste bestuurlijke adviseur van de Staten van Holland en de Staten Generaal.

Holland eiste na de Vrede van Münster een snelle inkrimping van het leger:

  • Dat zou veel geld besparen;
  • Willem II zou niet meer kunnen aandringen op nieuwe veldtochten;
  • Willem II kon niet meer beschikken over zijn trouwste soldaten.

De stadhouder probeerde zijn macht te vergroten door in de steden prinsgezinden te benoemen. In 1650 stierf Willem II echter aan de pokken. Zijn vroegtijdige dood voorkwam dat hij nog meer macht naar zich toetrok. De staatsgezinden hielden de benoeming van een nieuwe stadhouder tegen. De periode van 1650 tot 1672 was dan ook een stadhouderloos tijdperk.

Lodewijk XIV, dé absolute vorst.

In de Republiek was er geen sprake van centralistische en monarchale ambities. In bijna alle andere landen waren die ambities wel aanwezig. In Frankrijk werd Lodewijk XIV (1638-1715) al op 4 jarige leeftijd koning, na het sterven van zijn vader. Tot hij volwassen was werd de regering geleid door kardinaal Mazarin.

Mazarin kreeg veel protesten te verduren door de toenemende belastingdruk en de toename van het absolutisme. Daartegen ontstond een verzetsbeweging: de Fronde (1648-1653). Maar Mazarin bleek in staat de protestbewegingen te weerstaan.

Na de dood van Mazarin in 1661 zette de koning diens centralisatiepolitiek voort en groeide uit tot een absoluut vorst. De Staten Generaal hadden geen inspraak meer. Hij dulde geen ander geloof dan het katholicisme en herriep het Edict van Nantes waarbij aan protestanten vrijheid van geloof was gegarandeerd. De Hugenoten vluchtten daarop naar de Republiek of Pruisen. Omdat ze zeer ondernemend en meestal financieel daadkrachtig waren werden ze met open armen ontvangen.

Economische politiek

Absolutisme en geloof gingen in Frankrijk blijkbaar voor de economie. Het vertrek van de Hugenoten leidde tot een economische aderlating. Om de staatskas op orde te houden had Lodewijk XIV Colbert aangesteld als minister van Financiën en later ook van handel en nijverheid. Hij voerde het mercantilisme in, ook wel colbertisme genoemd, waarbij Colbert streefde naar een positieve handelsbalans. Daarbij moest de staat streven naar een zo groot mogelijke goudvoorraad. Als voorbeeld diende de Republiek en Engeland. Verder stimuleerde hij de oprichting van handelscompagnieën met handelsmonopolies voor de Franse koloniën. Colbert ondersteunde ondernemers die bedrijven oprichten om zo import onnodig te maken. Omdat Colbert zo de Franse markt beschermde, wordt deze politiek protectionisme genoemd. Dit beleid kende ook een Engelse variant. Vooral met de Akte van Navigatie uit 1651 probeerden de Engelsen de eigen koopvaardij te bevoordelen. Het doel was vooral de Hollandse positie van Europese vrachtvaarders te schaden.

Het Rampjaar 1672

Net als bij de VOC in Indië, was voor Frankrijk en Engeland oorlog een geschikt middel om de eigen posities te versterken en de concurrenten uit te schakelen. In de al genoemde Akte van Navigatie lag een belangrijke oorzaak van de Engels-Hollandse oorlogen.

  • Eerste Engelse oorlog (1652-1654) eindigde onbeslist;
  • Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) werd vooral veroorzaakt door de concurrentiestrijd tussen de West-Indische Compagnie en de Royal Africa Company inzake handelsforten op de West-Afrikaanse kust van waaruit slaven naar Amerika werden getransporteerd en bezittingen vanuit Amerika. Admiraal de Ruyter trok de Theems op en versloeg de Engelse vloot bij Chatham. Bij de Vrede van Breda werd besloten dat de handelsforten en Suriname in handen bleven van de Republiek, terwijl Nieuw Amsterdam (New York) in Engelse handen kwam.
  • Derde Engelse oorlog (1672-1674), door geldgebrek moest de Engelse koning Karel II de oorlog beëindigen. Vrede van Westminster.

De Vierde Engelse oorlog ontstond een eeuw later. Voor het totaal overzicht neem ik die hier nu ook op.

  • Vierde Engelse oorlog (1780-1784) De relatie tussen Engeland en Nederland kwam onder druk te staan door het groeiend enthousiasme voor de Amerikaanse Vrijheidsoorlog in Nederland en het toenemende vervoer van handelsgoederen naar de opstandige Amerikanen. Nadat Nederland besloten had om toe te treden tot het Verbond van Gewapende Neutraliteit, hetgeen neer kwam op het optimaliseren van de handel met Amerika, was voor Engeland de maat vol. Op 20 december 1780 verklaarden de Engelsen aan Nederland de oorlog.

Lodewijk XIV zag de Rijn als de natuurlijke grens met de Duitse gebieden en maakte aanspraak op delen van de Spaanse Nederlanden. Om de economische en militaire macht van de Republiek definitief te breken, sloot Frankrijk in 1670 een verbond met Engeland en spoedig ook met de aartsbisschoppen van Munster en Keulen. In april 1672 verklaarden Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen de oorlog aan de Republiek.

Hoewel de vloot van de Republiek het moest opnemen tegen een gecombineerde Frans-Britse vloot, lukte het admiraal de Ruyter op zee enkele overwinningen te behalen en een invasie vanaf de Noordzee te voorkomen. Door geldgebrek moest Engeland al afhaken in 1674. Frankrijk echter boekte op het land overwinningen. In drie weken tijd werden Overijssel, Gelderland, en Utrecht bezet door Franse legers. De Fransen hadden een leger van 120.000 man en de Republiek maar een leger van 20.000 man.

kaart 1672

"Door de roode lijn zijn de Gewesten door den vijand bemagtigd aangewezen."

Onleend aan: G. Mees, Historische atlas van Noord-Nederland, van de XVI eeuw tot op heden. Kaart IV, Noord-Nederland in 1648. De gevestigde Republiek de Vereenigde Nederlanden. Rotterdam, 1865

De opmars van de Fransen naar Holland kon worden voorkomen doordat de in 1672 benoemde stadhouder Willem III het gebied tussen de Zuiderzee en de rivieren onder water zette. Daardoor overleefde de Republiek het rampjaar 1672. Willem III zag kans bondgenootschappen te sluiten met Brandenburg, Spanje, en de Duitse keizer. Maar pas in 1678 kon de vrede van Nijmegen worden gesloten.

Willem III koning-stadhouder

In Engeland werd in 1685 de Katholieke Jacobus II koning. Hij was voorstander van tolerantie op godsdienstig gebied. Hij stelde echter steeds meer katholieken aan in staatsfuncties en in het leger. Hij passeerde daarbij het Engelse parlement en ontbond het zelfs. Dit schoot de protestanten in Engeland in het verkeerde keelgat. Willem III werd nu door invloedrijke groepen uit Engeland verzocht met een leger de katholieke koning en zijn aanhangers te verdrijven. (De stadhouder had een Engelse moeder en was getrouwd met een Engelse prinses, de protestantse Maria Stuart II).

Willem III slaagde erin de Republiek te winnen voor een machtsovername in Engeland. Na en invasie in 1688 werd Jacobus II verdreven en aanvaardden Willem en Maria Stuart het Engelse koningschap. De revolutie van 1688 wordt in Engeland gezien als een grote stap op weg naar een constitutionele monarchie. De rechten van de nieuwe koning werden name,ijk beperkt door de Bil of Rights. Vanaf 1688 kreeg het Engelse parlement steeds meer macht.

Wilem III bleef ook stadhouder in de Republiek. Tot zijn dood in 1702 bleef hij daar zijn macht en invloed vergroten en slaagde erin in veel steden prinsgezinden in de vroedschap te benoemen. Die kregen op hun beurt invloed in de Gewestelijke Staten en in de Staten Generaal.

Willem III bleef een vervent tegenstander van Lodewijk XIV. In Frankrijk echter bracht de economische politiek van Colbert niet het gewenste resultaat door:

  • de uittocht van de Hugenoten;
  • de hoge belastingen voor de oorlogen;
  • de bouw van paleizen, Versailles;
  • de geldverslindende hofhouding.

6.3 Kritische geesten

Inleiding

In vergelijking met de buurlanden was het onderwijsniveau in de Republiek hoog. Ongeveer de helft van de mensen kon lezen en schrijven. Sinds 1575 had de Republiek in Leiden een eigen universiteit. En de Republiek beschikte in de zeventiende eeuw over een ongewoon groot aantal kritische geesten, die op vele gebieden actief waren: rechten, theologie en natuurwetenschappen.

Het belang van dit onderwerp

De verdraagzaamheid die in de Republiek heerste, was een gunstige voedingsbodem voor de wetenschap. Geleerden kwamen naar de Republiek omdat ze hier hun ideeën verder konden ontwikkelen. Ook kon men boeken publiceren zonder censuur. Onderwijs en wetenschap zorgen voor kritische geesten en die heeft iedere samenleving nodig. Vrijheid van denken is daarbij een voorwaarde. Waar dat niet kan verstart een maatschappij.

Welke invloed had het vrije klimaat in de republiek op de wetenschap?

De Leidse universiteit

Als dank aan de Leidenaren voor hun verzet tegen de Spanjaarden kreeg de stad in 1575 een universiteit. Door de tolerante sfeer aan de universiteit nicolaas tulpkonden buitenlandse geleerden worden overgehaald hier een professoraat te aanvaarden.. Leiden groeide met ongeveer 500 studenten uit tot de grootste universiteit in protestants Europa. De voertaal was Latijn. De theologische faculteit moest goed predikanten leveren.

Vooral op het terrein van de medische wetenschap had Leiden een grote naam. een beroemde arts professor Tulp (1593-1674), studeerde er medicijnen. In 1636 verscheen zijn receptenboek voor apothekers en vijf jaar later een overzichtswerk waarin hij meer dan tweehonderd ziektebeelden en sterfgevallen beschreef. De schilder Rembrandt schilderde zijn beroemde anatomische les van Professor Tulp.

Natuurwetenschap in praktijk

Simon Stevin (1548-1620), afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, schreef een samenvattend werk over de exacte wetenschappen:

  • Was specialist in toegepaste meetkundige problemen;
  • Groot voorstander van de invoering van het decimale stelsel;
  • Onderzocht de valwet van Archimedes ( 287-212 voor Christus; een zwaar voorwerp valt sneller dan een licht voorwerp). De proeven toonden aan dat Archimedes veronderstellingen onjuist waren;
  • Schreef voor de scheepvaart een boek Havenvinding, waarin zeelui geleerd werd met lengtemeting de plaats op aarde vast te stellen;
  • In dienst van het leger van de Republiek ontwierp hij een systeem van vestingbouw;
  • Hij leerde met behulp van kanalen, sluizen en molens de waterhuishouding beter te beheersen waardoor grachten rond steden en versterkingen beter van water konden worden voorzien;
  • Moerassen in de omgeving van Delft werden op zijn aanwijzingen drooggelegd.

De molenbouwer en waterbouwkundige Jan Adriaanszoon Leeghwater(1575-1650):

  • Droeg bij aan de drooglegging van de Beemster, Heerhugowaard, Purmer, Schermer en Wormer tussen 1612 en 1635;
  • Hierin vonden welgestelden een veilige belegging van de kapitalen die men overzee had verworven;
  • Hielp in dienst van het leger, Frederik Hendrik bij het droogleggen van moerassen bij de belegering van s' Hertogenbosch in 1629.

De wetenschapper Christiaan Huygens (1629-1695):

  • Liet steeds betere instrumenten maken om precieze waarnemingen te doen;
  • Van waargenomen natuurkundige fenomenen stelde hij de wiskundige modellen op;
  • Hij formuleerde de golftheorie van het licht;
  • Ontwikkelde een verbeterde telescoop, maakte duidelijk dat de ring rond Saturnus plat was, en ontdekte de grootste maan Titan rond Saturnus;
  • Hij ontwikkelde het slingeruurwerk.

Antonie van Leeuwenhoek (1632-1723), textielkoopman,

  • Ontwikkelde rond 1670 zijn eerste microscoop;
  • Ontdekte als eerste bacteriën.

De wetenschappers van de zeventiende eeuw ontketenden een wetenschappelijke revolutie: een omwenteling naar het kijken naar de natuur. Zij wilden door middel van waarneming en experiment verschijnselen verklaren.

De Huygens of Contrabarometer:Belangrijkste kenmerk van een contrabarometer is dat deze het stijgen van de luchtdruk niet van beneden naar boven, maar omgekeerd, dus van boven naar beneden aangeeft. Vandaar de benaming contrabarometer. Het is en blijft een typisch Nederlands instrument. In het buitenland zult u deze barometer niet snel aantreffen. Het contrasysteem is namelijk niet geschikt voor gebruik in hooggelegen gebieden. Daar is de lucht immers ijler en de gemiddelde luchtdruk lager. Bij hoogten van meer dan 100 meter boven zeeniveau zal er vroeger of later olie weglopen uit de rechtse buis.

Grote Geesten

hugo de groot

Portret van Hugo Grotius door Michiel Mierevelt (1631). Het schilderij bevindt zich in het Vredespaleis in Den Haag

Een van de beroemdste studenten van de universiteit van Leiden was Hugo de Groot. Hij oefende een enorme invloed uit op het internationaal recht. Niet alleen kwam hij met het idee van vrije, internationale wateren, ook pleitte hij voor een internationale moraal voor staten. Zijn beroemdste boek is 'De Jure Belli ac Pacis'. Dit werk vormde de basis voor het moderne volkenrecht. Boven soevereine staten zou een onafhankelijk belang staan dat zwaarder woog.

Baruch de Spinoza (1632-1677) is een van Nederlands radicale denkers. Hij had een gigantische invloed op alle filosofen na hem, die vrijheid en tolerantie centraal stelden. Toen de joodse godsdienst in Spanje en Portugal verboden werd, vluchtten velen, waaronder de Portugees Baruch de Spinoza naar de Nederlanden. Zijn opvattingen:

  • Hij wenste de totale vrijheid van denken en spreken;
  • Verdraagzaamheid was bij Spinoza totaal, de 'tolereerder' was volkomen gelijk aan de getolereerde;
  • In zijn Tractatis Theologico-Politicus uitte hij diepgaande kritiek op de Bijbel en toonde hij zich een groot voorstander van de democratie;
  • De republikeinse staatsvorm was het beste in staat om de persoonlijke vrijheden te waarborgen;
  • De staat moest geheel in dienst staan van het totale welzijn van de bevolking.
  • Arme mensen diende door de staat verzorgd te worden.
  • Het gepersonaliseerde godsbeeld van de monotheïstische godsdiensten was onjuist.

Internationale wetenschap

In West-Europa ontstond een internationale uitwisseling van kennis en onderzoek. Daar droeg het algemeen gebruik van het Latijn zeer aan bij. In Engeland werd de Royal Society opgericht en in Frankrijk l' Académie des sciences. deze wilden het wetenscahppelijk onderzoek bevorderen en recente inzichten via publicaties verspreiden. Vorsten en universiteiten nodigden geleerden uit om bij hen te komen werken en ontleenden daar weer status aan.

Zo werd Simon Stevin advies gevraagd bij het uitdiepen van de haven van Dantzig en Calais bij de bouw van vestingwerken. Leeghwater gaf advies bij het droogleggen van moerassen bij Bordeaux en Metz. In 1633 werkte hij aan inpolderingen in de Duitse staat Sleeswijk-Holstein.

De Russische tsaar Peter de Grote ( 1672-1725) gebruikte zijn in Nederland opgedane kennis en de in Nederland aanwezige kennis bij de aanleg van de nieuwe hoofdstad van Rusland, Sint-Petersburg. waarbij moerassen werden drooggelegd.

6.4 Een land apart

Inleiding

Veel Hollandse kooplieden lieten huizen inrichten volgens de stijl van het Hollands classicisme. Veel van die huizen zijn in Amsterdam bewaard gebleven. Zo ook de Hollandse koopman Jan Hartman. Hij liet op zolder een Rooms Katholieke kerk inrichten: 'Onze Lieve Heer op solder'.

Het belang van dit onderwerp

De Republiek stond in Europa bekend als tolerant. Economische vluchtelingen trokken naar de Republiek. Ook mensen die vluchtten vanwege hun geloof, zoals protestanten uit de zuidelijke Nederlanden en de Franse Hugenoten.

Katholieken en Joden werden in de Republiek geduld, maar hoe vrij waren ze in werkelijkheid? Hoe groot was de tolerantie? Terugkijkend lijkt de Gouden eeuw soms verdacht veel op nu.

In welke opzichten en in hoeverre nam de Republiek in Europa een aparte plaats in?

Economisch

De Gouden eeuw, de zeventiende eeuw was een periode van grote welvaart. In de Republiek heerste een enorme economische bedrijvigheid. Visserij, scheepvaart, handel en nijverheid verschaften aan duizenden mensen werk en een goed inkomen. Nieuwkomers hadden het toch niet makkelijk. En er waren ook veel armen die van de 'bedeling', aalmoezen, moesten leven. Voor hen waren er alleen maar de mindere baantjes.

Gereformeerden en katholieken

De Nederlandse Opstand was onder meer een strijd van protestantse opstandelingen tegen een katholieke overheerser. In de Republiek was de gereformeerde kerk bevoorrecht, maar het was geen staatskerk. Katholieken mochten tegen betaling godsdienstige bijeenkomsten houden, als het maar onopvallend was.

De overwegend katholieke gebieden (de Generaliteitslanden Noord-Brabant, Zeeuws Vlaanderen en Limburg) waren pas laat bij de Republiek gekomen en werden rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal. Wel werden katholieke kerken omgebouwd tot protestantse kerken.

Er zijn verschillende oorzaken voor de betrekkelijke tolerantie:

  • De Opstand was ooit begonnen, omdat Filips II de protestanten wreed vervolgde. Nu hetzelfde beleid voeren ten opzichte van de katholieken, zou de geest van de Opstand bezoedelen.
  • Veertig procent van de bevolking was katholiek; vervolging zou tot een burgeroorlog hebben geleid.
  • De gewesten hadden gewestelijke vrijheden. Iedere stad en gewest kende eigen rechtsregels.
  • De machtige kooplieden voelden er niets voor andersdenkenden te vervolgen.

Andersgelovigen werden in de republiek toegelaten en getolereerd voor zover zij geen direct gevaar betekenden voor de gereformeerden. De tolerantie, zoals die Spinoza verwoorde, daar was echter geen sprake van.

Geloof en politiek

Tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) raakte kwesties van geloof en politiek toch ernstig met elkaar verweven, dat partijen dachten dat alleen inperking van de vrijheden van de ander de Republiek zou redden. Veel Gereformeerden uit het zuiden waren streng in het geloof, terwijl in Holland en Zeeland de gematigdheid de boventoon voerde. Er ontstonden felle theologische discussies tussen de strenge Franciscus Gomarus, die vast hield aan de predestinatieleer: de opvatting dat God alles voorbestemd had en dat er uitverkoren waren om het rijk Gods te betreden. Arminus twijfelde over die predestinatie en betrachtte grote tolerantie ten aanzien van de vele verschillende geloofsopvattingen in de Republiek. Hij werd gesteund door de meeste regenten, raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619) en veel geleerden waaronder Hugo de Groot.

Bij de Staten van Holland dienden zij een Remonstrantie in: een betoog om hun opvattingen uiteen te zetten en steun van de overheid te vragen. Met hetzelfde doel schreven de Gomaristen een tegenbetoog, de Contraremonstrantie.

Tot 1616 hadden de Remonstranten in de meeste stadsbesturen de meerderheid. De contraremonstranten werden tegengewerkt en voelden zich achtergesteld. Minder bedrijvigheid en toenemende werkloosheid brachten in 1616 onrust onder het gewone volk in de steden; onrust die zich tegen de regenten keerden.

Oldenbarnevelt liet de Scherpe Resolutie aannemen, zodat de stadsbesturen huursoldaten in dienst konden nemen, buiten de Staten-Generaal en de stadhouder om. Stadhouder Maurits voelde zich gepasseerd en in zijn macht aangetast. Zijn sympathie voor de Contraremonstranten nam sterk toe. Hij ging over tot het benoemen van Contraremonstranten, onder dwang, in de vroedschappen en liet Hugo de Groot en Johan van Oldenbarnevelt arresteren. Ze werden schuldig bevonden aan hoogverraad.

Oldenbarnevelt werd in 1619 onthoofd. Hugo de Groot kreeg levenslang en werd opgesloten in Loevestein waaruit hij spectaculair, in een boekenkist ontsnapte, om daarna in Parijs te gaan wonen. De Remonstranten die in hun leer bleven volharden werden als ketters uit de kerk gezet.

Zie voor hoofdstuk 7 Samenvatting VWO Feniks Hfst 7 Overzicht van de geschiedenis