We hebben 382 gasten online

Samenvatting Havo Feniks Hfst 4 Overzicht van de Geschiedenis

Gepost in Tweede Fase 1e druk Overzicht gs

Tijd van Steden en Staten

tijdvak 4

Hoge en Late Middeleeuwen1000 - 1500

Oriëntatie

Hoofdstuk 4: Keizers, pausen en burgers

Oriëntatie

De tweede helft van de Middeleeuwen (1000-1500) wordt ook wel onderverdeeld in de Hoge Middeleeuwen (1000-1300) en Late Middeleeuwen (1300-1500).

In de tweede helft van de ME groeiden de bestaande steden in West-Europa en werden er veel nieuwe steden gesticht.

De door de vorsten verleende stadsrechten maakte dat men stadsmuren mocht bouwen, een markt houden en tol mocht heffen. Ze mochten ook zelf hun stad besturen en recht spreken. De belastinginkomsten voor de vorsten stegen daardoor.

De koningen probeerden door verovering van nieuwe gebieden een aaneengesloten land te krijgen. (b.v. de Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk 1337- 1453).

Zo'n aaneengesloten land had de volgende kenmerken:

  • een ambtenarenapparaat om te helpen bij het bestuur;
  • men probeerde het land centraal te besturen;
  • men inde belasting om de ambtenaren en het huurleger van te betalen;

Met die kenmerken probeerde de koning het bestuur in hun staat te verstevigen. Dat wilden de stadbestuurders echter niet.

Omdat het ontstaan van steden en staten een belangrijke ontwikkeling is in de Late Middeleeuwen, spreken we ook wel van de tijd van Steden en Staten.

De kenmerken

De middeleeuwse mens in Europa was er van overtuigd dat alle macht van God kwam. De paus en de keizer waren door God als plaatsvervangers aangesteld om macht uit te oefenen.

Geen wonder dat er tussen de paus en de keizer problemen ontstonden over de vraag wie de bisschoppen mocht benoemen.

Dat de paus veel macht had bleek ook wel toen hij opriep tot de kruistochten om Palestina van de moslims te bevrijden. In 1099 veroverden de kruisridders Jeruzalem.

In de Late Middeleeuwen zijn er de volgende economische veranderingen:

  • door ontginningen en betere landbouwmethodes ontstond e reen grote voedselproductie;
  • de bevolking nam sterk toe;
  • de steden groeiden;
  • in 1347 trof een pestepidemie Europa waardoor de bevolking sterk daalde;
  • de overgebleven mensen waren echter veel rijker en dat bevorderde de zucht naar luxe.

De Late Middeleeuwen bleef echter een standenmaatschappij in volgorde:

  • de Koning
  • eerste stand de geestelijkheid;
  • tweede stand de adel;
  • derde stand de burgerij.

Door de groei van de steden nam de burgerij die de kost verdiende met handel en ambacht toe. De handelaren en ambachtslieden organiseerden zich in gilden.

Steden groeiden in aantal, omvang en rijkdom. De burgers streden voor belastingvermindering en meer zelfbestuur. Daar waren de vorsten het natuurlijk niet mee eens.

De vijf kenmerken van het tijdvak:

  • Strijd tussen de geestelijke en wereldlijke machthebbers;
  • Kruistochten als expansie van de christelijke wereld;
  • Opkomst van handel en ambacht;
  • Opkomst van de stedelijke burgerij;
  • Het begin van staatsvorming en centralisatie.
Kernbegrippen  
Ambacht Beroep waarbij een handwerker met gereedschap eindproducten maakt. Tevens een ander woord voor gilde, een vereniging van mensen met eenzelfde beroep.
Centralisatie Het streven van vorsten om hun grondgebied vanuit een hoofdstad centraal te regeren.
Expansie van het christendom Uitbereiding van het christelijk geloof door missionering of verovering van gebieden.
Geestelijk (geestelijke macht) De macht van de geestelijkheid.
Handel Het ruilen van producten voor andere producten of voor geld.
Kruistochten Vanuit katholieke gebieden in (West)- Europa vonden van de elfde tot de dertiende eeuw tochten plaats om de Heilige Plaatsen in Palestina te heroveren op de moslims.
Staatsvorming Het streven van vorsten naar een aaneengesloten grondgebied met een stevige bestuursstructuur.
Wereldlijk (wereldlijke macht) De macht van de keizer, koningen en edelen over het gewone volk. Deze macht betreft bestuur en rechtspraak.

4.1 De Investituurstrijd

Inleiding

In de middeleeuwse christelijke denkwereld was God soeverein over geheel de schepping. Hij had de hoogste macht en van hem kwam alle macht.

In de dagelijkse praktijk was er een strijd tussen de Paus en de vorsten over de vraag wie nu het hoogste gezag op aarde toekwam. Ze waren door God aangesteld om op aarde zijn macht uit te oefenen. Dit noemen we de investituurstrijd.

Het belang van dit onderwerp

Tegenwoordig zijn in de meeste westerse landen kerk en staat gescheiden, in tegenstelling tot het verleden. Toch beïnvloeden godsdienstige overtuigingen nog vaak het politieke denken en handelen. Andersom heeft de politiek ook invloed op religie.

Met behulp van de investituurstrijd kun je vergelijkingen maken tussen vroeger en nu als het gaat om kwesties van macht (ofwel soevereiniteit).

Wie was bij de Investituurstrijd overwinnaar: de keizer of de paus?

Nadelen van het feodale stelsel

Karel de Grote gaf aan hertogen en graven die hem trouw waren gebieden in leen. Zij bestuurden deze gebieden voor hem. Ook dienden zij in zijn leger.

Het leenstelsel - ook wel feodale stelsel genoemd – had echter ook nadelen.

  • Men ging de lenen als eigendom beschouwen;
  • Het erfrecht bepaalde dat alle zonen van een leenman een deel van de bezittingen van hun vader erfden.

De bezittingen raakten zo zeer versnipperd en het rijk van Karel de Grote raakte in verval. In het Duitse rijk (oostelijk deel oude Frankische rijk) werd bepaald dat alleen de oudste zoon bezittingen kon erven, waardoor versnippering werd voorkomen. Lenen die aan bisschoppen werden gegeven kwamen na hun dood weer terug naar de keizer. Bisschoppen mochten namelijk niet trouwen.

De Investituur

Volgens kerkelijk recht mochten de Duitse keizers geen bisschoppen benoemen maar ze deden het wel. De plechtigheid waarmee de bisschop door de paus als bisschop werd aangesteld wordt investituur genoemd.

De paus was van mening dat de keizer te weinig oog had voor de geestelijke belangen van de kerk. De keizer liet zich te veel leiden door bestuurlijke machtsverhoudingen.

De gang naar Canossa

Binnen de kerk ontstond een beweging die zich verzette tegen de grote invloed van de keizer op bisschopsbenoemingen. Deze hervormingsbeweging vanuit de abdij van Cluny in Frankrijk , sprak ook schande over de zucht naar rijkdom, genot en macht van priesters, bisschoppen en pausen. Veel priesters hielden zich niet aan het celibaat (belofte om niet te trouwen).

Keizer Hendrik de III (1039-1056) steunde de hervormingsbeweging en zette onwaardige pausen af en oefende op benoemingen van pausen en bisschoppen grote invloed uit.

De strijd tussen paus en keizer werd steeds grimmiger. Tijdens het pausschap van Gregorius VII (1073-1085) kwam de Investituurstrijd tot een hoogtepunt.

Toen de Duitse keizer zich niet hield aan de regels van Gregorius deed deze keizer Hendrik IV in de kerkelijke ban. Daardoor werd zijn door God gegeven machtsuitoefening in gevaar en zou hij niet meer in de hemel kunnen komen. Hendrik IV restte niets anders dan de paus om vergiffenis te vragen in Canossa. Gregorius VII accepteerde de boetedoening en hief de kerkelijke ban op.

Het concordaat van Worms

Hendrik IV bleek het oppergezag van de paus in de praktijk toch niet te steunen en benoemde in 1084 een eigen paus Clemens III. Door deze paus werd Hendrik IV tot keizer gekroond.

Pas in 1122 kwam er een einde aan de strijd tussen de paus en de keizer door het Concordaat van Worms. In dit verdrag tussen kerk en staat werd vastgelegd dat een bisschop zowel een geestelijke als een wereldlijke taak had. Met het concordaat was de Investituurstrijd beëindigd. De kerk had zich ontworsteld aan de greep van de staat. Macht en aanzien van de paus waren duidelijk toegenomen.

4.2 Motieven om op kruistocht te gaan

Inleiding

Waarom verlieten vorsten, edelen, boeren en zelfs kinderen hun kastelen, rijkdommen, grond en ouders om te gaan vechten in een verland? Welke motieven brachten al die duizenden in beweging?

Het belang van dit onderwerp

Mensen roepen niet zo maar een revolutie of oorlog uit. Aan dit soort handelingen liggen sterke persoonlijke drijfveren ten grondslag. Het geloof of een politieke overtuiging kan zo’n sterk motief zijn.

Welke motieven hadden de kruisridders?

Oorzaken van de kruistochten

Omstreeks 1050 veroverden islamitische Seldsjoeken, een groot deel van de Arabische gebieden. Ze traden fanatieker op tegen joden en christenen dan de Arabieren. Omstreeks 1080 hadden de Seldjoeken grote delen van Klein-Azië veroverd en bereikten ze de Bosporus. Het christelijke Byzantijnse Rijk dreigde het slachtoffer te worden van hun veroveringsdrang. De Byzantijnse keizer vroeg daarom de paus of hij ridders wilde sturen om de christenen in het oosten te redden

De paus

De oproep van de Byzantijnse keizer kwam paus Urbanus II goed uit om de volgende redenen:

  • De ridders waren toch maar vaak onderling aan het vechten en een gezamenlijke vijand kon daaraan een eind maken;
  • Als de ridders erin zouden slagen om de heilige plaatsen in Palestina te bevrijden, was bovendien expansie van het christendom mogelijk.
  • De macht en aanzien van de paus zou groeien.
  • De paus hoopte dat de Byzantijnse kerk, die zich in 1054 had losgemaakt van Rome en de paus niet meer erkende, hem wellicht dan weer als Gods plaatsvervanger op aarde wilde zien. Zo zou er een einde komen aan het Oosterse schisma.

Paus Urbanus II riep de kruisvaarders op tot een kruistocht. Hij en zijn opvolgers beloofden de kruisridders dat al hun zonden zouden worden vergeven waardoor men de hemel kon verdienen.

de kruistochten

De kruisvaardersstaten

In 1099 slaagden de kruisridders erin Jeruzalem te veroveren. Om de veroveringen te behouden, stichtten de kruisridders enkele staten. De belangrijkste kruisvaarderstaat was het koninkrijk Jeruzalem onder leiding van Godfried van Bouillion. In de twaalfde en dertiende eeuw waren nog enkele kruistochten nodig om de grenzen van het Heilige Land veilig te stellen. Toch slaagden de islamieten er in om de christelijke staatjes weer te veroveren. Jeruzalem viel in 1187, het vorstendom Antiochië en het graafschap Tripoli in 1829.

Vorsten en ridders

Kruistochten werden in de loop van de tijd een traditie. Het kruistochtideaal werd van vader op zoon werd doorgegeven. Die riddergeslachten wilden overigens niet alleen Jeruzalem bevrijden,; ze wilden er ook relikwieën kopen. Zo ontstond er een levendige handel in relikwieën.

Geld en macht

De kruistochten boden handelaren de kans om veel geld te verdienen. Vooral de kooplieden uit de Italiaanse stadstaten Venetië, Genua en Pisa kregen van de Byzantijnse keizer handelsprivileges. Zij hoefden namelijk geen belasting te betalen voor hun handel in het gehele Byzantijnse Rijk. Venetië versterkte zijn handelspositie enorm in een tijd dat de Europeanen oog kregen voor de luxeproducten die ze door de kruistochten hadden leren kennen.

Ook de kruisridders werden rijk. Zonen uit adellijke families die in Europa weinig kans hadden op leengoederen kregen in het oosten wel lenen. Ook bekleedden zij hoge bestuurlijke functies in de kruisvaarderstaten en in delen van het Byzantijnse Rijk.

4.3 Brugge: stad van handel en nijverheid

Inleiding

In Brugge worden aangevoerde grondstoffen verwerkt en daarna verhandeld. ook eindproducten worden af- en aangevoerd.

Bij het ontstaan en de bloei van steden spelen vaak natuurlijke omstandigheden een rol, maar ook menselijk ingrijpen kan een beslissende factor zijn.

Het belang van dit onderwerp

Bijna de helft van de wereldbevolking woont in steden en dat aandeel blijft groeien. Steden waren er al in het oude Egypte en in het Romeinse Rijk. Toch dateren de meeste steden uit een latere periode: de Tijd van Steden en Staten. Bestaande steden maakten in de Hoge Middeleeuwen een groeifase door. Bijvoorbeeld het Vlaamse Brugge, in de veertiende eeuw de belangrijkste stad in Noordwest-Europa.

Hoe kon Brugge uitgroeien tot een Europees handelscentrum?

Voedselproductie in Vlaanderen

Voorwaarde voor de ontwikkeling van een stad is de aanwezigheid van voldoende voedsel en mensen.

Vanaf de zevende eeuw nam de productie van de landbouw toe door:

  • het gebruik van andere trekdieren: paarden in plaats van ossen;
  • het gebruik van andere gereedschappen: door een andere ploeg te gebruiken die het land echt keerde;
  • het gebruik van andere landbouwmethoden: de invoering van het drieslagstelsel waarbij de grond eens in de drie jaar werd braak gelegd om de vruchtbaarheid te bevorderen. Doordat nu niet de helft maar tweederde van de akkers werd ingezaaid, kon meer graan worden geoogst.

In de elfde en twaalfde eeuw kwamen er ook nieuwe landbouwgronden bij door het droogleggen van moerassen en indijken van stukken land aan zee. Landinwaarts rooide men bossen.

Omdat er meer te eten was groeide de bevolking. Steden namen in aantal en omvang toe en de samenleving kreeg weer een agrarisch - urbaan (stedelijk) karakter zoals in de Romeinse tijd.

Wonen bij abdij en burcht

In de eerste fase van de ontwikkeling van Brugge was er sprake van een spontane groei. Mensen die op het platteland niet meer nodig waren gingen producten verhandelen of ze specialiseerden zich in een handwerk, een ambacht. Men woonde vooral rond abdijen en burchten.

Handelaren in wol en laken

In de twaalfde eeuw gingen de handelaren zich nadrukkelijk met het stichten van steden bezighouden.

  • Ten eerste vanuit politiek-militaire redenen;
  • Ten tweede omdat Brugge in economisch opzicht belangrijker werd voor Vlaanderen.

In het Vlaamse achterland produceerden de steden wollen lakens van zeer hoge kwaliteit. In de elfde eeuw kwam de wol uit het Vlaamse land. In de twaalfde eeuw gingen patriciërs, rijke grondbezittende burgers uit de steden, zich doelbewust met droogleggingen en ontginningen bezighouden om ook schapen te kunnen houden.

De lakenproductie nam zo'n vlucht dat ook wol uit Engeland moest worden ingevoerd. Door de vloedgolf van 1134 werd er een bres geslagen in het moerassige land:het Zwin, waardoor de zeeschepen veel verder landinwaarts konden komen. Zo werd Brugge voor Vlaanderen de belangrijkste havenstad.

Jaarmarkten en Hanze

In de derde fase van de stedelijke ontwikkeling werd de handel over grote afstand steeds belangrijker. De luxe Vlaamse lakens en kledingstukken vonden in geheel Europa afzet.

De handelaren uit Frankrijk, Italië en Spanje ontmoetten elkaar in de twaalfde en dertiende eeuw op de jaarmarkten in de Champagnestreek. de jaarmarkten vormden in de dertiende eeuw het hoogtepunt van de handel tussen landen en continenten. In de veertiende eeuw namen ze in betekenis af, doordat de Italiaanse handelaren uit Venetië en Genua nu ook per schip Brugge aandeden. De overzeese handel op de Oostzee groeide eveneens snel. Het Vlaamse en Hollandse platteland bleek niet meer in staat om de steden van voedsel te voorzien. Daardoor moest men van elders graan aanvoeren. Zo werd het Oostzeegebied een belangrijke voedselleverancier voor deze steden.

De handelaren van de belangrijke handelssteden aan de Noordzee en Oostzee verenigden zich in de Hanze. Oorspronkelijk was de Hanze vooral een machtige stedenbond van Duitse en Balitische handelssteden. Vanaf de dertiende eeuw echter kreeg de Hanze ook meer invloed in de Lage Landen en Engeland. De Hanze wist grote handelsprivileges te krijgen in Brugge en stichtte daar zelfs een eigen kantoor. Zo groeide Brugge in de veertiende en vijftiende eeuw uit tot het belangrijkste trefpunt van internationale handelaren.

4.4 Steden vechten voor meer vrijheid

De magistraat ( het stadsbestuur) maakt zelf de regels om het dagelijks leven van de burgers in goede banen te leiden. De landsheer kan niets anders dan er mee in te stemmen. Hij heeft immers belang bij een goede belastingopbrengst en goede leensommen. In deze paragraaf dienen de Vlaamse steden om de toename van de burgerlijke vrijheid te illustreren.

Het belang van dit onderwerp

Mensen proberen hun bestaan zoveel mogelijk naar eigen inzicht in te richten. Eeuwenlang hebben ze gestreden voor mee rechten en vrijheden. Ook in het tijdperk van Steden en Staten wilden de mensen het liefst zichzelf besturen. Soms ondervinden ze daarbij enorm veel weerstand van de keizer of koning die voor zichzelf ook de hoogste bestuursmacht opeiste.

Hoe veroverden de Vlaamse steden steeds meer vrijheden en bestuursmacht?

Stadslucht maakt vrij

De boren op het platteland waren veelal lijfeigenen en horigen. Mensen die in de steden woonden, waren vrijer. de steden maakten tijdens conflicten en oorlogen gebruik van hun grote inwonertal en economische macht en slaagden erin de horigheid af te werpen.

In het begin van de twaalfde eeuw vochten in Vlaanderen verschillende adellijke families om de macht. In 1128 werd dit beslecht in het voordeel van graaf Diederik van de Elzas, die de steun kreeg van de Vlaamse steden. De steden wilden wel iets terug voor die steun:

  • Meer veiligheid voor een betere rechtspraak;
  • Kanalen graven om te handel te bevorderen;
  • De steden kregen meer vrijheden, die werden vastgelegd in stadsrechten.

Een eigen bestuur

Op het platteland was de bestuurlijke en rechtelijke macht in handen van de graaf of zijn directe vertegenwoordiger. In de steden was het de graaf die patriciërs moest kiezen als schepenen om de stedelingen te berechten en te besturen. Een schepen bleef tot zijn dood in functie. Het stadsbestuur kwam steeds meer in handen van een kleine, rijke kliek die de macht misbruikte. Armere burgers kregen in naar verhouding hogere belastingen opgelegd en werden zwaarder bestraft.

Herhaaldelijk kwam in Vlaanderen het gemeen, de stedelingen die niet tot het patriciaat hoorden, in opstand tegen dit onrecht. Rijke handelaren, die geen grond bezaten, hadden geen kans om tot schepen te worden gekozen. Uiteindelijk werd de macht van het patriciaat in 1241 enigszins ingeperkt. Ook werd bepaald dat de handwerksgilden een stadsraad kregen, gekozen uit de leden van de handwerkslieden. Die stadsraad moest de schepenen controleren

De Guldensporenslag

guldensporenslag

Graaf Gwijde koos steeds meer patij voor 'het gemeen' in de Vlaamse steden, omdat hij steun zocht in zijn machtsstrijd met de Franse koning Filips de Schone. De rijke burgers steunden de Franse koning in zijn ambities. In 1302 kwam het tot felle strijd tussen de Leliaarts (genoemd naar de lelie in het Franse wapenschild) en de Klauwaarts (genoemd naar de klauwende leeuw op het wapenschild van de Vlaamse graaf). Op 17 mei bezetten Franse ridders en soldaten Brugge, maar al de volgende morgen werden ze door de Klauwaarts, Filips de Schone wilde de moordpartij wreken en stuurde een ridderleger van meer dan tweeduizend geharnaste ridders en vierduizend voetknechten naar Vlaanderen. Tegen alle verwachtingen in, verloren de Leliaarts de strijd. De overwinnaars verzamelden vijfhonderd buitgemaakte gulden sporen en hingen die als dank in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk.

Door de overwinning van de Klauwaarts nam de bestuurlijke invloed van de patriciërs af. De ambachtslieden, georganiseerd in gewone gilden, kregen juist meer macht. De zege van de Klauwaarts geldt als een van de grote momenten in de Vlaamse geschiedenis, omdat het gewone volk de strijd toen won van de elitaire Franse ridders.

4.5 Bourgondië: aanzet tot een nieuwe staat

Inleiding de Bourgondische hertogen sloten strategische huwelijken omdat ze gebiedsuitbreidingen wilden. Uiteindelijk streefden de Bourgondiërs naar een nieuwe staat, gelegen tussen Frankrijk en Duitsland.

Het belang van het onderwerp

Europese staten als Engeland, Frankrijk en Spanje kregen vastere vorm in de Tijd van de Steden en Staten. Om de krachten te begrijpen die toen leidden tot staatsvorming, is het nuttig te bezien hoe gebieden bij elkaar werden gevoegd en hoe het staatsbestuur werd georganiseerd. Kamen de staten toen ook met geweld tot stand?

Hoe verliepen de staatsvorming en de centralisatie van de macht in het hertogdom Bourgondië?

De Bourgondische landen

In de veertiende en vijftiende eeuw ontstond tussen Frankrijk en het Duitse Rijk een samenklontering va verschillende graafschappen en lorrainehertogdommen. Oorspronkelijk bestond Bourgondië uit twee delen: het hertogdom, waarvan de Franse koning de hoogste leenheer was, en Franche-Comté, het graafschap dat onder het Duitse Rijk viel. Later werden de delen verenigd onder de hertog van Bourgondië door:

  • Bewuste huwelijkspolitiek;
  • Door toevalligheden;
  • Aankoop van gebieden en veroveringen.

In 1369 huwde Filips de Stoute (1342-1404), zoon van de vroegere Franse koning Jan II en broer van de regerende koning Karel V, hertog van Bourgondië, met Margareta, enige dochter en troonopvolgster van de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male. Paste doelbewust in het Franse streven grip te krijgen op het rijke Vlaanderen.

De Bourgondische hertogen gingen steeds meer een zelfstandige koers varen. Toen Maria van Bourgondië echter huwde met Maximiliaan, aartshertog van oostenrijk, kwam er een einde aan de droom van een zelfstandige staat. Het grootste deel van Bourgondië kwam in 'vreemde handen'.

Het Bourgondische hof

Het Bourgondische hof werd het culturele centrum van de Lage Landen. De schilderkunst stond er op een hoog peil. De schilders, de zogenaamde Vlaamse primitieven, verenigden elementen van de Gotiek en de Renaissance in hun werk. Ook de miniatuurkunst, waarmee kostbare boeken werden versierd, was van hoog niveau.

Centralisatie

unificationSteeds minder edelen wilden echter hun leven in de waagschaal stellen voor de Bourgondische hertogen. Die moesten toen uitzien naar huursoldaten waardoor er extra geld nodig was. Oorspronkelijk kreeg men geld door de verpachting van hertogelijk grondbezit en de opbrengsten van tollen en soms beden(een soort belasting). Die inkomsten waren ontoereikend geworden waardoor de hertogen de steden onder druk zetten om leningen te verschaffen. Tevens wilde men door centralisatie alle belastingen overal hetzelfde laten zijn. Daar had men ambtenaren voor nodig.

Men besloot universitair geschoolde juristen aan te stellen als rechters waardoor de adel bestuurlijke en rechterlijke functies verloor. Dit kwam echter wel de kwaliteit van het bestuur ten goede.

De hertog besloot niet meer de Gewestelijke Staten ( vergadering van de standen per gewest) bijeen te roepen, maar hij stelde een Staten-Generaal in, een centrale standenvergadering voor alle Bourgondische gewesten samen, bestaande uit vertegenwoordigers van de verschillende Gewestelijke Staten. De Staten-Generaal zou voortaan, in overleg met de hertog, beslissen over nieuwe belastingen.

Stedelijke vrijheid

Veel Vlaamse steden kwamen in verzet tegen de nieuwe hoge belastingen. ze moesten ineens meer betalen, terwijl er geen nieuwe privileges tegenover stonden. En er werd geen rekening gehouden met de oude stedelijke voorrechten.

Toen Karel de Stoute een extra oorlogsbelasting dreigde op te leggen protesteerden de Staten van Vlaanderen. De gewesten waren tegen de strenge aanpak van Karel de Stoute. Toen hij sneuvelde bij de belegering van Nancy, grepen zij hun kans. Zij wilden Karels dochter Maria pas als machthebber accepteren, als zij zou instemmen met het Groot Privilege. Zo beperkten de steden d e centralisatiedwang van de Bourgondiërs.     

 

 

 

 

 

Zie verder hoofdstuk 5 Samenvatting Havo feniks Hfst 5 Overzicht van de geschiedenis