We hebben 221 gasten online

Feniks 2e fase Havo Hoofdstuk 6 2e dr Overzicht gs

Gepost in Tweede Fase 2e druk Overzicht gs

Hoofdstuk 6 Tijd van regenten en vorsten

1600-1700 (zeventiende eeuw)

tijdvak 6

Moord in Den Haag

In 1672 verklaarden Frankrijk, Engeland en de Duits bisdommen Münster en Keulen de oorlog aan de Republiek der Nederlanden. Raadspensionaris de Wit, al op 27 jarige leeftijd in 1653 al tot Raadspensionaris van Holland benoemd, kreeg de schuld, maar hij probeerde het ontevreden volk na de oorlogsverklaringen te kalmeren. Hij stemde er mee in Willem III, prins van Oranje, tot stadhouder te benoemen, en diende zijn ontslag in. Maar het Haagse gepeupel wilde bloed zien. Terwijl hij zijn broer, die gevangen zat in de Haagse Gevangenispoort bezocht, sleurde een razende menigte de gebroeders met geweld naar het schavot op het groene Zoodje, de executieplaats van Den Haag. Daar aangekomen werden de broers al door de menigte gedood en ondersteboven aan de galg opgehangen. Beide lijken werden daarna ook nog gruwelijk verminkt.

Oriëntatie op het tijdvak

De Republiek was in deTijd van regenten en vorsten een grote uitzondering in Europa en niet alleen op het gebied van verdraagzaamheid. 

* De Republiek was het enige land zonder een koning die naar absolute heerschappij streefde.

* De stadhouders hadden wel die ambitie, maar slaagden niet in hun opzet.

* De regenten hadden in de Republiek meestal de touwtjes stevig in handen.

* Economisch groeide de Repubiek uit tot een van de rijkste landen ter wereld, door de gunstige ligging van het land aan de Noordzee, ontwikkelden handelsnetwerken, Amsterdam werd een stapelmarkt en praktsich alle goederen werden in Amsterdam op de Koopmansbeurs verhandeld.

Een en ander was een groot verschil met Frankrijk. 

* De politiek van centralisatie was daar wel succesvol

* Lodewijk XIV lukte het om als absolute vorst over Frankrijk te regeren

* Lodewijk XIV regeerde uit naam van God die hem had aangesteld.

Na de ontdekking van de zeeroute naar Indië probeerden alle Europese landen een handelsimperium op te bouwen. In de Republiek werd in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht aan wie door de Staten-Generaal een handelsmonopolie werd verleend. Eigenlijk de eerste multinational. Daarnaast kwam in de Republiek een bloeidende cultuur tot ontwikkelling. Kunstenaars en wetenschappers behoorden in de zeventiende eeuw tot de top van de wereld.

6.1 Rijk door handel overzee

Kenmerkende aspecten

- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme, en het begin van een wereldeconomie.

- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

De kern

De economische ontwikkeling door de ontdekkingsreizen zette zich voort. In de kust gewesten waren de boeren overgegaan van akkerbouw naar veeteelt. Door het tekort aan graan dat ontstond. moest er steeds meer graan uit het Oostzeegebied worden gehaald. Tegelijkertijd ontwikkelde zich op de heenreis een uitgebreid handelsnetwerk met allerlei producten. Vanaf 1600 gingen naast Spaanse en Portugese nu ook handelaren uit de Republiek en Engeland. Daardoor nam de wereldhandel toe maar ook de onderlinge concurrentie. In de Republiek was men voorstander van vrijhandel, terwijl de regeringen van Engeland en Frankrijk juist de vrije economie wilden inperken.

Het belang van het onderwerp

Voor het eerst was er sprake van de ontwikkeling van een wereldeconomie en leidde tot de wereldeconomie van onze tijd. De Republiek speelde daar een belangrijke rol in. Vandaar de benaming Gouden Eeuw.

Onderzoeksvraag

Waardoor namen in de zeventiende eeuw de wereldwijde contacten toe en waarom speelde de Republiek hierin een hoofdrol?

 Gespecialiseerde boeren

Boeren in West-Nederland waren door natuurlijke omstandigheden gedwongen zich te specialiseren in veeteelt. Grote delen van het land waren onder zeespiegelniveau en daardoor te drassig om er graan op te verbouwen. Het aantal boeren verminderde maar boeren gingen zich ook verder specialiseren. In de minder natte gebieden specialiseerden de boeren zich in handelsgewassen, vaak verschillende per regio. Zoals bijvoorbeeld de teelt van tabak.

De overgang naar veeteelt was mogelijk, omdat Hollandse schippers graan invoerden uit gebieden rond de Oostzee. De graanhandel liep vooral via Amsterdam. In 1460 voerden Hollandse schippers 3.000 last (één last is ongeveer 2000 kg.) graan aan. Rond 1500 werd jaarlijks 10.000 last graan aangevoerd en een eeuw later ruim 50.000. 

 De Stapelmarkt

Rond 1600 had Amsterdam de rol van Antwerpen (in 1585 uitgeschakeld door blokkade van de Schelde) als stapelmarkt overgenomen. De Hollandse kooplieden zagen hun winst verdubbelen, vooral als de graanoogst in de zuidelijke landen mislukte, kon men door de schaarste een hogere prijs bedingen. Ze werkten volgens het principe van het kapitalisme: het behalen van een zo hoog mogelijke winst na een investering. De graanhandel werd zo de belangrijkste handel voor de Republiek en werd moedernegotie genoemd.

* De gunstige ligging van de zeegewesten speelde daarbij ook een grote rol en er ontstond de mogelijkheid van een driehoekstocht. In een vaarseizoen kon men vanuit Holland naar de golf van Biskaje varen, om er zout en wijn in te slaan. Vandaar naar de Oostzee. Volgeladen met graan en hout keerde het schip terug.

* Het fluitschip speelde ook een belangrijke rol waardoor vracht sneller en voordeliger vervoerd kon worden.

* Schippers beschikten in tegenstelling tot de buitenlandse kooplieden, over de meest actuele informatie over voorraden en prijzen aan het andere einde van de route.

* Amsterdam was stapelmarkt. De stapelmarkt was erg belangrijk, omdat de aanvoer van producten door stormen, misoogsten en oorlogen onregelmatig en onzeker kon zijn.

* Men dreef zelfs handel op grote schaal met vijanden van de Republiek.

Van concurrentie naar compagnie

Aan het einde van de 16e eeuw ging de Republiek een steeds grotere rol spelen in de opkomende wereldeconomie. In de Republiek ontstond het handelskapitalisme: het investeren van een grote hoeveelheid geld om zoveel mogelijk handelswinst te behalen. Hollandse kooplieden lieten hun oog vallen op de winstgevende handel van Spanje en Portugal met Azië en besloten een compagnie op te richten in 1594. Cornelis de Houtman vertrok met een vloot van vier schepen en uiteindelijk zou de reis een verlies opleveren van 80.000 gulden, maar de opdrachtgevers waren tevreden omdat nu bewezen was dat men handel kon drijven met Indië. 

Er ontwikkelde zich een wildgroei van compagniën en de concurrentie was groot waardoor de inkoopsprijzen stegen en de verkoopprijzen daalden. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt wist na moeizame onderhandelingen in 1602 een samenwerkingsverband te organiseren: De Verenigde Oost-indische Compagnie, kortweg VOC.  De VOC gaf aandelen uit die iedereen kon kopen. Elk jaar werd de balans opgemaakt en werd de winst aan de aandeelhouders uitgekeerd.

oprichtingsactie voc

De officiële oprichtingsakte van de VOC met lakzegel.In het octrooi legden de Staten Generaal de uitzonderlijke rechten van de handelscompagnie vast.

Desnoods met harde hand

De VOC kreeg van de Staten-Generaal het monopolie om handel te drijven met Azië en had ook verregaande bevoegdheden, zoals het sluiten van handelsovereenkomsten met inlandse vorsten, soldaten en bestuursambtenaren in dienst nemen, forten bouwen en geweld gebruiken als de belangen van de VOC in gevaar kwamen. Zo trad Jan Pieterszoon Coen hard op tegen de bevolking van de Banda-eilanden (de Molukken), toen deze toch handelden met de Portugezen en de Engelsen.

Door de toename van de handel profiteerde ook de nijverheid. Ambachtslieden verwerkten handelsgewassen tot eindproducten en de grondstoffen die van elders werden aangevoerd. Een op de drie mensen werkten in de nijverheid. De handel ontwikkelde zich stormachtig waardoor de vraag naar schepen sterk toenam. Dat leverde alleen al in Rotterdam werk op aan 15% van de beroepsbevolking. 

Jaloerse buurlanden

Door de ontwikkelingen in de landbouw, nijverheid, handel en scheepvaartsteeg in de zeventiende eeuw de welvaart in de Republiek meer dan in de omringende landen. Engeland en Frankrijk namen maatregelen om de Republiek te beconcurreren. Zo nam Engeland een Acte van Navigatie aan in 1651. Hierin stond dat alleen maar Britse schepen in Britse havens mochten komen, of schepen die uit hetzelfde land afkomstig waren als hun lading. Engeland was zelfs bereid oorlog te voeren zoals bleek in 1672. Frankrijk nam maatregelen tegen de vrije economie. Jean-Babtiste Colbert wilde de eigen markt beschermen door de invoering van het Mercantilisme. De Import moest worden verminderd en de export gestimuleerd. Buitenlandse producten werden door importheffingen fors duurder. Doel een positieve handelsbalans hetgeen de koning in staat stelde zijn kostbare hofhouding en leger te betalen.

6.2 Wie heeft de macht?

Kenmerkende aspecten

* Het streven van vorsten naar absolute macht.

* De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandese Republiek

De kern

In veell landen vond in de Tijd van Steden en staten staatsvorming plaats. In veel landen probeerde de koning de absolute macht aan zich te trekken. Deze cetralisatiepolitiek leidde tot verzet. Dat verzet had in de Nederlanden succes. Daar lag de macht in handen van de Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal. In Frankrijk slaagde Lodewijk XIV er in zijn macht te vergroten door dat te rechtvaardigen door het 'droit devin'. Franse koningen zouden door God zijn uitverkoren om hun onderdanen te regeren (Godssoevereiniteit). In Engeland daarintegen vond men een middenweg. Daar had het parlement door afspraken de macht van de koning beperkt.

Het belang van het onderwerp

Al zolang mensen samenleven experimenteert men met manieren om een land te besturen. In de Tijd van regenten en vorsten ontstonden er gelijktijdig verschillende staatsvormen in West-Europa. Uit de verschillende experimenten zou later de parlementaire democratie ontstaan.

Onderzoeksvraag

Wie hadden in de Republiek, in Frankrijk en Engeland de poltieke macht ?

Particularisme in de Republiek

Na de aanname van de Acte van Verlatinghe in 1581 en de moord op Willem van Oranje stonden de Nederlanden voor de vraag hoe ze het land gingen inrichten. De bestuursvormen zoals de Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal bleven bestaan. Ook de stadhouder, maar die werd door de Staten nu zelf benoemd. In principe had elk gewest zijn eigen stadhouder, maar in de praktijk waren er meestal maar twee. Na uitroeping van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën in 1588, was het onduidelijk bij wie nu de macht lag. Maar dat werden al snel de Gewestelijke Staten.

Holland heeft het voor het zeggen

Tussen de gewesten bestonden er grote verschillen. De Saten-Generaal kon alleen maar besluiten nemen als ierdereen het er over eens was. De regenten kregen vanuit hun gewest instructies mee. In principe kon elk gewest de besluiten tegenhouden. In de praktijk viel dat mee. Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619) wist als landsadvocaat van de Staten van Holland een sleutelpositie op te bouwen. Van Oldenbarnevelt slaagde er als raadspensionaris in (te vergelijken met een premier), de gewesten na onderhandelingen op een lijn te krijgen. Daarbij gesteund door het feit dat het gewest Holland meer dan de helft van de gezamenliijke kosten betaalde, waardoor zaken vaak konden worden doorgedrukt op een diplomatieke manier.

Absolutisme in Frankrijk

In Frankrijk slaagde de centralisatiepolitiek wel. Tijdens de regeerperiode van Lodewijk XIV kreeg dit vorm in het absolutisme. Volgens het absolutisme zijn de belangen van de koning gelijk aan die van het land 'létat, cést moi' ofwel 'de staat dat ben ik'.

Droit divin

De theoloog en hofpredikant Bossuet gaf aan dit droit divin een theologische basis. Omdat de koning de macht van God had ontvangen, was de koning alleen aan God verantwoording schuldig.

Lodewijk XIV voelde zich verheven boven zijn onderdanen. De door de onderdanen verworven rechten moesten dan ook zo veel mogelijk worden afgeschaft of teruggedrongen. Hij besloot de Staten-Generaal, waarin vertegenwoordigd waren de drie standen: de geestelijkheid , de adel en de  derde stand niet meer bijeen te roepen, waardoor de derde stand geen mogelijkheid meer van inspraak had. Die derde stand bestond in de ME alleen uit boeren maar in de Tijd van steden en staten waren daar handwerkslieden, kooplui en beoefenaars van vrije beroepen bij gaan horen.

Eén volk, één godsdienst

Lodewijk XIV streefde naar een godsdienst in Frankrijk. Het Edict van Nantes van 1598, was dan ook een doorn in zijn oog, omdat calvinisten (hugenoten) toen gewetensvrijheid en volledige burgerrechten hadden gekregen. In 1685 herriep Lodewijk XIV het Edict van Nantes. De hugenoten verloren al hun privileges en konden kiezen of katholiek worden of het land verlaten. Velen verlieten Frankrijk. De gevluchte hugenoten zouden bijdragen aan de welvaart van de Republiek.

Lodewijk XIV had een chronisch gebrek aan geld door zijn voortdurende oorlogen, de ombouw van steden tot grote vestigingen en zijn hofhouding dat leidde uiteindelijk tot veel kritiek.

Glorius Revolution in Engeland

Sinds de Magna Carta van 1215 was de macht van de koning door het parlement beperkt. Koning Karel I werd afgezet en onthoofd in 1649 en zijn zoon Jacobus II vervreemde zich als katholiek vorst van zijn anglicaanse (protestantse ) onderdanen. Op uitnodiging van diens politieke tegenstanders viel stadhouder Willem III, getrouwd met de dochter van Jacobus II, Maria Stuart, Engeland binnen en werd Koning van Engeland, Ierland en Schotland en zijn vrouw Koningin Mary II. Dit noemen we de Glorius Revolution. Engeland werd omgevormd tot een constitutionele monarchie, een koninkrijk waarin de macht van de koning is vastgelegd in een grondwet. Willem III ondertekende de Bill of Rights'. Hierin werden de afspraken vastgelegd. Het werd het levenswerk van stadhouder en koning Willem III om de absolute Franse koning in het gareel te houden.

Het huwelijk bleef kinderloos en na de dood van Willem III werd de rol van de stadhouder een stuk kleiner en pas in 1747 zou er weer een stadhouder worden aangesteld. De regenten verstevigden in de Republiek hun positie. Met het oog op de kosten werd het leger en de vloot verkleind en de Republiek hoopte zo buiten internationale conflicten te blijven.

Ook in het binnenland wilden de regenten zoveel mogelijk alles bij het oude laten en het bestuur kreeg steeds meer het karakter van een oligarchie. Men verdeelde de belangrijkste functies onder elkaar, niet alleen om macht en invloed, maar ook om de soms riante vergoedingen. Dit werkte corruptie en vriendjespolitiek in de hand. In de achttiende eeuw groeide hiertegen onder de bevolking het verzet.

 6.3 Wetenschap en kunst

Kenmerkende aspecten

* De wetenschappelijke revolutie

* De bijzondere plaats in staatskundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

De Kern

In deTijd van regenten en vorsten leidde de kritische manier van denken uit de Renaissance tot nieuwe wetenschappelijke inzichten en ontdekkingen. In de natuurwetenschappen vergaarde men zoveel kennis dat we het later de wetenschappelijke revolutie hebben genoemd. Dit gebeurde in alle Europse landen.

Op cultureel gebeid waren de verschillen groter. In landen met absolute koningen waren de kunsten ondergeschikt aan de koningen. In de Republiek hadden kunstenaars meer vrijheid. 

Het belang van het onderwerp.

Ook al waren de verschillen in staatsinrichting groot, toch werd de waarde van wetenschappelijk onderzoek en kunst ingezien. 

Onderzoeksvraag

Welke ontwikkelingen in de Republiek stimuleerden de wetenschap en de cultuur?

Waarnemingen met je zintuigen

Tot aan het eind van de Tijd steden en staten gingen mensen ervan uit dat alles wat in de Bijbel stond, waar was. Maar onder andere Erasmus stelde daar kritische vragen over. Het was de Engelsman Francis Bacon die als humanist redeneerde dat je alleen kennis kon verwerven door uit te gaan van zintuigelijke waarnemingen. Uit al die waarnemeingen kun je dan een algeneem geldende regel afleiden, een natuurwet. Hiermee legde Bacon de basis van de natuurwetenschappelijke methode dat alleen op waarneming gebaseerde kennis echt betrouwbaar is.

In de Nederlanden was Antoni van Leeuwenhoek zo'n vernieuwer. Hij bouwde zelf een microscoop en bestudeerde alles wat hij tegenkwam. Zo ontdekte hij de nog onbekende wereld van bacteriën en pantoffeldiertjes en werd er wereldberoemd mee. Er was een wetenschappelijke revolutie ontstaan. Nieuwe ontdekkingen werden vooral gedaan in de exacte wetenschappen , zoals wiskunde, biologie of natuurkunde. Geleidelijk ontstond een wetenschappelijke manier van denken, dat je kennis verwerft door het doen van waarnemingen en het uitvoeren van experimenten.

Gods 'Boeck der nature'

De nieuwe manier van onderzoeken betekende niet dat mensen ongelovig werden. Integendeel, want wetenschappers wilden aantonen hoe intelligent Gods schepping wel niet was. God had de mens niet één boek geschonken maar twee, namelijk de Bijbel en het 'Boek der Nature'.

Theoretische natuurwetenschappen

Theoretische natuurwetenschappers hielden zich bezig met het bedenken van wetenschappelijke theoriën. De bekendste theoretische wetenschapper uit de Republiek was Christiaan Huygens. Oorspronkelijk voorbestemd voor een hoge ambtelijke functie, kreeg hij door ontwikkelingen in de Republiek de kans voor zijn passie: de exacte wetenschappen. Hij werd in 1666 directeur van het pas opgerichte Franse Académie des Sciences (opgericht door Colbert). De Académie had een poltiek maar ook economisch doel.

Voor de eer en glorie van de koning

De Franse Koning Lodewijk XIV omringde zich graag met vooraanstaande kunstenaars en wetenschappers. Hun succes straalde ook op hem af. De kunstvoorwerpen in het paleis van Versailles versterkten het absolutisme. De koning ws alles waarom het draaide en werd de Zonnekoning genoemd.

Kunst voor de burgers

Ondanks het feit dat men in de Republiek geen hofcultuur kenden werden er in de Republiek in de zeventiende eeuw enorm veel schilderijen gemaakt. Naast de bekende schilders als Rembrandt, Vermeer, Jan Steen of Frans Hals waren er duizenden andere schilders werkzaam.

Al in de 15e en 16e eeuw vielen de schilders uit de Nederlanden op door hun technische precisie, hun oog voor detail en het realisme waarmee ze de wekelijkheid schilderden. Door nieuwe technieken konden de schilders van de 17e eeuw nieuwe genres ontwikkelen. De meeste schilderijen zijn klein omdat vooral burgers opdrachten gaven. Veel schilderijen laten een dagelijks tafereel zien en er waren veel genrestukken.

In het rampjaar 1672 stortte de markt in. Tekenend ook voor het feit dat 'De Gouden Eeuw' voorbij was.

Zie verder Hoofdstuk 7 Feniks 2e fase Havo Hoofdstuk 7 2e dr Overzicht gs