We hebben 141 gasten online

VWO Feniks 2e Fase Hoofdstuk 8 2e dr Overzicht gs

Gepost in Tweede Fase 2e druk Overzicht gs

Hoofdstuk 8 Tijd van burgers en stoommachines

1800-1900

tijdvak 8

1848

De aardappel was na 1800 volksvoedsel nummer één geworden. Aan het einde van 1845, bleek de aardappel getroffen door een onbekende ziekte, met als direct resultaat dat bijvoorbeeld van de Nederlandse oogst in 1845, slechts een derde van de normale opbrengst kon worden geoogst. Omdat de overheid niets deed, leidde dat tot sociale onrust. Bij die onrust vielen er zelfs doden.

De aardappelziekte leidde tussen 1945 en 1948  in heel West-Europa tot hongersnoden en grote armoede. Vooral Ierland werd zwaar getroffen: een miljoen mensen stierven daar en miljoenen Ieren zagen zich genoodzaakt, in de Verenigde Staten een nieuw bestaan op te bouwen.

In heel Europa was er in 1848 sprake van een gespannen situatie. In veel landen ontstonden revoluties of werden pogingen daartoe ondernomen. Daar waar de revoluties slaagden kwamen de rijke burgers aan de macht.

In Nederland werd een revolutie afgewend, doordat koning Willem II plotseling accoord ging, met een grondige herziening van de grondwet waardoor de parlementaire democratie werd ingevoerd in 1848.

Oriëntaie op het tijdvak

Nadat de burgers door de Franse Revolutie de macht hadden overgenomen werd hun economsiche macht nog vergroot door de Industriële Revolutie. De negentiende eeuw is dan ook de Tijd van de burgers en stoommachines. De Industriële Revolutie ontstond in Engeland.  De grondstoffen die men daarvoor nodig had, haalde men uit de koloniën en de  productie die men in de fanrieken maakte, vonden daar ook een afzetgebied.

In Europa ontstond in 1871 een nieuw land Duitsland. De versnipeprde Duitse gebieden werden onder leiding vn Pruisen, na de Duits-Franse oorlog (1870-1871) een Duits keizerrijk. Dat Duitse keizerrijk wilde ook koloniën. Zo kon met het prestige van het moederland vergroten. Daarnaast leefde de idee dat de westerse beschaving op een hoger plan stond dan die in de koloniën.

In de loop van de negentiende eeuw zou de grote massa van de fabrieksarbeiders gaan strijden voor een menswaardig bestaan en voor politieke invloed. Ook de vrouwen gingen voor een betere positie strijden.

De industriële revolutie had grote gevolgen voor de onderlinge verhoudingen in de westerse samenleving. Nieuwe groepen zochten een mogelijkheid om voor hun belangen op te komen, via vakbonden en politieke partijen. De Tijd van burgers en stoommachines was dus vooral een tijd van strijd om politieke invloed en emancipatie.

 8.1 De Industriële Revolutie

Kenmerkend aspect

De Industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving

De Kern

De meeste mensen werkten tot dan toe in de landbouw. Toen echter na 1770  in Engeland de industrie opkwam, veranderde dat ingrijpend. Omdat machines niet meer door spierkracht werden aangedreven, maar door stoomkracht, werd de (textiel-)productie voortaan niet meer aan huis gemaakt, maar in daarvoor gebouwde werkplaatsen: fabrieken. Andere landen zouden Engeland daarin volgen. Daardoor ontstond er ook een industriële samenleving. Werken in fabrieken en wonen in industriesteden.

Perspectief

Tegenwoordig is in de westerse wereld nog slechts een klein gedeelte van de bevolking werkzaam in de landbouw. De meeste mensen werken in de dienstensector of de industrie. Veel productie is volledig geautomatiseerd. De verandering, die door de industriële revolutie op gang kwam, is vergelijkbaar met de verandering die ontstond door de Neolitische Revolutie (ca. 11.000 v. Chr.), toen men overging op de landbouw.

Onderzoeksvraag

Hoe droegen veranderingen in de productiemethoden bij aan het ontstaan van een industriële en verstedelijkte samenleving?

De Vroegmoderne Tijd

Aan het einde van de vijftiende eeuw werkte men hoofdzakelijk in de landbouw. Daarbij was sprake van een autarkische economie.  In de steden werkten de ambachtslieden samen in gilden, die in feite uitgroeiden tot monopolies binnen een stad. Daardoor beperkte ze echter ook het aanbod en hielden de prijzen kunstmatig hoog. Om aan de druk van de gilden te ontkomen ontwikkelde zich op het platteland de huisnijverheid. Een ondernemer leverde de grondstoffen, coördineerde de productie en zorgde voor de afzet. De thuiswerkers waren van hem afhankelijk en waren ongeschoolde arbeiders en boeren.

Drie uitvindingen

John Kay deed in 1733 de eerste baanbrekende uitvinding in de textielindustrie: de schietspoel. Doordoor kon aanzienlijk sneller geweven worden en kon men bredere stoffen weven. Een wever kon moeiteloos de productie van zestien spinners bijhouden. James Hargreaves (ca 1740-1778) vond de spinning Jenny uit, waardooor de productie van garen toenam.

Beide uitvindingen werden gebruikt in de huisnijverheid. De kwantiteit en de kwaliteit namen toe, maar het werkpatroon van de thuiswerkers bleef gelijk. Daar zou de uitvinding van Richard Arkwright (1732-1792) verandering in brengen. In de machine die Arkwright ontwikkelde, worden de katoenvezels door paren rollers geleid. De spoelen, het waren er veel,  konden echter niet meer met de hand worden geleid. Daarvoor werd een waterrad gebruikt. Vandaar de naam Waterframe. Het Waterframe kon in één uur tweehonderd maal zoveel produceren als een spinner met een eenvoudig spinnewiel.

De komst van de fabriek

Met de komst van het Waterframe kon niet meer in de huisnijverheid worden geproduceerd. Daarvoor werden katoenspinnerijen gebouwd, waar het waterrad de machines aandreef. Nu bepaalde de machine wanneer er gewerkt moest worden. Een breuk met het verleden. Zodra het waterrad ging draaien, moesten er arbeiders bij de spinmachine staan. Een fabrieksbel gaf het begin en einde van het werk aan.

Ondernemers investeerden geld in de nieuwe mills en wilden dus dat de machines veel uren draaiden, zodat ze hun investeringen snel konden terugverdienen en winst konden maken. Ze haalden hiervoor hele families van het platteland naar hun fabriek. Deze mensen waren bereid, in ruil voor vast werk en onderdak, in dienst te treden van de fabrikant. In de spinnerijen werkten vooral vrouwen en kinderen, mannen namen achter het weefgetouw plaats.

Veel thuiswerkers waren bang voor verlies van werkgelegenheid en probeerden tevergeefs, door acties de verdere industrialisatie tegen te gaan.

Het stoomtijdperk breekt aan

 Een mill moest aan een riviertje staan met voldoende stromend water.  Ondernemers wilden daarom niet meer afhankelijk zijn van waterkracht en zochten naar andere manieren om hun machines aan te drijven. Ze vonden die in de stoommachine. Het was James Watt (1736-1819) die er in slaagde, een machine die men in de mijnbouw gebruikte, te verbeteren. Daardoor kon men nu op elke plek een fabriek bouwen. Dus zo dicht mogelijk bij de arbeiders, in de steden.

A WATT engine of 1787, equipped with rotatory motion and the engineer's patent governor. The boiler is on the extreme left, supplying steam to the cylinder, whose piston raises and lowers the beam which turns the big wheel. Bron http://www.cottontimes.co.uk

Een nieuwe samenleving

De overgang van handmatige productie naar machinale productie noemen we Industriële Revolutie. De gevolgen waren groot.

1) In het midden van de negentiende eeuw was de Engelse agrarisch-urbane samenleving veranderd in een industriële samenleving, en werkten de meeste mensen in de industrie. Rond 1860 werkte nog maar 19% van de Engelse bevolking in de landbouw en 40% in de industrie.

2) Een tweede kenmerk van de industriële samenleving was een snelle bevolkingsgroei en urbanisatie. Rond 1700 had Groot-Brittannië ongeveer 10 miljoen inwoners. In 1850 25 miljoen, waarvan de helft in steden woonde.

3) Uitbreiding mogelijkheden van vervoer.

In de andere Europese landen vonden de veranderingen plaats tussen 1845 en 1875. In de jaren zeventig stokte de economische groei, maar nam in het laatste decennium weer toe, zodanig dat we spreken van een Tweede Industriële Revolutie.

Eerste Industriële Revolutie Tweede Industriële Revolutie
Technische verbeteringen en uitvindingen afkomstig van hobbyisten. Innovaties vonden plaats op wetenschappelijke basis.
Steenkool was de belangrijkste energiebron. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden aardolie en elektriciteit de nieuwe energiebronnen.
Economie gebaseerd op de productie van kapitaalgoederen (machines, spoorwegen) Economie gebaseerd op de productie van consumptiegoederen. Nieuwe industrie maakte massaproductie mogelijk.
Mogelijkheid kopen van basisproducten. Geleidelijke verhoging levensstandaard waardoor men ook goederen kon kopen boven de basisbehoeften.

Nederland bleef eerst achter ten opzichte van de andere landen. In de negentiende eeuw was er een kleinschalige, op de binnenlandse markt gerichte nijverheid. Rond 1850 kwam er langzaam een moderne economische groei op gang. In Oost-en Zuid-Nederland ontwikkelden zich arbeidsintensieve bedrijven en in Holland concentreerden zich kapitaalintensieve industrieën.

8.2 Modern Imperialisme

 Kenmerkend aspect: de moderne vorm van het imperialisme die verband hield met de industrialisatie

De Kern

Door de industriële Revolutie nam de behoefte aan grondstoffen en afzetgebieden toe. De West-Euroepse landen keken daarbij vooral naar gebieden in Afrika en Azië. Het veroveren van deze gebieden werd de kern van het moderne imperialisme.

Perspectief

 In eerste instantie was het moderne imperialisme politiek en economisch van aard. Maar door de kolonisatie kregen de gekoloniseerde landen het christendom en de westerse cultuur opgedrongen. Dat is tot op de dag van vandaag nog merkbaar.

Onderzoeksvraag

Welke motieven hadden de Europeanen om in Afrika en Zuidoost-Azië een groot koloniaal Imperium op te bouwen?

Grondstoffen

Fabrikanten wilden het liefst de machines zo lang mogelijk laten draaien. Vooral de verwerking van katoen nam een hoge vlucht. Vanuit vooral de Verenigde Staten werd de ruwe katoen aangevoerd. Aangemoedigd door de hoge prijs van katoen stapten landeigenaren daar over op de teelt ervan. Ook de vraag naar andere grondstoffen nam sterk toe, zoals kopererts, goud en rubber. Vanwege politieke omwentelingen in Amerika concentreerden de Europeanen zich vanaf 1850 op delen van Afrika en Azië. Naast enorme hoeveelheden ruwe katoen nam ook de vraag naar grondstoffen sterk toe. IJzererts en steenkool waren in Europa ruim aanwezig maar goud en kopererts zeldzaam. Dat gold ook voor katoen, rubber en jute. Al vanaf de ontdekkingreizen probeerden Europese landen hun invloed te vergroten en handelsposten te vestigen. Vanaf ongeveer 1850 gaan de Europeanen het lokale bestuur echt overheersen en veroverden grote delen van Afrika en Azië. Zo maakten de Engelsen van India en Egypte kolonies, omdat daar een katoenplant groeide waarvan een fijne draad gesponnen kon worden.

Afzetgebieden

Toen in andere Europse landen en in de VS zelf industriële producten werden vervaardigd, vielen deze landen als afzet gebied weg. Het oog viel toen op Brits-Indië. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Nederland dat in Nederlands-Indië een afzetgebied vond (b.v Regouts aardewerk ging voor 50% naar Azië). Andere landen volgden het Britse voorbeeld en omdat het op grote schaal gebeurde spreken we van Modern Imperialisme. 

Macht

Landen veroverden echter ook gebieden zonder grondstoffen en waar nauwelijks mensen woonden. Dit deden ze alleen om daardoor meer aanzien te verwerven.

spotprent willem I

Spotprent: de Duitse keizer die ook een deel van de wereld wil.

Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië veroverden gebieden waar helemaal geen waardevolle grondstoffen gevonden werden en nauwelijks mensen woonden. Waarom deden die landen dat dan? Het antwoord is: vergroting van macht. Men ging van de gedachte uit dat een land op het wereldtoneel pas een rol kon spelen als het veel koloniën had. Dus deden Engeland en Frankrijk er alles aan om steeds meer koloniën te bezitten. In 1898 sloten Frankrijk en Engeland bij Fashoda (heet nu Kodok en ligt vijfhonderd kilometer van de Soedanese hoofdstad Khartoum) in Afrika, een verdrag en verdeelden zo Afrika definitief onder elkaar. Duitsland b.v., dat pas in 1871 als eenheidsstaat zou ontstaan, wilde ook koloniën en dus ontstonden er onderling spanningen. Het Moderne Imperialisme zou een van de hoofdredenen zijn voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog..

afrika 1914

Sociaal-darwinisme

Behalve de economische en politieke motieven is er nog een derde motief: het culturele of ideologische. Charles Darwin had in 1859 een boek gepubliceerd 'The origin of Spieces', waarin hij  stelde dat in de natuur alleen de sterksten zouden kunnen overleven ('survivel of the fittist'). Tevens aanpassen de veranderende omstandigheden om te overleven. Die ideeën werden nu toegepast op de menselijke samenleving. Deze sociaal-darwinsten kwamen tot de conclusie dat het eigen volk en het blanke ras superieur waren.

De Fransen gingen hier ver in. Zij gingen de inheemse volken van hun koloniën opvoeden tot 'zwarte Fransen': 'mission civilisatrice' Einddoel: volledige intergatie van de koloniën met het moederland. Zij kozen voor een uniforme en centralistische bestuursvorm van hun koloniën, waardoor ze de lijn voortzetten die al onder de absolutistische koningen was uitgewerkt.

De exploitatie van Congo

De Europese landen erkenden op de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1885 de aanspraken van de Belgische koning Leopold op Congo. Congo leverde ivoor, maar na 1888 werd Congo een belangrijke leverancier van rubber. Door de opkomst van de auto en fiets steeg de vraag enorm. Van 100 ton in 1891 en 1300 ton in 1896 naar 6000 ton in 1901. Leopold streek de miljonenwinsten op. Er was nog geen sprake van plantages en de inwoners kregen een kwantum opgelegd, wat men diende te leveren. Voldeed men daar niet aan dan schroomde degenen die de belasting moesten innen, van het gedode slachtoffer de rechterhand af te snijden, soms zelfs van levende Congolezen. Wat veel weerstand opriep.

8.3 Nationalisme en de Duitse eenwording

Kenmerkend aspect

De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen, liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

De Kern

Door de Franse bezettingen onder Napoleon waren de nationalistische gevoelens versterkt. Vooral in het versnipperde Duitstalige gebied groeide het verlangen tot eenheid. Uiteindelijk lukte dat onder leiding van Pruisen in 1871. Duitsland werd een nieuw groot land.

Perspectief

Tot aan het einde van de Tijd van pruiken en revoluties vormden weinig landen een nationale eenheid. Daar kwam in de Tijd van burgers en stoommachines verandering in. Mensen voelden zich tot elkaar aangetrokken doordat ze dezelfde taal spraken, tot hetzelfde 'ras' behoorden, en dezelfde godsdienst en cultuur hadden. Er ontstond een 'nationale identiteit' met de daarbij gebruikte symbolen zoals vlaggen en volksliederen.

Onderzoeksvraag

Hoe zorgden nationale gevoelens ervoor dat de Duitstalige gebieden tot één staat werden samengevoegd?

De erfenis van Napoleon

Aan het einde van de 18e eeuw bestond Duitsland uit meer dan 300 onafhankelijke steden, graafschappen, hertogdommen, koninkrijken en minivorstendommen. Na de definitieve nederlaag van Napoleon was het aantal Duitse staatjes teruggebracht tot ongeveer dertiig. Zie voor kaart Die Deutschen Staaten nach dem Ersten Pariser Frieden Mitte 1814. Pruisen was het grootste en belangrijkste.

Tijdens het Congres van Wenen(1814-1815) werd onderhandeld over de inrichting van het nieuwe Europa. Het oostelijk deel van Pruisen kwam bij Rusland. Pruisen kreeg compensatie in het Rijnland. Zie kaart.

Nationalisme en Romantiek

De Napoleontische periode had in de Duitse gebieden nationalistische gevoelens versterkt. In Duitsalnd ontstonden 'Burschenschaften'. Deze studentenverenigingen verheerlijkten het verleden, waarbij romantiek en nationalisme hand in hand gingen.

Het was de dichter Johann Gotfried Herder (1744-1803) die het nationalisme een theoretische basis gaf. Hij meende dat vooral de taal een volk tot eenheid maakt. Zo ontsond een cultureel nationalisme, onder invloed van de Romantiek,  dat nog werd bevorderd door wetenschappelijk onderzoek. De Romantiek was een reactie op het rationalisme. De Romantiek stelde de eigen, subjectieve beleving en de intuïtie voorop. Daarbij speelde de geschiedenis en cultuur van het eigen volk een rol. 

Geen eenheid door overleg

 Het Duitse culturele nationalisme veranderde na verloop van tijd in politiek nationalisme. Oorzaak: de maatschappelijke veranderingen en de technische vooruitgang als gevolg van de Industriële Revolutie. De versnippering van Duitsland werkte een verdere groei tegen. Pruisen wilde daar een einde aan maken en in 1834 kam er een Zollvereind (douane-unie) in het Duitstalige gebied, met uitzondering van Oostenrijk en het vorstendom Hannover. Eerst werd er alleen op economisch gebied samengewerkt, maar toen in 1848 overal in Europa onlusten uitbraken, kwam in Frankfurt een parlement bijeen om over samenwerking te praten. Nadat het Parelement de Klein-Duitse (zonder de Donaumonarchie) gedachte had aanvaard, vroegen ze de Pruisische koning keizer te worden. Deze weigerde omdat in zijn ogen een keizer door God werd uitverkoren, en niet 'benoemd' kon worden door het volk. 

 Eenheid door de oorlog

De rust aan het politieke front veranderde toen Otto von Bismarck aantrad als minster-president van Pruisen in 1862. Hij kwam uit een geslacht van Junkers(grootgrondbezitters). Volgens Bismarck was een oorlog met Oostenrijk en Frankrijk de enige manier om een Duits keizerrijk te kunnen vormen. Om het leger te testen vocht hij eerst een klein oorlogje uit met Denemarken en kon daardoor de hertogdommen Sleeswijk en Holstein aan Pruisen toevoegen. Vervolgens voerde hij in 1866, oorlog met Oostenrijk en het koninkrijk Hannover werd bij Pruisen gevoegd, dankzij generaal Von Moltke. In het najaar van 1866 vormden 22 Duitse staten ten noorden van de rivier de Main een statenbond: de Noord-Duitse Bond. 

Napoleon III reageerde fel toen een ver famililid van de Pruisische koning op de Spaanse troon driegde te komen en verklaarde de oorlog aan Pruisen. Hij werd in Sedan verslagen en in janauri 1871 capituleerde Parijs. In het vredesverdrag moest Frankrijk een aanzienlijke schadevergoeding betalen en Elzas-Lotharingen aan Pruisen afstaan. Zie pdf kaart Staaten im Deutschen Reich 1871. De oorlog had overal in Duitsland de nationalistische gevoelens aangewakkerd. Toen de Zuid-Duitse staten zich bij de Noord-Duitse Bond aansloten, stond de door Bismarck bepleitte eenheid niets meer in de weg. Op 18 januari 1971 werd koning Willem I van Pruisen in de Spiegelzaal van het Paleis in Versailles uitgeroepen tot keizer van Duitsland. 

De nieuwe grootmacht was vanaf het begin kwetsbaar door zijn ligging in Europa. Economisch ging het voor de wind, door de  industrialisatie en urbanisering. De sociale mobiliteit leidde echter tot grote maatschappelijke en culturele spanningen. 

Aan een periode van betrekkelijke rust kwam een einde door het aantreden van keizzer Willem II in 1888. Tussen hem en Bismarck ontstond grote onenigheid. In 1890 werd Bismarck gedwongen ontslag te nemen.

8.4 De sociale kwestie

Kenmerkende aspecten

* Discussies over de 'sociale kwestie'.

* De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen nationalisme, liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

De kern

Voor de arbeiders verslechterden de leef- en werkomstandigheden in de Tijd van burgers en stoommachines. Er waren veel meer mensen dan banen en fabrikanten maakten daar misbruik van. Men moest lange dagen werken, voor laag loon en ongezonde werkomstandigheden. Protesteerde men dan kon men ontslagen worden.

De politieke machthebbers vonden dat ze niet mochten ingrijpen in de economie (liberalisme), en pas nadat artsen en schrijvers zich het lot aantrokken van de arbeidersklasse, kwam de 'sociale kwestie' op de agenda. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond de politieke stroming die het lot van de arbeidsklasse wilde verbeteren: het socialisme.

Perspectief

Tegenwoordig vinden we het normaal dat de overheid zowel de belangen van werkgevers als van werknemers steunt. Via de sociale wetten is er een systeem opgebouwd. In de Tijd van burgers en stoommmachines werd hier de aanzet toe gegeven. Toen wilden de liberalen de invloed van de overheid zo klein mogelijk houden, terwijl de socialisten juist de rol van de overheid wilden vergroten.

Onderzoeksvraag

Waardoor ontstond het liberalisme en het socialisme, en hoe dachten liberalen en socialisten over de sociale kwestie?

 Ongestuurde urbanisatie

 In de gebieden met opkomende industrialisatie groeide de bevolking sterk. In Engeland verdubbelde de bevolking in de periode tussen 1800 en 1850. In Lancashire was er zelfs sprake van een verdrievoudiging. Manchester telde voor het begin van de Industriële revolutie ongeveer 20.000 inwoners, rond 1800 75.000 en in het midden van de 19e eeuw 300.000. Voor de grote aantallen mensen, die zich in de nieuwe fabriekssteden vestigden, werden in hoog tempo huizen gebouwd. Maar geld, plannen, kennis en tijd waren er echter niet. Het gevolg was dat de krottenwijken snel de overhand hadden.

 Naast de slechte huisvesting was ook de kwaliteit van de voedselvoorziening een probleem, waardoor men vatbaar werd voor ziekten zoals bijvoorbeeld tuberculoze.

De sociale kwestie

Artsen priesters, schrijvers en journalisten zochten de publiciteit, om de leefomstandigheden van de arbeiders onder de aandacht te brengen. De  'sociale kwestie' kreeg daardoor meer aandacht en zou in de tweede heft van de 19e eeuw een politiek thema worden. Een van de wetenschappers die er een boek over schreef, was de Schot Andrew Ure, naar aanleiding van een rondreis door Lancashire. In 'The philosophy of Manifactures'(1835) verheerlijkte hij de industriële samenleving en stelde dat de fabrikanten naar eigen inzicht het werk moesten kunnen organiseren, omdat dat het beste was voor een ieder.

Het individu centraal

Een verklaring voor het feit dat de overheid niets deed ligt in de opvatting over de werking van de economie, vooral die van Adam Smith (1723-1790). Hij schreef er een boek over: ' Inquiery into The Nature and Causes of the Wealth of Nations'(1776). Het werk van Adam Smith had grote invloed en lag aan de basis van het ontstaan van het liberalisme. Hierin staat het vrije, ondernemende individu centraal. De liberalen vonden dat de staat zich zo min mogelijk met de economie moest bemoeien. Ieder mens moest de gelegenheid krijgen om zich op basis van zijn eigen talenten omhoog te werken. Op politiek terrein verwierpen de liberalen het absolutisme. Iedereen moest voor de wet gelijk zijn. Gezag diende te worden uitgeoefend door - of in naam van - verantwoordelijke burgers. Streden tegen godsdienstfanatisme en censuur.

Karl Marx

Steeds meer mensen protesteerden en eisten een rechtvaardiger maatschappij, redelijke lonen en meer politieke zeggenschap.  In 1848 verscheen 'Het Communistisch Manifest' van Karl Marx en Friederich Engels. Dit boek zou de basis leggen voor het socialisme, in de 19e eeuw een verzamelnaam voor een nieuwe politieke stroming, die streefde naar volledige gelijkheid van mensen. 

Door het bestuderen van het verleden was Marx(1818-1883) tot de overtuiging gekomen, dat er in elk maatschapijtype een bezittende en niet-bezittende klasse is(historisch materialisme). Deze hebben tegenstrijdige belangen. In de 19e eeuw waren dat de Bourgeoisie(rijke burgerij) en het proletariaat(de arbeiders). Op een bepaald moment zouden de tegenstellingen zo groot worden dat het proletariaat wel in opstand moest komen, om de maatschappelijke orde omver te werpen. Volgens het marxisme(communisme) zou de klassenstrijd worden gewonnen door het proletariaat. In die overgansfase zou iedereen ertoe moeten worden overgehaald, de nieuwe visie te aanvaarden, en zou uiteindelijk de nieuwe communistische heilstaat ontstaan, waarbij alle productiemiddelen (natuur, kapitaal en arbeid) gemeenschappelijk bezit zou zijn. Iedereen werkte uit vrije wil en zette zich volledig in. Men kreeg geen beloning voor prestaties maar ontvang wat men nodig heeft. Kortom een paradijs op aarde. Pas twintig jaar na het verschijnen van 'Het Communistisch Manifest' verscheen in 1867 een wetenschappelijk vervolg: het eerste deel van 'Het Kapitaal' Kritiek op de politieke Economie'. Pas na zijn dood zou Friederich Engels deel 2 en 3 publiceren.

Ruzie over de route

 De werkelijkheid was echter anders. Marx had voorspeld dat de arbeiders het steeds slechter zouden krijgen maar in werkelijkheid verbeterden hun leef- en werkomstandigheden. Er ontstonden nu binnen het socialisme verschillende stromingen. Sommigen, zoals de communisten geloofden in de visie van Marx. Anderen streefden nog wel naar een klassenloze maatschappij, maar wilden de route er naar toe niet door revolutie maar door evolutie, via parlementaire weg, bereiken. Zij streefden dus naar invoering van het algemeen kiesrecht. Men noemt ze sociaal-democraten. Aan het einde van de negentiende eeuw was de aanhang van deze groep in de meeste West-Europese landen groter dan die van de communisten.

 8.5 Een nieuwe grondwet

 Kenmerkend aspect

Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

De Kern

De zoon van stadhouder Willem V werd koning Willem I van de Verenigde Nederlanden(het Congres van Wenen voegde België bij Nederland). De verschillen tussen het noorden en het zuiden waren echter zo groot dat uiteindelijk België in1839 een aparte staat werd. Ondanks de grondwet regeerde Willem I als een absoluut vorst. Zijn zooon, Willem II, die hem in 1840 opvolgde, zag zich door de opstanden overal in Europa, in 1848 gedwongen akkoord te gaan met een nieuwe grondwet waarbij er in Nederland een constitutionele parlementaire democratie kwam, waarbij de minsters verantwoording moeten afleggen in het Parlement.

Perspectief

Nederland is sinds 1848 een constitutionele parlementaire democratie. De macht van de koning was definitief ingeperkt in het voordeel van de volksvertegenwoordiging. Enkele grondwetswijzingen zouden nog volgen om het kiesrecht te vergroten. Onlangs besloot het parlement de rol van het staatshoofd tijdens kabinetsformaties in te perken.

Onderzoeksvraag

Hoe werd Nederland een constitutionele monarchie?


Koning Willem I

Nederland nam in de 17e en 18e eeuw een unieke plaats in Europa in. Een Republiek tussen koninkrijken. In de Republiek waren de gewesten zelfstandig, maar werkten samen in de Staten-Generaal, waarnaar men afgevaardigden stuurden. In 1795 zagen de Patriotten hun kans schoon en in het kielzog van de Fransen kwamen ze terug naar de Republiek. Het waren de Fransen die de dienst uitmaakten en in 1795 de Bataafse Republiek stichtten. Tussen 1806 en 1810 plaatste Napoleon zijn broer Lodewijk Napoleon als koning in Nederland, en Nederland werd een koninkrijk. Van 180-1813 werd Nederland bij Frankrijk gevoegd.

Na de val van Napoleon werd de zoon van stadhouder Willem V, koning van de Nederlanden(inclusief het door het Congres van Wenen toegevoegde België). De staatsregelingen onder de patriotten ingevoerd, werd nu vervangen door een grondwet op 29 maart 1814 en de koning werd meteen beëdigd. In de constitutionele monarchie hield Willem I zich niet aan de grondwet en wenste als een (verlicht) absolute koning te regeren. Hij kon ministers ontslaan en was opperbevelhebber van de strijdkrachten. Daarnaast bemoeide hij zich met buitenlandse zaken en de koloniën. In feite was er  nog geen sprake van democratie.

De Belgische Opstand

 De autoritaire regeringsstijl van Koning Willem I, het gedwongen gebruik van het Nederlands en de achterstelling van de katholieken leidden tot ontevredenheid onder verschillende bevolkingsgroepen. Naar aanleiding van de opvoering van de opera 'De stomme van Portici',(waarin de heilige liefde voor het (eigen) land wordt bezongen) leidde in Brussel tot anti-Hollandse demonstraties. Wilem I stuurde zijn kroonprins naar Brussel, maar deze slaagde niet. In 1831 besloot Willem I tot de Tiendaagse Veldtocht, maar dit liep ook op een mislukking uit. Hij proberde nog steun te vinden bij de grote mogendheden Engeland en Oostenrijk, maar deze wilden hem niet langer steunen. Uiteindelijk werd België in 1839 een zelfstandig koninkrijk.

Thorbecke

Toen Willem II zijn vader in 1840 opvolgde werd hij geconfronteerd met de volgende zaken:

1) Afscheiding van België was een financiële ramp. Nederland moest voortaan de rente op de enorme staatschuld alleen opbrengen.

2) De schulden waren door de legerkosten hoog opgelopen tijdens de Belgische Opstand.

3) Er werden belastingen ingevoerd op de eerste levensbehoeften.

4) In 1845 mislukte de aardappeloogst waardoor er hongersnood ontstond. Er stierven meer mensen dan er geboren werden.

5) In andere landen ontstonden revolutionaire bewegingen. Uit angst dat deze naar Nederland zou overslaan besloot Willem II opdracht te geven, tot een nieuwe grondwet, aan de leider van de liberale stromimg Johan Thorbecke. 

In de nieuwe grondwet werd de macht van het Parlement (Eerste en Tweede Kamer) uitgebreid en die van de regering en koning beperkt. De Volksvertegenwoording zou voortaan door middel van het cesuskiesrecht (minimumbedrag aan belasting betaald). Dat was nog een kleine groep maar breidde zich steeds verder uit. Toch had Nederland in 1848 een van de modernste grondwetten in Europa.

 8.6 Emancipatie en politieke strijd

Kenmerkende aspecten

* De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen nationalisme, liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

* De opkomst van emancipatiebewegingen.

* Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

De Kern

Naast de arbeiders vochten ook andere groepen voor gelijke rechten zoaLs vrouwen en confessionelen. Ze wilden uitbreiding van hun politieke rechten via het algemeen kiesrecht om zo meer invloed te krijgen op het bestuur.

Perspectief

De strijd voor geljke rechten voor iedereen begon in de 19e eeuw. Sinds de grondwetsherziening van 1983 is dat als artikel 1 ook in onze grondwet vastgelegd. Iedere Nederlander van achttien jaar en ouder heeft het passief(recht om gekozen te worden) en actief kiesrecht (recht om te kiezen). Veel mensen beschouwen de democratisering als een noodzakelijke voorwaarde voor een rechtvaardige samenleving.

 Onderzoeksvraag

 Hoe werd de politiek gedemocratiseerd?

Brits kiesstelsel aangepast

In Engeland was door de Glorius Revolution de macht van de koning ingeperkt.

Het Parlement bestond uit het Hogerhuis(House of Lords) en het Lagerhuis(House of Commons). Het lagerhuis werd gekozen via een distrctenstesel, met twee afgevaardigden per district. Sinds 1688 echter waren de grenzen van de disdricten niet meer aangepast, en juist die districten waar veel mensen woonden, waren bijna niet in het Lagerhuis vertegenwoordigd. De adel had weinig oog voor de belangen van de industriëlen, en de industriëlen gingen ijveren voor een aanpassing van de districten. Ook de arbeiders gingen demonstreren en de autoriteiten traden streng op zoals in 1819 in Manchester. Steeds meer werd duidelijk dat de 'hervormingen' niet via de straat bereikt konden worden. Fabrikanten(de nieuwe middenklasse) en arbeiders zouden moeten samenwerken, ook al waren hun doelen verschillend.

In 1832 werd de Reform Act aangenomen. Hiermee verloren 86 kiesdistricten hun vertegenwoordiging in het Lagerhuis, geheel of gedeeltelijk. De minimumeis van het kiesrecht werd verlaagd, waardoor het aantal mannelijke kiezers toenam van 435.000 naar 652.000.

De chartisten

Na het aanemen van de Reform Act werd de roep om verdere hervormingen groter. De naam Chartisten komt van het 'People's Charter', handvest dat William Lovett in 11838 had opgesteld. Zijn hoofddoel was algemeen kiesrecht(voor mannen). Hij wilde jaarlijkse en geheime verkiezingen en wilde het passief kiesrecht uitbreiden. Er moest ook een vrgoeding komen, zodat ook mensen met een laag inkomen lid konden worden van het Lagerhuis. En ook een verandering van de districten. Het chartisme groeide onder leiding van Feargus O'Conner uit tot een indrukwekkende beweging. Doordat de regering sociale veranderingen doorvoerde en anderen de ideeën overnamen verdween de beweging. Ook in Engeland maakte de liberale beweging de dienst uit en kon uiteindelijk, net als in andere landen het kiesrecht niet tegenhouden.

 Feministen

In Nederland begon de Industriële revolutie laat en ook daardoor hadden de vrouwen weinig betaald werk. Ze concentreerden zich op de verzorging van huis en gezin. Arbeidsvrouwen die in de fabriek werkten hadden dat geld nodig. Voor vrouwen uit de bourgeoisie was dat niet nodig. Maar onder deze ,groeide in de tweede helft van de negentiende eeuw, steeds meer onvrede, over de ondergeschikte positie van de vrouw.

Overal in de westerse wereld was na 1870 een beweging ontstaan die opkwam voor de rechten van de vrouw: het feminisme. In Nederland was dat bijvoorbeeld Wilhelmina Drucker, die voor deze beweging ging strijden. Men zette in op het verwerven van kiesrecht, om op die manier invloed te kunnen uitoefenen op de wetgeving. Vrouwen deden eenvoudig, geestdodend werk, werden laag betaald en er was niet veel keuze.

Openbaar op bijzonder onderwijs?

Katholieken werden al sinds De Opstand officieel achtergesteld. Pas in de grondwet van 1848 werd vrijheid van godsdienst opgenomen. Hiermee was de weg vrij voor de emancipatiebeweging van de katholieken. De confessionelen stoorden zich aan de manier waarop in Nederland het onderwijs was georganiseerd. De katholieken en protestanten vonden elkaar in de Schoolstrijd. Ze wilden dat de overheid bijzondere scholen op dezelfde manier zou financiëren als openbaar onderwijs. In 1878 werd in het parlement wel een nieuwe onderwijswet opgenomen, maar nog steeds was daarin de financiële gelijkstelling niet geregeld.

Bundeling van politieke krachten

Nederland had in de negentiende eeuw nog een districtenstelsel. Er waren evenveel kamers als districten. Tot de Schoolstrijd een politieke strijd werd. Abraham Kuyper slaagde erin in een aantal kiesdistricten kandidaten op de lijst te krijgen die zich wilden inzetten voor de Schoolstrijd. Uit deze samenwerking ontstond in Nederland in 1878 de eerste politieke partij: de Anti Revolutionaire Partij(men wilde niets van de ideeën van de Franse revolutie weten).

domela nieuwenhuis

In 1882 richtte Domela Nieuwenhuis de Sociaal Democratische Bond op en werd zo de eerste socialist, die in 1888 in de Tweede Kamer werd gekozen. De Katholieken en Protesstanten vormden toen een verbond tegen 'het rodgevaar'. Toch zou het nog veel tijd vergen voordat de Kieswet daadwerkelijk werd aangepast in 1896. Het aantal mannelijke keizers veranderde door de kieswet van 300.000 naar 600.000. Maar vrouwen hadden nog steds geen kiesrecht.

Politieke strijdbijl begraven

De Eerste Wereldoorlog  leidde ertoe dat de politieke stromingen gedwongen werden om samen te werken. Er ontstond een gevoel van nationale eenheid. De regering maakte daarvan gebruik om twee slepende kwesties op te lossen: de Schoolstrijd en de Kiesrechtkwestie. De confessionelen zouden accoord gaan met de financiële gelijkstelling van het onderwijs, maar dan moesten ze ook instemmen met de invoering van het algemeen kiesrecht. Eerst het mannenkiesrecht, later gevolgd door het vrouwenkiesrecht.

In 1918 werd ook het districtenselsel vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De eerste verkiezing leverde een aardverschuiving op:

De liberalen van 31 naar 15 zetels;

De sociaal-democraten van 15 naar 22 zetels;

Confessionle partijen kregen meer dan de helft van het aantal zetels. De Rooms-katholieke Staatspartij werd met 30 zetels de grootste in de Tweede Kamer. Er kon nu een aanpassing plaatsvinden van de kieswet, en op 5 juli 1922 mochten Nederlandse vrouwen voor het eerst hun stem uitbrengen, bij een landelijke verkiezing. Hiermee was de democratisering voltooid waardoor de weg vrij was voor de invoering van de sociale wetgeving.

Zie verder hoofdstuk 9 VWO Feniks 2e Fase Hoofdstuk 9 2e dr