We hebben 153 gasten online

Havo Hoofdstuk 3 De tijd van monniken en ridders

Gepost in 2e fase havo

verbreiding van de Islam

In West-Europa was na 500 weer een landbouwsamenleving ontstaan. De boeren waren veelal halfvrije horigen. In Arabië was de islam ontstaan, die zich verspreidde over grote delen van Azië, Noord-Afrika en het Iberisch schiereiland. Europa werd voor een groot deel christelijk.

 tijdvak 3

Over de Pyreneeën

Islamitische Arabieren trokken vanuit Spanje Frankrijk binnen. Nadat ze Bordeaux hadden geplunderd maakten ze zich meester van Poitiers.

De slag bij Poitiers

De Islamieten onder leiding van Abd al-Rahman stonden nu echter tegenover een leger van Karel Martel. Martels leger had geen cavalerie (strijders te paard). Karel Martel hield daar echter rekening mee en zorgde ervoor dat zijn strijders dicht bij elkaar bleven. Met een list slaagde hij erin de vijand te verdrijven.

Een beslissende slag?

Het was wel een keerpunt in de opmars van de Islam die in hoog tempo vanuit West-Azië en Noord -Afrika, overwinning na overwinning behalend, in 711 overstak vanuit Afrika naar Spanje en Portugal. De slag bij Poitiers was een keerpunt en van daaruit werden de moslims nu teruggedreven. Karel Martel vormde nu ook een cavalerie en wist na 732 islamistische aanvallen te weerstaan en heel Frankrijk in handen te krijgen.

Zijn kleinzoon Karel de Grote veroverde uiteindelijk grote delen van Europa. Spanje en Portugal behoorden tot de islamitische wereld, maar bijna heel Europa was christelijk geworden.

palts karel de grote

legenda

Paragraaf 1 De opkomst van de islam

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: ontstaan en verspreiding van de islam

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* het ontstaan van de islam

* de verspreiding van de islam

* de ontwikkeling van de Arabische cultuur

Bijna 600 jaar na het christendom ontstond de islam en veroverde grote gebieden. Het verspreidde zich van Spanje tot India. Er ontstond een hoogwaardige cultuur met het Arabisch als voertaal.

Een nieuwe godsdienst

De islam is volgens Arabische geschriften gesticht door Mohammed, die in 610 van Allah opdracht had gekregen om zijn profeet te worden. Tot zijn dood in 632 zou de engel Gabriël aan Mohammed verschijnen, die hem verzen van Allah doorgaf. Mohammeds volgelingen schreven die later op in de Koran.

Ook de  islam gaat uit van het monotheïsme, net als het jodendom en christendom. Ook de islam wilde de godsdienst verspreiden en de wereld bekeren. De moslims noemen de uitbreiding van de islam de Jihad. Mohammed was naast geestelijk ook wereldlijk leider. Hij werd in 622 verdreven uit Mekka, kreeg de macht in de stadstaat Medina en vanuit Medina veroverde Mohammed Mekka en het halve Arabische schiereiland. Na zijn dood kwam er een nieuwe leider, kalief genoemd. Opeen volgende kaliefen veroverden het Perzische rjk waardoor de islam de godsdienst werd in Iran en Irak. Op het Byzantijns rijk werden Syrië, Palestina en Egypte veroverd.

Soennieten en sjiieten

Rond 1650 viel de expansie stil door een onderlinge oorlog. Na de dood van Mohammeds neef en schoonzoon Ali kwamen de Omayyaden aan de macht aan de macht. Zij richtten in Damascus een dynastie op waarbij de titel kalief overging van vader op zoon. De Sjiieten (volgelingen van Ali) kwamen daartegen in opstand. Zij vonden dat de macht in handen moest blijven van de nakomelingen van Ali. De Soennieten echter steunden de Omayyaden. De sjiieten zijn altijd de grootste minderheid in de islam gebleven. Ze hebben andere tradities, gewoonten en feesten.

 De islam in Europa

verbreiding van de islam

Het waren de Omayyieden die de islam vanuit Noord-Afrika naar Europa verspreidden tot ze in 732 door de Franken werden teruggeslagen. Het Arabisch-islamitische rijk viel uiteen in vele staten en staatjes, bestuurd door vorsten die zich sultan of emir noemden. 

De islamitische wereld bleef cultureel en economisch een eenheid. De moslims in Spanje en Portugal werden Moren genoemd. Vanaf de 11 e eeuw veroverden Turkse moslims geleidelijk de resten van het Byzantische rijk. Op het Ibrisch schiereiland voltooiden de christelijke vorsten in 1492 de Reconquista (herovering) met de inname van Granada in Zuid Spanje.

Culturele bloei

De Arabieren waren tolerant en stonden joden en christenen toe hun godsdienst te belijden, als men Mohammed maar niet beledigde. Joden en christenen moesten wel meer belasting betalen. 

De islamitische wereld had een landbouwstedelijke beschaving met het Arabisch als voertaal. De Arabieren maakten gebruik van de Perzische  en Grieks-Romeinse cultuur en lieten filosofische, wetenschappelijke en literaire werken in het Arabisch vertalen. En bouwkundige tradities voegden ze samen met nieuwe architectuur nog te zien door de moskeeën, paleizen en andere bouwwerken. Er ontstonden prachtige steden als Damascus, Bagdad en Caïro.

Paragraaf 3.2 Hofstelsel en horigheid

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de ontwikkeling in West-Europa van landbouwstedelijke - naar landbouwsamenleving

Hoofdzaken in deze paragraaf

* de ontwikkeling van landbouwstedelijke naar landbouwsamenleving

* de ontwikkeling van horigheid en hofstelsel

 In vergelijking met de Arabische wereld maakte Europa in de vroege middeleeuwen een armzalige indruk. De verminderde bevolking leefde op het platteland. Er was weinig handel en nijverheid.

Het verval van de steden

Door de ondergang van het Romeinse rijk vervielen veel steden. De West- Europese samenleving was tussen 500- en 1000 vrijwel volledig agrarisch. De plattelandsgemeenschappen waren grotendeels autarkisch (zelfvoorzienend). De infrastructuur was verdwenen en grote delen van Europa waren ontvolkt en overwoekerd door de natuur. Als er al gehandeld werd was het ruilhandel. Het was een armoedig bestaan en daarbij werden de boeren onderdrukt door de adellijke heren van wie ze afhankelijk waren.

Horigen

In de derde en vierde eeuw daalde de agrarische productie sterk. Om te voorkomen dat de productie verder daalde, verboden de keizers boeren hun land te verlaten. Omdat de overheid steeds verder verzwakte vroegen boeren bescherming bij heren die legertjes op de been konden brengen. In ruil daarvoor gingen ze allerlei verplichtingen aan. Zo ontstond in de nadagen van het Romeinse rijk de horigheid. Vrije boeren en slaven gingen op in een nieuwe klasse van halfvrije horigen. Horigen mochten hun land niet zonder toestemming verlaten.

 Hofstelsel

In het hofstelsel woonden horige boeren op een domein van een heer of klooster. Het domein was in tweeën gedeeld. Het ene deel, het vroonland, was van de heer of het klooster, het was onderverdeeld in akkers weiden en woeste gronden. Het andere deel was van de boeren. Zij hadden een hoeve en mochten de omliggende bossen en woeste gronden gebruiken. Daar stonden herendiensten tegenover. Dat hield in dat de boeren enkele dagen op het land van de heer moesten werken, of diensten leveren. Ook moesten ze producten van hun land leveren. Er waren tussen de domeinen grote verschillen. Koningen, edelen en kloosters hadden soms tientallen domeinen. Die domeinen werden bestuurd door hofmeiers of rentmeesters. Niet alle boeren woonden op een domein. In Noord-Nederland leefden ze vaak in dorpjes, verrichtten geen herendiensten maar betaalden de heer in natura. 

 Paragraaf 3.3 Het feodale stelsel

boeren aan het werk

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: feodale verhoudingen in het bestuur

Hoofdzaken in deze paragraaf

* de ontwikkeling van het feodale stelsel

* de ontwikkeling van het ridderschap

Karel de Grote (768-814) werd gezien als opvolger van de Romeinse keizers, maar er kwam een totaal ander bestuurssysteem: het feodale stelsel.

Het Romeinse bestuur verdwijnt

Karel vaardigde wetten uit die in zijn hele rijk werden nageleefd. Het geordende bestuur uit de Romeinse tijd was verdwenen. Slechts weinigen konden schrijven en er was bijna geen geld in omloop waardoor er geen belasting kon worden geheven. 

Het Frankenrijk

Rond 500 waren in heel West-Europa Germaanse koningen aan de macht. Een van hen was Clovis, die een gebiedje bestuurde in het zuiden van België. Door veroveringen breidde hij zijn gebied uit. Toen hij in 511 stierf behoorde het grootste deel van het vroegere Gallië tot het Frankische Rijk. Na Clovis dood werd het rijk verdeeld onder zijn vier zonen waardoor opnieuw oorlog uitbrak. In de 8e eeuw kreeg Karel Martel het rijk in handen en het was zijn kleinzoon Karel de Grote die er in slaagde het rijk steeds verder uit te breiden in Europa met onder meer Noord-Nederland, Duitsland en Noord-Italië. In 800 werd Karel de Grote in Rome tot keizer gekroond, maar zijn bestuur leek niet op het bestuur van het Romeinse rijk. 

kroning karel de grote

 Het feodale stelsel

Koningen waren afhankelijk van lagere heren die met hun meevochten. Deze edelen werden door de koning beloond met grond en buit. De koningen probeerden de adel aan zich te binden door een eed van wederzijdse trouw. Zo ontstond een nieuw bestuurssysteem leenstelsel of feodalisme. De koning gaf een gebied of ambt in leen aan een vazal of leenman en beloofde hem te beschermen. In ruil bleef de vazal zijn leenheer een leven lang trouw. 

weu 890

Karel de Grote verdeelde zijn rijk in graafschappen en hertogdommen waarin de vazallen namens hem recht spraken en bestuurden. Maar leenmannen waren moeilijk te controleren en gingen zich steeds meer als zelfstandige machthebbers gedragen en de lenen beschouwen als erfelijk. Het gevolg was dat rond het jaar 1000 kleinere kasteelheren onbeperkte macht hadden. Het Frankische rijk was in twee koninkrijken uiteen gevallen: Duitsland en Frankrijk. Vooral de Franse koning had weinig te vertellen.

 Ridders

Karel de Grote bracht ruiterlegers op de been. Deze waren in de 8e eeuw superieur aan het voetvolk. Deze ridders kregen betere lansen en zwaarden en droegen een maliënkolder (een gevechtstenue bestaande uit ijzeren ringetjes). Maar dankzij de stijgbeugel zaten ze vaster op het paard. Maar alleen rijke heren konden dat betalen. Zo vormden kasteelheren ridderlegertjes. Op den duur ontstonden zo adellijke ridderschappen. Ze moesten ridderlijke waarden laten zien als moed, eerlijkheid, trouw en kameraadschap. 

 Paragraaf 3.4 Christendom in Europa

verbreiding christendom

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de verspreiding van het christendom in Europa

Hoofdzaken in deze paragraaf

* de ontwikkeling van de roomse kerk

* de ontwikkeling van het monnikenwezen 

* de kerstening van Europa

* de samenvoeging van christelijke en Germaanse gebruiken

Na het splitsing van het Romeinse rijk ontstond in het westen de rooms-katholieke kerk onder leiding van de paus. Bijna heel Europa werd gekerstend met behulp van monniken en vorsten

De roomse en Byzantijnse kerk

Vanuit Rome (de Paus) werden bisschoppen benoemd die leiding gaven aan een bisdom. Elke bisschop benoemde lagere geestelijken. In het Oost-Romeinse rijk ontstond de Byzantijnse of Grieks-orthodoxe kerk die vanuit Constantinopel werd geleid door de keizer. Maar de pauzen vonden dat keizers en koningen alleen wereldlijke macht mochten uitoefenen en dat de pausen de geestelijke macht van Christus hadden gekregen. Dit wordt de tweezwaardenleer genoemd. Mede hierdoor ontstond een kerkelijke scheuring (schisma) tussen de orthodoxe kerk en de rooms-katholieke kerk. 

Monniken

Al vanaf de derde eeuw waren er mannen en vrouwen die zich van de wereld afzonderden. Ze noemden zich monniken en nonnen. Ze woonden in een klooster. Aan het hoofd van zo'n klooster stond een abt. Ze brachten de dag biddend en werkend door.

De bekering van Clovis

 Door de invasies van de Germaanse stammen in West-Europa en de aanvallen van de Angelen en Saksen in Groot-Brittannië kwam het christendom in het gedrang. Maar vanaf 450 werd Europa vanuit Ierland gekerstend. Een keerpunt vormde echter de bekering van Clovis tot het christendom. Zijn volgelingen deden dat ook.

Missionarissen

Het waren de Ierse monniken die het geloof terugbrachten naar Brittannië en van daaruit naar Europa. De Angelsaksische monnik Willibrord bekeerde zo de Friezen en Bonifacius deed dat in Duitsland. Maar er was verzet tegen.Pas onder Karel de Grote werden ze definitief bekeerd. 

De kerstening van Noord- en Oost-Europa

Na de dood van Karel kwam door invallende volkeren uit Scandinavië en Oost-Europa de kerstening weer in het gedrang. Maar toen rond 1000 Hongaarse, Poolse en Scandinavische koningen zich bekeerden kwam daar een einde aan. In het oosten werd Rusland tot het Byzantijnse christendom bekeerd.

Wederzijdse beïnvloeding

 Om de heidenen makkelijker te bekeren namen de christenen allerlei heidense gebruiken over. Keizer Constantijn liet Christus geboorte op 25 december vieren(de geboortedag van de zon) en later gingen christenen het feest van de opstanding na de dood (Pasen) vieren op de dag van het Germaanse lentefeest. Heidense goden leefden voort in christelijke heiligen, zoals Maria, de moeder van Jezus, die allerlei vruchtbaarheidsgodinnen verving. Ook het gebruik om overblijfselen van heiligen als relikwieën te vereren had een heidense afkomst. 

Zie verder hoofdstuk 4 Havo Hoofdstuk 4 De tijd van steden en staten