We hebben 116 gasten online

Havo Hoofdstuk 4 De tijd van steden en staten

Gepost in 2e fase havo

De hanzesteden

Na het jaar 1000 ontstond in west-Europa weer een landbouwstedelijke samenleving. Vorsten maakten een begin met de vorming van staten. De invloed van het christelijk geloof was groot en leidde onder meer tot de kruistochten naar Palestina

 

tijdvak 4

De Hamburgse haven

 Deze was in de 14e en 15e eeuw uitgegroeid tot een van de grootste handelscentra van Noordwest-Europa. Geen koning had daar iets te zeggen. Voordeel van Hamburg was de ligging op een punt waar de rivier de Elbe breed genoeg was voor zeeschepen. In de 12e eeuw was het een logische tussenstop tussen het Noord- en Oostzeegebied. Schepen konden toen nog niet om Denemarken heen varen. Men bracht de goederen over land naar Lübeck waar ze weer in een schip geladen werden. 

Scheepsladingen

Door de ontwikkeling van een nieuw zeilschip, de Kogge, in de 13e eeuw nam de handel verder toe en de Hamburgers haalden veel goederen rond de Oostzee en brachten die naar Engeland, Frankrijk, de Nederlanden en het Duitse Rijngebied. De stad zelf maakte bier dat men ook uitvoerde.

Duitse Hanze

hanzesteden

Om sterker te staan gingen kooplieden samenwerken en richtten halverwege de 14 e eeuw de Duitse Hanze op. De Nederlandse steden Deventer en Kampen sloten zich daarbij aan. Hamburg en Lübeck waren echter de grote steden. De Hanze zorgde voor:

* bescherming van de handelsbelangen

* bescherming van de ladingen door soldaten

* een oorlogsvloot tegen de Deense koning Waldemar IV die tol wilde heffen voor de doorvaart door de Sont. In 1370 werd hij verslagen. 

De tijd van steden en staten

De Hanze ontstond als een club van handelaren , maar werd in de 15 e eeuw een verband van steden. Het bestuur in die steden lag ook in de handen van de kooplui en niet bij de adel en de kerk. Maar de koningen kregen door de heffing van belastingen steeds meer macht.

Paragraaf 4.1 De opkomst van de steden

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: opkomst van handel en ambacht en herleving van de stedelijke samenleving.

Hoofdzaken in deze paragraaf

* de opkomst van handel en ambachten

* de herleving van de landbouwstedelijke samenleving

Na het jaar 1000, als de landbouw meer gaat opleveren, ontstaat er weer een landbouwstedelijke samenleving. Daar leefden handelaren en ambachtslieden.

Dordrecht

Dordrecht was rond 1200 ontstaan bij de monding van de grote Nederlandse rivieren, dat voordelig was voor de handel met Engeland en het Duitse rijk. Dordrecht was twee eeuwen lang de belangrijkste Hollandse stad. Maar in 1421 werd Dordrecht en het achterland getroffen door de Sint-Elisabetsvloed waardoor Dordrecht op een eiland kwam te liggen. Delft en Leiden werden nu belangrijk.

 De middeleeuwse stad

Holland kreeg pas later steden in vergelijking met West-Europa, waar al vanaf 1000 steden ontstonden. Die steden waren echter maar klein, ongeveer 4 000 inwoners. Parijs had zo'n 100 000 inwoners. Ze ontstonden vaak aan rivieren of riviermondingen aan zee. Middeleeuwse steden hadden geen rechte straten, maar bestonden uit een wirwar van kronkelige straten en nauwe steegjes met dicht opeengepakte houten huisjes. Ze waren omgeven met stadsmuren, stadswallen en stadspoorten en hadden kerken waarvan de torens herkenbaar waren. 

maastricht small

 Boeren, handelaren en ambachtslieden

Waardoor konden er weer steden ontstaan?

* Rond 1000 was er een eind gekomen aan de invasies van agressieve volkeren.

* de Europese bevolking verdubbelde tussen 1000 en 1300.

* onbewoonbaar moerasgebied werd veranderd in vruchtbaar polderland. 

* dijken werden gebouwd om het zeewater buiten te houden en sloten om water af te voeren.

* Landbouwmethoden werden verbeterd. Het drieslagstelsel verving het tweeslagstelsel.

* in de landbouw vond specialisatie plaats.

* overschotten werden op markten verkocht.

* omdat er genoeg voedsel was konden mensen in de steden zich specialiseren in ambachten.

Een geldeconomie

De welvaart nam toe naarmate de steden groeiden. Steden specialiseerden zich. De meest verstedelijkte regio's waren Noord-Italië en Vlaanderen. Tussen alle steden nam de handel toe.  Een belangrijke plaats nam ook de Hanze in. Door de toenemende handel ontstond er weer een geldeconomie. Rijke handelaren ontwikkelden zich tot bankiers. Deze bedachten ook nieuwe betaalmethoden. Handelaren konden geld inleveren bij de bank. Ze kregen dan een wisselbrief, waarmee ze in een andere stad dat geld konden opnemen. Met de giro konden ze geld overmaken op een andere rekening. Ze hoefden daarvoor dus geen contant geld mee te nemen.

Paragraaf 4.2 De stedelijke burgerij 

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: opkomst van de stedelijke burgerij en toenemende zelfstandigheid van steden.

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de opkomst van de stedelijke burgerij

* de toenemende zelfstandigheid van steden

De burgers van de middeleeuwse steden bestuurden zichzelf volgens eigen recht en wetten. Door hun rijkdom en vrijheid hadden steden een grote aantrekkingskracht.

De ongezonde stad

Omdat er in de steden geen riolering of waterleiding was en geen vuil werd opgehaald was het leven er ongezond. De steden konden alleen groeien doordat mensen van het platteland naar de stad verhuisden. Dat kwam vooral doordat ze daar meer vrijheid hadden en meer kansen.

Stadsrechten

De adel had steden stadsrechten gegeven zoals eigen bestuur, eigen wetten, het recht om tol te heffen en het recht om stadsmuren te bouwen. In ruil voor die privileges betaalden de steden belastingen. Via de baljuw oefende de heer enge invloed uit, omdat de baljuw namens hem de stadsrechtbank voorzat. Door de verkoop van stadsrechten profiteerden de heren van de groeiende geldeconomie, maar daadoor maakten ze zich wel afhankelijk van de steden. De adel in zijn geheel verloor macht. 

Op het platteland echter verdween de horigheid en werd omgezet in geldbetalingen. Toch hield hier de adel meer zeggenschap dan in de steden.

Burgers en gilden

Alleen stadsburgers hadden rechten die meer dan een jaar en een dag in een stad woonden en het burgerrecht gekocht hadden. Niet iedereen kon dat betalen. Geestelijken waren geen burgers omdat zij onder het kerkelijke recht vielen. 

Burgers die wel stadsrecht hadden werden beschermd door het stadsrecht en mochten zich verdedigen voor de stedelijke rechtbank. Daarnaast konden ze lid worden van de schutterij, die zorgde voor veiligheid in de stad. Alleen burgers konden lid worden van een gilde. Een gilde bestond uit vakmensen die hetzelfde beroep uitoefenden. De gilden zorgden voor de leden, stelde eisen aan de producten en opleidingen. De rijke kooplieden vormden een kleine groep maar maakten wel de dienst uit. Zij leverden de schepenen(leden van het stadsbestuur en de stadsrechtbank) en deze ambten werden erfelijk.

Weerbare steden

Steden werden omringd met stadsomwallingen, versterkte poorten en ophaalbruggen en waren duidelijk afgescheiden van het platteland. Een stad moest zich kunnen verdedigen tegen aanvallers van welke kant dan ook.

Paragraaf 4.3 Staatsvorming en centralisatie

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: het begin van staatsvorming en centralisatie

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de vorming van staten in West-Europa

* het begin van centralisatie in staten

In de tijd van steden en staten vergrootten de koningen van Engeland en Frankrijk de vorming van een centraal bestuurde staat. De Duitse keizer slaagde daar niet in. De Bourgondiërs brachten n de Nederlanden voor het eerst een zekere eenheid.

Frankrijk

De Franse koningen hadden in de 11e eeuw eigenlijk alleen macht in Parijs en omgeving. Maar dat veranderde.

frankrijk 1176

Vanaf 1337 voerden zij oorlog tegen de Engelse koning. In een Honderdjarige Oorlog verloor uiteindelijk de Engelse koning zijn bezittingen in Frankrijk. Rond 1500 had de Franse koning tienduizenden soldaten en ambtenaren in dienst. Om dit te kunnen betalen maakte de koning wetten en belastingen die golden voor het hele land en bestuurde het land vanuit Parijs. Er was een proces van centralisatie en staatsvorming op gang gekomen.  Hoe was dat in andere delen van Europa?

laatste fase 100e jarige oorlog

Duitsland en Engeland

Van centralisatie kwam er in Duitsland weinig terecht. Een van de oorzaken was dat het koningschap niet erfelijk was. De machtige edelen en geestelijken - de keurvorsten - kozen de koning. De koning bleef daardoor van hen afhankelijk en hertogen en graven bleven baas in eigen gebieden. 

Na de verovering van Engeland door de Normandische koning Willem de Veroveraar in 1066, gaf deze groter delen in leen aan Normandische edelen, maar hield ze wel onder controle. Er werden wetten opgesteld  en regels voor belastingen en de rechtsspraak die voor heel het land golden. Engeland was de best georganiseerde Europese staat voor de middeleeuwen.

De Nederlanden

lorraine

Het grootste deel van de Nederlanden behoorde tot het Duitse rijk.  Rond 1430 kwamen de meeste Nederlanden voor het eerst onder één vorst: Filips van Bourgondië.(Filips de Goede) Hij had Bourgondië en Vlaanderen geërfd, en verwierf Brabant, Holland en Zeeland. Hij begon met het instellen van een centraal bestuur te Brussel.

unification

 Zijn zoon Karel de Stoute veroverde ook nog Gelderland en zette een centrale rechtbank op. Na diens dood trouwde zijn dochter met Maximiliaan van Habsburg waardoor de meeste Nederlanden onder het Habsburgse rijk vielen.

Vorst en volk

Ondanks de centralisatie betaalden de burgers niet zomaar hun belastingen. Al in 1215 dwongen de edelen de Engelse koning Jan zonder land een document te tekenen, de Magna Carta, waarin daarover regels werden afgesproken. Voor belastingen moest hij voortaan toestemming vragen. Later ontstond een parlement waarin de drie standen: adel, geestelijkheid en burgerij waren vertegenwoordigd. Ook Frankrijk kreeg zo'n vergadering: de Staten-Generaal.

 In 1464 riep Filips de Goede de eerste Nederlandse Staten-Generaal bijeen. Geleidelijk ontstond zoiets als een nationaal gevoel.

Paragraaf 4.4 Kerk en staat

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: het conflict tussen de wereldlijke en geestelijke macht.

Hoofdzaken in deze paragraaf

* de positie van de kerk in de samenleving

* het verloop van de Investituurstrijd

De paus ging er tot de 14 e eeuw ervan uit dat koningen en keizers aan hem ondergeschikt waren. Vanaf 1075 voerde de paus met de Duitse keizer een strijd wie de bisschoppen mocht benoemen. De paus won maar kon zijn wil niet opleggen aan de Franse koning.

Overval op de paus

Franse militairen vielen het paleis van de paus binnen (1303) en eisten dat hij aftrad. Deze weigerde, maar was overstuur en stierf drie dagen later. 

Geestelijke en wereldlijke macht

Al eeuwen ruzieden de paus met koningen en keizers over de vraag wie het hoogste gezag, het primaat had. Er waren twee machten de geesteljke en wereldlijke macht. Maar in 1075 stelde paus Gregorius VII dat de paus als vertegenwoordiger van Christus op aarde boven de wereldlijke heersers stond. 

De Investituurstrijd

Vanouds waren het leken geweest die bepaalden wie er bisschop werd. Volgens Gregorius VII moesten leken zich niet met de kerk bemoeien. In Duitsland benoemden de Duitse keizers de bisschoppen zodat deze van hen afhankelijk waren. Gregorius was daar tegen. Er ontstond in 1075 een strijd omdat Keizer Hendrik IV zijn eigen bisschop van Milaan benoemde. Tot ongenoegen van de paus die hem in de ban deed. De keizer probeerde zich met de paus te verzoenen in Canassa. Maar daarna laaide de Investituurstrijd weer op. Uiteindelijk gaf de keizer in 1122 toe. Bisschoppen bleven wereldlijke heersers in het Duitse rijk, maar de keizer had niets meer over hen te zeggen. 

 Pausen en koningen

Ook met de Franse koning ontstond onenigheid. Oorzaken waren de benoeming van de bisschoppen en men eiste geld van de kerk, maar de pausen verzetten zich hiertegen. Ook hier wilde de paus niet wijken en eiste dat koningen ook in politieke zaken moesten gehoorzamen. De Franse koning liet de paus overvallen en gevangen nemen. Na de dood van paus Bonifacius VIII in 1303 was duidelijk dat aan de wereldlijke macht van de koning niet mocht worden getornd. 

holy roman empire 1350

De Inquisitie

De paus bleef de hoogste geestelijke machthebber. Hij bepaalde wat het juiste geloof was. Wie daarvan afweek was een ketter. Om ketterij uit te roeien richtte de paus in de 12 e eeuw een speciale rechtbank op: de inquisitie. Monniken waren hier zowel aanklager als rechter tegelijk. Om bekentenissen af te dwingen maakte men gebruik van marteling. Wie zich niet onderwierp werd veroordeeld tot de brandstapel. Later ging de inquisitie ook heksen vervolgen. Dat betekende dat iedereen die een beetje onaangepast gedrag vertoonde het slachtoffer kon worden.

Paragraaf 4.5 Christelijk Europa en de buitenwereld

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de expansie van de christelijke wereld

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de christelijke expansie buiten Europa

* de christelijke expansie binnen Europa

In 1099 leidde de eerste kruistocht tot de verovering van Jeruzalem. Christelijke ridders veroverden daarna ook nog het Iberisch schiereiland en grote gebieden in Oost-Europa. Ook de handel profiteerde ervan.

 De oproep van de paus

In 1095 deed Paus Urbanus II een beroep op alle christenen om de islamitische Turken te verslaan en Jeruzalem weer in te nemen. Deelnemers aan de 'heilige oorlog' konden een plaats in de hemel verdienen. Maar Jeruzalem was al vier eeuwen in bezit van de moslims. Waarom moest de stad dan ineens worden heroverd?

Het was de Byzantijnse keizer die de paus om hulp had gevraagd  en de paus wilde dat wel doen in de hoop weer macht te krijgen n het oosten.

Kruistochten

de kruistochten

De eerste kruistocht werd een militair succes en in 1099 werd Jeruzalem ingenomen. Er volgde een bloedbad: een groot deel van de joden en moslims in de stad werd vermoord. Die veroveringen waren mogelijk door de verdeeldheid onder de moslims. Sjieten en Soennieten voerden onderling strijd. De kruisvaarders stichtten staatjes die echter door de soenniet Saladin in 1187 werden ingenomen. Er volgden opnieuw een aantal  kruistochten maar geleidelijk werden de kruisridders uit het Midden-Oosten verdreven. In 1291 viel Akko, de laatset kruisvaarderstad.

 Overal expansie 

Christelijk Europa was op veel meer gebieden bezig met een expansie: 

* Boeren trokken steeds verder naar het oosten om woeste gronden te ontginnen.

* Scandinavië en Oost-Europa waren tot het christendom overgegaan.

* Op het Iberisch schiereiland wonnen de christenen steeds meer terrein op de moslims. In 1492 werd deze reconquista voltooid toen de christenen Granada, de laatste moslimstaat in Spanje, veroverden.

* het middellandse zeegebied werd steeds meer een handelsgebied voor steden als Venetië, Pisa en Genua die een latere basis legden voor Europese expansie. 

Naar Azië 

In de 13 e eeuw drongen de Italiaanse handelaren diep door in Azië. Marco Polo reisde van Venetië naar China in zijn kielzog kwamen christelijke handelaren en missionarissen mee.

 

 

 Zie verder hoofdstuk 5 Havo Hoofdstuk 5 De tijd van de ontdekkers en de hervormers