We hebben 107 gasten online

Havo Hoofdstuk 8 De tijd van burgers en stoommachines

Gepost in 2e fase havo

Willem II spotprent klein

In de 19 e eeuw maakte de landbouwstedelijke samenleving in Europa  en de VS plaats voor een stedelijke samenleving. Europese mogendheden gingen de wereld overheersen. De Europese samenlevingen democratiseerden. Politieke stromingen als het liberalisme, socialisme en nationalisme ontstonden.

 

Manchester, 1835

De Franse reiziger Alexis de Tocqueville bezocht in 1835 Manchester en beschreef de smerigheid van deze fabrieksstad. Hij was geschokt door de kommervolle omstandigheden waarin mensen woonden en hun werk moesten doen.

Verandering en vernieuwing

Manchester was echter de meest besproken stad ter wereld: symbool van vooruitgang en hel op aarde tegelijkertijd. Het was de eerste industriestad en hier was de industriële revolutie begonnen. Denkers en schrijvers uit de hele wereld trokken er heen omdat hier de toekomst te zien was. Eeuwenlang had in Europa een grote meerderheid van de bevolking in de landbouw gewerkt. Door de industriële revolutie verloor het platteland zijn overheersende positie. Steden groeiden en de totale Britse bevolking verviervoudigde van 10 tot 40 miljoen. De Nederlandse bevolking groeide van 2 tot 5 miljoen. 

 

Liverpool

Manchester

1700

6.000

8.000

1750

22.000

18.000

1800

83.000

84.000

1850

376.000

303.000

 

 

 

 Burgerlijke cultuur

De economische ontwikkeling leidde ook tot sociale veranderingen. Velen leefden in armoede en tegenstellingen tussen arm en rijk namen toe, maar toch gingen steeds meer mensen delen in de groeiende welvaart. De macht van de adel nam af en van de rijke burgerij nam toe, waardoor de burgerlijke cultuur overheersend werd. De 19 e- eewse  burgerij bestond uit handelaren, fabrikanten, winkeliers en zelfstandige ambachtslieden, ingenieurs, bankmedewerkers, kantoorpersoneel en andere 'witte boorden' uit het bedrijfsleven en de zogenaamde vrije beroepen. 

Hoewel verschillend hadden ze gemeenschappelijke normen en waarden, waarbij zelfbeheersing voorop stond vooral op seksueel gebied. De burgerij was ook optimistisch. Velen geloofden dat iedereen (vooral mannen) succes konden hebben. Vrouwen dienden te zorgen voor een veilige thuishaven.

Europese macht

Onder invloed van de sociale en economische veranderingen ontstonden politieke stromingen zoals het liberalisme en socialisme. Het werd de eeuw van de democratisering: de macht van de via censuskiesrecht gekozen parlementen nam toe en steeds meer mensen kregen kiesrecht. Daarnaast zette het feminisme zich in voor meer rechten voor vrouwen, en nam het Europese nationalisme toe. Er ontstond hevige concurrentie tussen de industrielanden, die hun macht wilden uitbreiden over de hele wereld door middel van koloniën. 

tijdvak 8

Paragraaf 8.1 De industriële revolutie

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de industriële revolutie

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* het verloop van de industriële revolutie

* het verloop van de landbouw- en transportrevolutie

* het ontstaan van de industriële samenleving

 In Engeland begon de industriële revolutie in de 2e helft van de 18e eeuw. Zo ontstond er een industriële samenleving waarin meer dan de helft van de bevolking in de steden woonde. 

Het leger van generaal Ludd

Niet iedereen was voorstander van de industriële revolutie. Zo voerden leden van de zogenaamde Ludd's Army acties uit, overvielen fabrieken en vernielden weefmachines. De overheid moest soldaten sturen om de vernielingen te laten stoppen. Maar het geweld verspreidde zich naar andere plaatsen. Ook braken er in steden hongeropstanden uit. Een groot aantal daders werd opgepakt en tientallen van hen opgehangen of naar Australië gedeporteerd. Daardoor ging het 'luddisme' als een nachtkaars uit.

Een trage revolutie

Het waren vooral de wevers die protesteerden tegen de verdwijning van hun traditionele handwerk. Ze waren werkloos geworden of moesten genegen nemen met een lager inkomen, waardoor ze armoede en zelfs honger leden. In de industrie maakten handwerktuigen plaats voor machines, die werden aangedreven door stoom en later gas of elektriciteit. Er kwam een voortdurende technologische vooruitgang op gang waarbij de productie werd gemechaniseerd. Vanuit Engeland verbreidde de industrialisatie zich geleidelijk over de wereld. 

Engeand komt op stoom

De industrialisatie begon met simpele uitvindingen in de textielnijverheid, maar groeide steeds verder uit doordat men stoommachines ging toepassen, die bij elkaar werden gezet in fabrieken. Daardoor kwam de machine-industrie, de ijzerindustrie en de steenkolenwinning tot grote bloei. De arbeidsproductiviteit nam toe. In 1825 kon een arbeider per uur 350 keer zoveel katoendraad maken als in 1750. Het gebruik van katoen werd steeds groter.

Landbouw- en transportrevolutie

Waarom begon de industriële revolutie juist in Groot-Brittannië ?

1) In Groot-Brittannië waren er rijke ondernemers die winst wilden maken, staken geld in machines en namen grote aantallen arbeiders in loondienst. Het kapitalisme breidde zich zo uit van de handel naar de industrie. 

2) Ze probeerden voortdurend concurrerend te werken en betere producten te maken.

3) Door de agrarische revolutie konden steeds meer mensen worden gevoed, waardoor arbeidskrachten beschikbaar kwamen voor de industrie. 

4) Door de transportrevolutie. In Engeland liet men kanalen graven waardoor een netwerk van waterwegen ontstond  waaraan fabrieken werden gebouwd, die over de kanalen de benodigde goederen konden aan- of afvoeren.

5) De komst van de stoommachine maakte ook de stoomlocomotief mogelijk. Hierdoor ontstond er in Groot-Brittannië een dicht spoorwegennet dat alle belangrijke steden verbond.

Eerste Industriële Revolutie Tweede Industriële Revolutie
Technische verbeteringen en uitvindingen afkomstig van hobbyisten. Innovaties vonden plaats op wetenschappelijke basis.
Steenkool was de belangrijkste energiebron. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden aardolie en elektriciteit de nieuwe energiebronnen.
Economie gebaseerd op de productie van kapitaalgoederen (machines, spoorwegen) Economie gebaseerd op de productie van consumptiegoederen. Nieuwe industrie maakte massaproductie mogelijk.
Mogelijkheid kopen van basisproducten. Geleidelijke verhoging levensstandaard waardoor men ook goederen kon kopen boven de basisbehoeften

Tweede industriële revolutie

Vanaf 1850 verspreidde de industriële revolutie zich naar andere Europese landen, zoals Duitsland, België en later Nederland. Tegelijkertijd kwamen er ook ander industrieën op zoals de staalindustrie, de chemische industrie en de technologische industrie. Vooral na 1890 gingen de ontwikkelingen snel. De komst van elektriciteit leidde tot een ware lichtrevolutie. De voedselproductie nam sterk toe door de toepassing van kunstmest. Er ontstond een aparte voedingsmiddelenindustrie, die nieuwe producten als blikvoedsel en margarine voortbrachten.

Laboratoria

Grote bedrijven gingen nu in laboratoria werken aan steeds betere producten. Ook de transportrevolutie ging verder door. Spoorwegen werden uitgebreid. Er werden bruggen gebouwd en het stoomschip verving het zeilschip. Uitvindingen als de auto en de fiets en de komst van het vliegtuig hadden daar invloed op.

De industriële samenleving

Het was de grootste verandering sinds de landbouwrevolutie. De bevolking groeide in een nog nooit vertoond tempo en een steeds groter deel van de bevolking werkte in de industrie-of dienstensector. In 1850 werkte nog maar 20 procent van de Britten in de landbouw en woonde meer dan de helft in de stad. Steden werden steeds groter door de sloop van stadsmuren en nieuwe steden ontstonden.

Paragraaf 8.2 Politiek-maatschappelijke stromingen

europa 1815

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme en socialisme.

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de staatkundige indeling van Europa vanaf 1815

* ontwikkeling en invloed van het liberalisme, nationalisme, socialisme en conservatisme.

* het ontstaan van de Duitse eenheid.

Vanaf 1815 ontstonden er politiek stromingen als het liberalisme, nationalisme en socialisme, die zich verzetten tegen de conservatieve monarchieën. De burgerij en de arbeidende klasse kregen steeds meer invloed.

Het Congres van Wenen

In 1815 kwamen de overwinnaars van Frankrijk in Wenen bij elkaar om een nieuw machtsevenwicht in Europa te creëren. De oude machthebbers kwamen weer op de troon, zodat we ook spreken over restauratie. Bijna alle oude voorrechten van adel en kerk werden weer hersteld en de burgerrechten beperkt. Frankrijk werd weer een monarchie en Nederland ook. De zuidelijke Nederlanden (nu België)werd bij Nederland gevoegd om zo Frankrijk beter in toom te kunnen houden. Duitsland ging bestaan uit twee grote mogendheden: in het noorden Pruisen (dat kreeg er in het westen gebieden bij om Frankrijk beter in toom te kunnen houden) en in het zuiden het Habsburgse keizerrijk (Oostenrijk) waar het noorden van Italië aan werd toegevoegd. Italië werd verdeeld tussen koningen, hertogen en de paus. 

Italië

Liberalisme en nationalisme

De eerste politieke stroming die na 1815 ontstond was het liberalisme. De liberale ideeën kwamen uit de verlichting en de democratische revoluties. Kenmerken ervan waren:

1) een grondwet die de macht van de koning beperkte en de burgerrechten garandeerde.

2) de regering moest ondergeschikt zijn aan een gekozen volksvertegenwoordiging.

3) de wet dient voor iedereen gelijk te zijn.

4) adel en kerk mochten geen voorrechten hebben.

5) de vrijheid van het individu stond voorop.

6) ook moest er economische vrijheid zijn waarbij de overheid zich niet met de economie moest bemoeien.

Ook het nationalisme keerde zich tegen de bestaande orde. Nationalisme en liberalisme waren aan elkaar verwant. In de 18e eeuw ontstond tijdens de democratische revoluties het idee dat alle leden van een volk door taal, geschiedenis en cultuur met elkaar verbonden waren. Daarom moesten ze volgens nationalisten verenigd zijn in een onafhankelijke staat. Maar het Congres van Wenen hield daar geen rekening mee. Vooral de Duitsers en Italianen werden er door gefrustreerd.

Socialisme en conservatisme

Het socialisme was een beweging van de arbeiders. Socialistische ideeën kwamen voort uit de verlichting en de democratische revoluties. Het ging de socialisten om gelijkheid. Ze kamen op voor de onderdrukten  en bestreden verschillen in macht en inkomen. 

Tegenover liberalisme, nationalisme en socialisme stond het conservatisme, dat de gevestigde orde wilde handhaven. Menselijke instincten mochten geen vrij spel krijgen want dan ontstond er chaos. Volens de conservatieven was het belangrijk vast te houden aan historisch gegroeide instellingen. 

 Volksopstanden in Europa

Het verzet tegen de autoritaire monarchieën nam geleidelijk toe en de onderdrukte ideeën uit de democratische revoluties kregen weer steeds meer aanhang. In 1830 leidde een opstand in Parijs tot een koningshuis dat meer oog had voor de burgerij. Maar ook in Brussel en Luik braken opstanden uit die uiteindelijk ertoe zouden leidden dat de Zuidelijke Nederlanden zich weer van Nederland afscheiden.

nederland 1830

In 1848 brak er in Parijs een bloedige opstand uit. Die opstand verspreidde zich over Europa naar Wenen, Berlijn en andere steden. Er werden veranderingen beloofd, maar in Oostenrijk en Pruisen kwam daar niet veel van terecht. 

Veranderingen waren echter onvermijdelijk want door de industriële revolutie groeide de economische macht van de burgerij. Uiteindelijk leidde dat tot het ontstaan van twee nieuwe staten. Italië werd verenigd onder een koninkrijk met een liberale grondwet (1870). In Duitsland streefde de Pruisische kanselier Bismarck naar Duitse eenheid. Om dat te bereiken voerde hij drie succesvolle oorlogen tegen Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk. Nationalisme vormde de boventoon en toen de oorlog tegen Frankrijk in 1871 werd gewonnen, dwong Bismarck de Duitse vorsten, zich bij Pruisen aan te sluiten en de Pruisische koning werd in de Spiegelzaal van Versailles uitgeroepen tot Duitse keizer.

Agressief nationalisme

Dit nationalisme verheerlijkte de eigen natie en zette zich af tegen andere naties. Ook veel conservatieven werden nationalistisch. Dit werd bevorderd door nationale feestdagen, standbeelden en gedenktekens waarmee gebeurtenissen of helden uit het verleden werden verheerlijkt. 

Wel of geen socialistische revolutie

marxisme

Pas na 1870 werd het socialisme een massabeweging. Ze waren aanhangers van de ideeën van Karl Marx, die er van uitging dat er een revolutie nodig was van het proletariaat (arbeiders), die de macht zou moeten overnemen, het kapitalisme afschaffen en de bedrijven in handen van de staat brengen. Niet winst maken was dan uitgangspunt maar produceren voor de behoeften van de mensen.

Marx sprak zich uit tegen het nationalisme. Alle arbeiders moesten zich verenigen in de strijd tegen het kapitalisme. Binnen het socialisme groeide rond 1900 een beweging die gematigder was en streefde naar verandering, niet door revolutie maar door evolutie, via parlementaire weg binnen de bestaande maatschappij. Uiteindelijk viel het socialisme in 1919 uiteen in twee stromingen, de gematigde sociaal-democratie en het revolutionaire communisme. 

Paragraaf 8.3 Democratisering

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de voortschrijdende democratisering

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de democratisering in Groot-Brittannië

* de democratisering in Nederland

* de democratisering in Duitsland

In de 19e eeuw nam bijna overal in Europa de volksinvloed toe. In Nederland en Groot-Brittannië werd de democratie een succes in Duitsland mislukte dat.

Een kroon uit het slijk

IN 1848 kwam het Duitse Parlement bijeen in Frankfurt en werd men het eens over een grondwet die voor heel Duitsland zou gelden. Alle privileges werden afgeschaft, de adel opgeheven en de individuele vrijheden werden beschermd. Aan de Pruisische koning werd het keizerschap aangeboden maar de Pruisische koning weigerde.Hij wilde geen kroon aannemen van zijn onderdanen, omdat hij dan van hen afhankelijk werd. Alleen God kon hem tot keizer benoemen. Kort daarna liet Wilhelm het parement door het leger uiteenjagen.

Parlementaire democratie

Bij democratisering ging het om twee dingen: de invoering van een parlementair stelsel en de uitbreiding van het kiesrecht. Een parlementair stelsel was pas een parlementaire democratie als een volksvertegenwoordiging werd gekozen met algemeen kiesrecht waarbij zowel mannen als vrouwen kiesrecht zouden hebben.

In alle landen werden op den duur de macht van de vorst beperkt en het kiesrecht uitgebreid. In Duitsland mislukte de democratisering

De Britse traditie

 Groot-Brittannië had een eeuwenoude democratische traditie. De macht van de koning werd al eeuwenlang beperkt. In het Hogerhuis zaten edelen die hun zetel dankten aan hun hoge geboorte of benoeming door de koning, het Lagerhuis werd gekozen door middel van een districtenstelsel.  De koning ondernam in de 16 e en 17 e eeuw pogingen het parlement uit te schakelen. Maar begin 19 e eeuw bleek toch het parlement de baas maar mocht de koning naar eigen inzicht ministers benoemen of ontslaan. Onder koningin Victoria kwam daar ook een einde aan (1837). De partij die de verkiezingen hadden gewonnen bepaalde wie minister zou worden. Koningin Victoria had geen macht maar werd een symbool van het Britse Imperium tot haar dood in 1901. De 19 e eeuw wordt ook wel het Victoriaanse tijdperk genoemd.

Stemrecht voor de burgerij

De strijd om de democratisering ging dus in Engeland over het kiesrecht. De grenzen van de kiesdistricten waren sinds de middeleeuwen niet meer aangepast, waardoor de industriesteden er bekaaid van af kwamen. Daar profiteerden de conservatieven het meest van. Pas in 1832 werden de districten eerlijker over het land verdeeld. De arbeiders schoten er echter niet veel mee op omdat slechts de rijkste 15 procent van de mannen mocht stemmen.

Naar een parlementaire democratie

Vanaf 1850 groeide het aantal stemgerechtigden en in 1884 kreeg twee derde van de volwassen mannen het kiesrecht. De meeste geschoolde arbeiders stemden liberaal. Pas in 1900 werd de sociaaldemocratische Labour Party opgericht. In 1919 kwam er algemeen mannenkiesrecht en kregen ook de meeste vrouwen kiesrecht. In 1928 kreeg Groot-Brittannië volledig algemeen kiesrecht.

Nederland

Hoewel ons koninkrijk een constitutionele monarchie was, was de macht van de koning nauwelijks beperkt. Dat veranderde in 1848. Willem II, bang voor een revolutie vroeg aan de liberaal Thorbecke een nieuwe grondwet te schrijven. Zo kreeg Nederland een parlementaire stelsel, maar nog geen democratie door het censuskiesrecht. Pas in 1887 werd dat uitgebreid. In 1917 kwam het algemeen mannenkiesrecht en in 1919 het vrouwenkiesrecht.

De mislukte liberalisering van Pruisen

Het Pruisische parlement in Berlijn had weinig macht en het kiesrecht was zo geregeld dat alleen de adel zwaar in het voordeel was. Toch behaalden de liberalen in 1861 de meerderheid en kwamen direct in conflict met de koning. Het was kanselier Bismarck die buiten het parlement om de legeruitbreiding doorzette. De Duitse eenwording maakte hem zo populair dat de conservatieven de verkiezingen wonnen. Bismarck kwam met een nieuwe grondwet die de keizer grote macht gaf.

De onmachtige Rijksdag

De Rijksdag werd met algemeen mannenkiesrecht gekozen. Duitsland had echter nog een grote plattelandsbevolking die eerder conservatief dan liberaal stemde. Bovendien kreeg de Rijksdag weinig bevoegdheden. De Rijksdag kreeg het budgetrecht en kon wetsvoorstellen afkeuren, maar mocht de regering niet ter verantwoording roepen. De keizer benoemde en ontsloeg de ministers. Duitsland werd pas een democratie toen het Duitse rijk aan het eind van de Eerste Wereldoorlog ten onderging.  

Paragraaf 8.4 De emancipatiebewegingen

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: de opkomst van emancipatiebewegingen: feminisme en confessionalisme.

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de opkomst van het feminisme.

* de opkomst van het confessionalisme.

De in de 19 e eeuw opkomende emancipatiebewegingen feminisme en confessionalisme wilden een einde maken aan de achterstelling van hun aanhangers. 

Nieuwe bewegingen

In mei 1914 werd de feministe Emmeline Pankhorst in Engeland opgepakt toen ze een verzoekschrift aan de koning wilde aanbieden. Feministen zochten voor hun streven de publiciteit. Het feminisme was net als het socialisme en het confessionalisme een emancipatiebeweging.

* het socialisme streefde naar een betere positie van arbeiders.

* Het feminisme streefde naar gelijkberechtiging van vrouwen.

* het confessionalisme streefde naar een volwaardige positie in de samenleving voor streng gelovige christenen.

Katholieke confessionelen

Het confessionalisme was vooral in Nederland en Pruisen belangrijk. Beide landen hadden namelijk een grote katholieke minderheid. Katholieken kregen in de 19 e eeuw wel gelijke rechten, maar werden niet voor vol aangezien. In Duitsland begon Bismarck, met liberale steun, een strijd tegen de katholieken, door het aannemen van anti-klerikale wetten. De onderdrukking leidde ertoe dat de katholieken massaal gingen stemmen op de katholieke Zentrumpartij. Uiteindelijk liet Bismarck de katholieken met rust. 

In Nederland werden katholieken niet vervolgd. Ze organiseerden zich wel om het recht op eigen scholen te verdedigen. 

Protestantse confessionelen

Hoewel van ouds tegenstanders, streden protestanten en katholieken samen tegen het socialisme, liberalisme en het toenemende ongeloof. In tegenstelling tot Duitsland had het protestantse confessionalisme in Nederland succes. In 1879 richtte dominee Abraham Kuyper de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op. De partij werd een van de grootste Nederlandse partijen en Kuyper werd in 1901 Minister-President. 

Feminisme

Voor het eerst stond rond 1900 de ondergeschikte positie van de vrouw ter discussie. De meeste feministen kwamen uit de hogere burgerij, waar mannen en vrouwen in gescheiden werelden leefden. Gehuwde vrouwen hadden nauwelijks rechten. Ze hadden geen recht op een eigen vermogen en mochten geen rechtszaak beginnen. Door het feminisme werd de positie van de vrouwen iets beter, maar als ze trouwden moesten ze, als ze werkten, hun baan opgeven. De belangrijkste eis van de feministen was het verkrijgen van algemeen kiesrecht. Met allerlei acties probeerden ze daarvoor publiciteit te verkrijgen. In 1919 voerde Groot-Brittannië het vrouwenkiesrecht in. Andere landen deden dan langzamerhand ook.

 Paragraaf 8.5 De sociale kwestie

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: discussies over de sociale kwestie.

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* kenmerken van de sociale kwestie.

* opvattingen over oorzaken en oplossingen van de sociale kwestie.

* de opkomst van vakbonden

Door de industrialisatie ontstond het vraagstuk van de sociale kwestie. Arbeiders leefden onder kommervolle omstandigheden in de steden.

Londen in 1904

In talrijke journalistieke bijdragen werden de omstandigheden beschreven waaronder arbeiders moesten leven. Zo ook door een Deense journaliste die de situatie in Londen in 1904 beschreef. Armoede, dronkenschap, slechte woonomstandigheden. Net zoals het in Londen was, was het ook in andere fabriekssteden.

Kenmerken van de sociale kwestie

* de leef- en werkomstandigheden waren erbarmelijk.

* mannen, vrouwen en kinderen maakten werkdagen van 14 á 16 uur.

* eigenaren werkten niet meer mee in de fabrieken.

* de machines bepaalden het werktempo. 

* arbeiders werden streng gecontroleerd.

* er was sprake van inkomensverschillen en klassentegenstellingen.

* de toenemende welvaart van de burgerij maakte de armoede van de arbeiders minder vanzelfsprekend. 

Discussies

De sociale kwestie leidde tot discussies. Liberalen dachten dat het vanzelf beter zou gaan. Als de economie zich verder ontwikkelde dan zou iedereen vanzelf profiteren. Armoede was je eigen schuld. Nodig was een nachtwakersstaat, waarin de overheid voor orde en rust zorgde, en zich verder niet met de maatschappij bemoeide.

Socialisten zagen armoede als gevolg van het kapitalisme. Daarom kon alleen omverwerping van het kapitalisme verbetering brengen.

Ook de confessionelen waren kritisch tegenover het kapitalisme. Volgens de paus moesten arbeiders en werkgevers organisaties vormen naar het voorbeeld van de vroegere gilden en door samenwerking de sociale kwestie oplossen.

Verbeteringen

Binnen de liberalen hielden rechtse liberalen vol dat arbeiders voor zichzelf moesten zorgen, maar linkse liberalen vonden dat de staat sociale misstanden moest bestrijden. In Nederland brachten liberale kabinetten de eerste sociale wetten tot stand zoals de ongevallenwet en de woningwet. 

Arbeiders richtten zelf vakbonden op, die met werkgevers gingen onderhandelen over betere arbeidsvoorwaarden. Vanaf 1850 kregen vakbonden in Groot-Brittannië steeds meer invloed.

Paragraaf 8.6 Het modern Imperialisme

Deze paragraaf gaat over het kenmerkende aspect: het moderne imperialisme en de industrialisatie

Hoofdzaken in deze paragraaf:

* de ontwikkeling van het moderne imperialisme.

* het verband tussen imperialisme en industrialisatie.

Europese landen stichtten in de 19 e eeuw grote koloniale rijken in Afrika en Azië. Door de industrialisatie hadden de Europeanen grote behoeften aan grondstoffen en afzetmarkten. 

Het Fashoda-incident.

Frankrijk en Engeland stonden tegenover elkaar in de Soedan en wel in Fashoda. Het kwam uiteindelijk tot een overeenkomst waarin beide landen hun invloedssferen in Afrika onder elkaar verdeelden. 

De wedloop om Afrika

afrika 1914

In Afrika hadden de Europeanen in de 19 e eeuw alleen wat forten en handelshuizen aan de kusten. Maar in de tijd van het moderne imperialisme veranderde dat. Er ontstond een wedloop om de landen in Afrika tot eigen kolonies te maken. Tijdens de conferentie van Berlijn (1884/1885) kreeg de Belgische koning Leopold Congo, een gebied zo groot als West-Europa. De rest van Afrika werd verdeeld in invloedssferen. Binnen twintig jaar was heel Afrika onderworpen. Frankrijk had grote delen van Noord- en West-Afrika in bezit genomen en Groot-Brittannië bijna het hele gebied tussen Kaapstad en Caïro. De Duitsers hadden een gebied verkregen in Oost-Afrika en in Zuid-West-Afrika. Italië en Portugal hadden ook enkele kolonies.

spotprent willem I

Brits- en Nederlands-Indië

In Azië breidden de Europeanen hun invloed  uit. Groot-Brittannië en Nederland breidden hun invloed in hun koloniën uit, door pas in de 19 e eeuw grote delen in bezit te nemen, Groot-Brittannië in Brits-Indië en Nederland  in Nederlands-Indië. De Nederlanders hadden tot 1870 alleen de Molukken, Java, Sumatra en enkele eilanden onderworpen. Inheemse vorsten konden hun gang gaan zolang de Nederlandse belangen niet werden geschaad. 

Vanaf 1870 maakte Nederlands-Indië een gedaantewisseling door. Europese ondernemingen kregen alle ruimte op zoek naar grondstoffen. Het Nederlands bestuur werd steeds meer uitgebreid. Dat ging niet zonder slag of stoot zoals blijkt uit de Atjeh oorlog die zeer bloederig verliep. Vorsten werden gedwongen mee te werken aan het Nederlandse beleid. 

De rest van Azië

Frankrijk onderwierp Indo-China en de Britten lijfden onder meer Birma en Maleisië in. De Britten dwongen de Chinezen havens open te stellen voor de handel. Daar profiteerden ook andere Europese landen van. Japan ontkwam aan kolonisatie door snel te industrialiseren. Japan werd ook imperialistisch en veroverde Korea en delen van China.

Oorzaken van het moderne imperialisme

* het sterke nationalisme.

* concurrentie tussen de Europese mogendheden.

* als land telde je pas mee als je een groot koloniaal rijk had.

* blank superioriteitsgevoel.

* hebzucht.

* door de toenemende industrialisatie nam de behoefte aan grondstoffen en afzetgebieden toe.

Stoomschepen en vuurwapens

De industriële revolutie werd versterkt door de transportrevolutie. De opening van het Suezkanaal in 1869 was daar een voorbeeld van. De tijdwinst was enorm. Door de komst van stoomschepen kon men sneller en goedkoper goederen vervoeren. Daarnaast werden spoorwegen aangelegd. Militair waren stoomschepen en spoorwegen van strategisch belang. Troepenverplaatsingen gingen sneller. Door de industrialisatie ging de wapenindustrie betere wapens produceren.

Zie verder Hoofdstuk 9  Havo Hoofdstuk 9 De tijd van de wereldoorlogen