We hebben 286 gasten online

Havo Hoofdstuk 2 Politieke stromingen (1848-1919)

Gepost in Themakatern rechtsstaat en democratie havo

VWO Hoofdstuk 2 Politieke stromingen (1848-1919)

Gepost in Themakatern rechtsstaat en democratie vwo

Vanaf 1848 hadden door het censuskiesrecht alleen welvarende mensen invloed op het bestuur. Maar langzamerhand kwamen er politieke stromingen waaruit politieke partijen ontstonden. Het censuskiesrecht werd tussen 1887 en 1917 uitgebreid en uiteindelijk kwam het algemeen mannenkiesrecht tot stand in 1917. Vrouwen zouden in 1919 algemeen kiesrecht krijgen.

Een voorbeeld van de strijd om het kiesrecht was de tekenaar Albert Hahn. Hij werd vooral bekend om zijn politieke prenten. Hij werd bewonderd door de socialisten, maar verguisd door de tegenstanders. Reden daarvoor was dat hij zich in zijn tekeningen keerde tegen alles wat de socialisten niet beviel: het kapitalisme, het leger, de kerk en vijanden als de christelijke leider Albert Kuyper. Uit de tekeningen van Hahn werd duidelijk dat politiek voortaan een zaak van de massa was geworden. 

Hoofdstukvraag:

Welke ontwikkeling vond plaats tussen staat en burgers in Nederland van 1848 tot 1919?

Paragraaf 2.1 De Liberalen

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen staat en burgers tussen 1848 en 1919 en elke rol had het liberalisme hierbij?

Hoofdzaken in deze paragraaf: De ontwikkeling van rechtsstaat en democratie tussen 1848 en 1901 en de rol van Thorbecke en Willem II daarbij in verband met:

# de industriële revolutie.

# de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen.

# de voortschrijdende democratisering.

# de sociale kwestie

Na 1848 werd de strijd tussen de liberalen en conservatieven gevoerd, waarbij de liberalen vanaf 1860 de toon aangaven. Onderlinge tegenstellingen over de sociale kwestie maakte dat de liberalen in 1901 de meerderheid kwijtraakten.

Grote veranderingen

Dor de industriële ontwikkeling veranderde de hele samenleving vooral na 1850. Mensen trokken naar de steden om te werken in de industrie en de dienstensector. De burgers werden welvarender en kregen meer politieke invloed. Vooral het liberalisme werd de overheersende politiek-maatschappelijke stroming. De nadelen van het industrieel kapitalisme waren dat de arbeiders bittere armoede leden want sociale zekerheid bestond nog niet. De sociale kwestie leidde ook politiek tot grote problemen omdat arbeiders niet politiek vertegenwoordigd waren.

Politiek zonder partijen

Tot 1879 had Nederland nog geen politieke partijen en had Nederland een districtenstelsel en door het censuskiesrecht maar een beperkte politieke zeggenschap.

De vrijheid van het individu.

Tot 1870 ging de strijd tussen de conservatieven en liberalen, daarna hadden de liberalen tot 1901 altijd een meerderheid in de Tweede Kamer. En dus was er ook een liberaal kabinet. Vrijheid werd door de liberalen gepropageerd op alle gebieden.

De sociale kwestie

Rond 1880 groeide de sociale problemen. Werkloze arbeiders moesten maar voor zichzelf zorgen en er ontstond daardoor steeds meer sociale onrust. In 1886 leidde dat tot de Palingoproer in de Jordaanbuurt waardoor 26 doden vielen. De Tweede Kamer besloot tot een parlementaire enquête naar de toestanden in fabrieken en werkplaatsen. De uitkomst daarvan leidde ertoe dat binnen de liberalen een linkse stroming ontstond die wel vond dat de overheid mensen moest helpen die buiten hun schuld in de problemen waren geraakt. 

Liberale verdeeldheid

De sociale kwestie leidde er toe dat er verschillende liberale partijen ontstonden. De Liberale Unie probeerden alle liberalen te verenigen. De conservatief-liberalen weigerden zich hierbij aan te sluiten. De links-liberalen vormden in 1901, een eigen partij de Vrijzinnig Democratische Bond. Door de verdeeldheid raakte de liberalen hun meerderheid kwijt.

Paragraaf 2.2 De Confessionelen

Deelvraag: Hoe ontstonden de confessionele politieke stromingen ?

Hoofdzaken in deze paragraaf: 

De opkomst van het socialisme en de rol van Kuyper en Schaepman daarbij in verband met:

# de industriële revolutie

# de opkomst van emancipatiebewegingen.

# voortschrijdende democratisering

Rond 1870 ontstonden er twee confessionele stromingen. De anti-revolutionairen onder leiding van Abraham Kuyper en de katholieken onder leiding van Herman Schaepman.

Emancipatiebewegingen

Door het censuskiesrecht ontstond een beweging van christenen die zich achtergesteld voelden door de elite. Er ontstond daardoor een nieuwe politiek-maatschappelijke stroming: het confessionalisme.

Antirevolutionair

De protestant-christelijke stroming werd antirevolutionair genoemd. Daarmee werd bedoeld dat zij zich tegen de Verlichting keerde. De mens mocht zich niet boven God stellen. De overheid moest de Bijbel als Gods wil aanvaarden. Hun leider was Abraham Kuyper. Rond 1870 begon de politieke strijd met de schoolstrijd.

Schoolstrijd

Hoewel er vanaf 1848 vrijheid van onderwijs was werd alleen het openbaar onderwijs door de overheid betaald, maar het bijzonder onderwijs niet. Abraham Kuyper zette zich er, door de nieuwe onderwijswet van 1870, voor in om ook het bijzonder onderwijs door de overheid te laten bekostigen. Ondanks een handtekeningenactie mislukte dat, maar een en ander leidde ertoe dat hij in 1879 de Anti-Revolutionaire Partij oprichtte. 

De ARP

In tegenstelling tot de liberalen richtte Kuyper zich op de 'kleine luyden'. Na uitbreiding van het censuskiesrecht in 188, nam de aanhang van de ARP toe en de partij werd na de liberalen de grootste groepering in de Tweede Kamer. 

Katholieken

In de 19e eeuw waren de protestanten en katholieken nog water en vuur. De Katholieken steunden in de regel de liberalen. Nadat de paus zich tegen het liberalisme had uitgesproken werd de politieke strijd nog verder verhard door de schoolstrijd.

Schaepman

Heman Schaepman (1844-1903) wilde net als Kuyper de gewone gelovigen betrekken bij de politiek. Veel katholieken trokken naar de steden door de industrialisatie, en vervreemden daardoor van hun geloof. Om hen te behouden vonden kerkelijke leiders dat er katholieke organisaties moesten komen. Schaepman werd de katholieke aanvoerder in de Tweede Kamer en ging samenwerken met Kuyper. Door de werking van het districtenstelsel, meestal twee rondes, spraken ze onderling af hun kandidaten in de tweede ronde te steunen. Dat had succes in hun strijd tegen de verdeelde liberalen waardoor er een kabinet kon worden gevormd door die partijen. De rechtse vleugel van de ARP was het niet eens met die samen werking en splitste zich af in de Christelijk-Historische Unie.

Paragraaf 2.3 De Socialisten

Deelvraag: Hoe ontstonden de socialistische politieke stromingen?

Hoofdzaken in deze paragraaf: De ontwikkeling van het socialisme en de rol daarin van Domela Nieuwenhuis in verband met:

# de industriële revolutie.

# de opkomst van de emancipatiebewegingen.

# voortschrijdende democratisering.

# discussies over de sociale kwestie

Rond 1880 was het Ferdinand Domela Nieuwenhuis die leiding gaaf aan een socialistische stroming. Hij predikte de revolutie waardoor de gematigde socialisten in 1895 de SDAP oprichten die voor evolutie via het parlement waren.

Marx

Het was Marx die met zijn wetenschappelijk socialisme had aangetoond dat de arbeiders het alleen maar beter zouden krijgen als men via een revolutie het kapitalisme zou omverwerpen. Toen door de groeiende welvaart rond 1900 de arbeiders het ook beter kregen ontstond en gematigd socialisme, de sociaaldemocratie. Deze wilden via het parlement, via evolutie, de samenleving verbeteren. 

Domela Nieuwenhuis

De Sociaal-Democratische Bond werd in 1882 opgericht door Domela Nieuwenhuis, een voormalige dominee. Voor hem was het socialisme van Marx een nieuw geloof. Hij predikte in Groningen en Friesland de socialistische heilstaat en maakte daarbij op de verpauperde bevolking veel indruk. Maar ook in Amsterdam.

Toelichting: op de voorgrond Domela Nieuwenhuis en op de achtergrond politici die de SDB verlaten en de sociaal-democratische richting (het parlementaire socialisme) in gaan. De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland, 2 september 1894, tekenaar J.C. Braakensiek. De Amsterdammer had een radicaal-liberaal (of sociaal-liberaal) karakter.

Relletjes en vechtpartijen

Domela stelde in zijn weekblad 'Recht voor Allen' allerlei misstanden aan de kaak en schuwde daarbij confrontaties niet. Hij dreef ook de spot met het Oranjehuis. Dat leverde Domela Nieuwenhuis een veroordeling tot 1 jaar gevangenisstraf op. In 1888 werd hij door het Friese district Schoterland als eerste socialist in de Tweede kamer gekozen. Maar hij voelde zich daar ongelukkig en machteloos en de SDB besloot eind 1893 nooit meer mee te doen met verkiezingen. Nieuwenhuis werd een anarchist.

De SDAP

Vanuit de SDB werd door gematigde leden in 1894 de Sociaal Democratische Bond (SDAP) opgericht. Men wilde de situatie voor de arbeiders verbeteren via de parlementaire (evolutie) weg. Met liberale steun behaalde de SDAP bij de verkiezingen van 1897 twee zetels.

De groei van de SDAP

De sociaal-democraten streden met de confessionelen om de steun van de kiezers. De aanhang van de SDAP bleef groeien, kreeg een eigen dagblad (Het Volk) en werkte samen met de vakbonden. Deze voerden samen met de sociaal-democraten actie voor de invoering van het algemeen kiesrecht. In een handtekeningenactie verzamelde men meer dan 300.000 handtekeningen voor de invoering van het algemeen kiesrecht.  In 1913 behaalde de SDAP een grote overwinning bij de Tweede Kamerverkiezingen. Ze ging van 7 naar 18 zetels van de 100 Kamerzetels die beschikbaar waren. 

Paragraaf 2.4 Naar het algemeen kiesrecht

Deelvraag: Hoe kwam het algemeen kiesrecht tot stand?

Hoofdzaken in deze paragraaf: De totstandkoming van het algemeen kiesrecht en de rol daarbij van Cort van der Linden in verband met:

# voortschrijdende democratisering.

# de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen.

# de opkomst van emancipatiebewegingen

Kuyper als leider van de anti-revolutionairen werkte in de schoolstrijd nauw samen met Schaepman, de politieke leider van de katholieken.

Er ontstond een felle strijd voor uitbreiding van het kiesrecht. Nadat het censuskiesrecht in 1887 en 1895 al was verruimd kregen uiteindelijk in 1917 mannen het algemeen kiesrecht en de vrouwen in 1919. Het districtenstelsel werd vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

 Democratisering

In de 19e eeuw was er in Europa veelal een beperkt kiesrecht. In Engeland werd echter al het kiesrecht in 1867 uitgebreid tot de lagere burgerij en de geschoolde arbeiders. Het opkomende feminisme (emancipatiebeweging van de vrouwen) leidde er toe dat deze ook voor het algemeen kiesrecht gingen strijden. Rond 1920 werd dat in veel landen bereikt.

Verdeeldheid over het kiesrecht 

Het algemeen kiesrecht leidde tot felle confrontaties binnen de liberalen, die daarin sterk verdeeld waren. Linkse liberalen vonden dat de welgestelde burgerij het censuskiesrecht gebruikten om ten koste van anderen voor zichzelf te zorgen. Thorbecke vond dat het kiesrecht niet bestemd was voor 'niet-ontwikkelde lieden'. De socialisten hoopten dat de invoering van het algemeen kiesrecht hen de meerderheid zou opleveren. De confessionelen waren net zo verdeeld als de liberalen. Zowel Kuyper en Schaepman waren voor uitbreiding. Maar deftige confessionelen waren net als de conservatieve liberalen bang dat de democratie zou leiden tot chaos en heerschappij van 'het gepeupel'. 

Kiesrechtuitbreiding

In 1887 vond er een uitbreiding van de census plaats en in 1895 werd die verder vergroot. In de praktijk kreeg de helft van de mannen kiesrecht. Omdat de welvaart steeg nam dat aantal steeds verder toe zodat in 1913 twee derde van de mannen mocht stemmen. 

Pacificatie

De politieke partijen vonden elkaar uiteindelijk in wat de pacificatiepolitiek werd genoemd.Samen besloten ze tot een oplossing te komen van de schoolkwestie (subsidiëring ook voor het bijzonder onderwijs) en het algemeen kiesrecht door te voeren. Het districtenstelsel werd vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Vrouwenkiesrecht

In 1894 waren Nederlandse feministen begonnen met actie te voeren voor het algemeen vrouwenkiesrecht. Deze waren vooral links-liberaal georiënteerd. Maar ook SDAP vrouwen gingen er ook voor ijveren.  Het waren de confessionelen die het langst tegen actief vrouwenkiesrecht waren. Ze stemden in 1917 wel in met het passief kiesrecht voor vrouwen. In 1918 werd Suze Groeneweg (SDAP) de eerste vrouw die in de Tweede Kamer werd gekozen. In 1919 besloot de Tweede Kamer tot invoering van het actief kiesrecht voor vrouwen. In 1922 profiteerden vooral de confessionelen daarvan en ze stegen van 50 naar 59 Kamerzetels van de 100.

Zie verder Havo Hoofdstuk 3 Parlementaire democratie in Nederland (vanaf 1919)