We hebben 244 gasten online

Havo Hoofdstuk 3 Parlementaire democratie in Nederland (vanaf 1919)

Gepost in Themakatern rechtsstaat en democratie havo

Nederland was in de jaren 1918-1967 een verzuild land waarin de confessionelen de meerderheid hadden. Na 1945 ontstond de verzorgingsstaat. Vanaf 1960 werd verdere democratisering van het politieke bestel een voorwaarde.

Hoofdstukvraag: Welke ontwikkeling vond plaats in de verhouding tussen staat en burgers in Nederland vanaf 1919? 

Paragraaf 3.1 Verzuiling, crisis en bezetting (1919-1945)

Hoofdzaken in deze paragraaf: 

De ontwikkeling van rechtsstaat en democratie tussen 1919 en 1945 en de rol daarbij van Colijn, Mussert en Wilhelmina in verband met:

# de totalitaire ideologieën communisme, fascisme en nationaalsocialisme;

# de crisis van het wereldkapitalisme;

# het voeren van twee wereldoorlgoen;

# de Duitse bezetting van Nederland

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen staat en burgers tussen 1919 en 1945?

Nederland was een verzuild land tijdens het Interbellum. Totalitaire partijen kwamen op maar maakten weinig kans. Door de Duitse inval in mei 1940 hield de democratie op te bestaan. 

Democratieën in het defensief. 

Hoewel er bijna overal parlementaire democratieën na de 1e Wereldoorlog waren ontstaan, kwamen die democratieën onder druk te staan door nieuwe totalitaire ideologieën: communisme (1917 in Rusland), fascisme( 1922 in Italië) en het nationaal-socialisme ( 1933 in Duitsland). Totalitaire regimes wilden de samenleving beheersen en de leiders daarvan absolute macht verlenen. De ontstane economische crisis deed hun aanhang toenemen. Door de Duitse veroveringen kwam de democratie nog verder in de verdrukking.

Confessionele meerderheden

In 1918 werd het districtenstelsel vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Men kon voortaan alleen nog maar in de Tweede Kamer komen als men door de partij op de landelijke kandidatenlijst was gezet. Door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging telde elke stem. Propaganda voor politieke partijen nam toe via verkiezingsposters,

sdap

maar ook via radio en film waardoor grote massa's konden worden bereikt. Een nadeel van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging was dat men al met 1% van de stemmen een zetel kon veroveren in een Tweede Kamer van 100 leden. Daardoor deden er veel partijen mee bij verkiezingen (in 1933 54 partijen), maar door de verzuiling hielden de grote partijen de macht.

Confessionele meerderheden

Het nu functionerende algemeen kiesrecht betekende voor de confessionelen in het hele Interbellum de politieke macht via door hen gecontroleerde kabinetten. De sociaal-democraten werden na Troelstra's revolutiepoging in 1918 tot 1939 buiten de regering gehouden. Pas in de jaren 1930 zwoer de SDAP de revolutie af. De liberalen verloren alle verkiezingen  en kregen in 1936 nog maar 10% van de stemmen. En de liberalen waren verdeeld over  de conservatief-liberale Vrijheidsbond en de links-liberale Vrijzinnig-Democratische Bond. 

vrijzinnig democraten

CPN en NSB

Door de economische crisis stond de democratie onder druk en ontstonden in Nederland naar totalitair gezag strevende partijen. De CPN (Communistische Partij Nederland) ontstond als extreem linkse afsplitsing van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij) en in 1931 ontstond onder de leiding van Anton Mussert de extreem rechtse Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). In 1935 behaalde de NSB bij de Statenverkiezingen 8% van de stemmen. Daarbij werd agressief en gewelddadig optreden door de WA niet geschuwd. 

 

Verzuiling

Ondanks de crisis behaalden de NSB en CPN echter in de Tweede Kamer niet meer dan 4 zetels. Voor een deel kwam dat omdat Nederland niet had meegedaan aan de Eerste Wereldoorlog.Reden lag toch vooral in het feit dat Nederland een verzuilde samenleving was waar de leiders hun achterban stevig in de hand hadden Het leven speelde zich binnen de eigen zuil en de eigen organisaties af.  

Colijn

AR leider Colijn was premier van 1933 tot 1939 en had aanzien als sterke man,

 

waarbij Mussert maar een miezerige indruk maakte. Na de Duitse bezetting dacht Mussert een rol te kunnen vervullen in het bestuur maar de macht lag in handen van Seyss-Inquart de door Hitler benoemde Rijkscommissaris.

Paragraaf 3.2 Naoorlogse zekerheid (1945-1965)

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen staat en burgers tussen 1945 en 1965?

Hoofdzaken in deze paragraaf:

De ontwikkeling van de rechtsstaat en democratie tussen 1945 en 1967 en de rol daarbij van Drees en Klompé in verband met:

# verwoestingen door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van burgers bij de oorlog;

# de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken en de wapenwedloop.

De na de Duitse bezetting verwachte doorbreking van de Verzuiling mislukte en de confessionelen kregen opnieuw de meerderheid. Het verschil was wel dat de sociaal-democraten nu gingen samenwerken met de confessionelen en de Verzorgingsstaat opbouwden.

Wederopbouw

Centraal stond nu de wederopbouw en het opbouwen van de Verzorgingsstaat. Op Europees niveau was er sprake van twee machtsblokken de democratieën in West-Europa en de Communistische dictaturen in Oost-Europa. 

De CPN en de democratie

De extreem-rechtse groeperingen waren verdwenen maar de linkse CPN streefde nog wel naar de omverwerping van het 'burgerlijke systeem'. De CPN was populair onder de arbeiders, communisten hadden zich sterk verzet tegen het fascisme, en De CPN haalde in 1946 niet minder dan 10,6 % van de stemmen. Door de Koude Oorlog en omdat de arbeiders het steeds beter kregen kreeg de CPN steeds minder aanhang, (in 1959 nog maar 2,4 %).

Mislukte doorbraak

De na de oorlog opgerichte Nederlandse Volksbeweging wilde een einde maken aan de verdeeldheid op basis van het geloof: het doorbreken dus van de verzuilde samenleving. De SDAP en de links-liberale VDB vormden een nieuwe partij, de PvdA (Partij van de Arbeid). Vooral door de bisschoppen werd het een mislukking, deze riepen de gelovigen op niet mee te doen. Bij de eerste naoorlogse verkiezingen bleek dat het verzuilde systeem nog ijzersterk was. Een deel van de links-liberalen stapte weer uit de PvdA en samen met conservatief-liberalen werd in 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie opgericht (VVD).

vvd 1956

Tot in de jaren zestig waren de KVP (in het interbellum RKSP) en de PvdA de grootste partijen, met elk een derde van de kiezers. De ARP en CHU hadden samen zo'n 20% en de VVD 10%.

Verzorgingsstaat

In het Interbellum vond men dat de overheid niet moest ingrijpen in de economie. Na de 2e Wereldoorlog veranderde dat. Men vond dat de overheid, door middel van sociale wetten een grote rol moest spelen in de economie en de in 1946 gevormde rooms-rode coalitie legde de basis voor de Verzorgingsstaat in Nederland. Burgers die niet voor zichzelf konden zorgen konden voortaan reken op de staat. De in voering in 1963 van de Bijstandswet door Marga Klompé vormde hiervoor het fundament.

Paragraaf 3.3 Ontzuiling en verdere democratisering (1965-2001)

Deelvraag : Hoe was de verhouding tussen staat en burgers tussen 1965 en 2001?

Hoofdzaken in deze paragraaf:

De ontwikkeling van rechtsstaat en democratie tussen 1967 en 2001 en de rol daarbij van Van Mierlo in verband met:

# welvaart en sociaal-culturele veranderingen vanaf de jaren 1960;

# de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.

De ontzuiling was vanaf 1967 niet meer te stuiten. Door de oprichting van D66 veranderden de politieke verhoudingen. De confessionele achteruitgang werd gepoogd tegen te gaan door de oprichting vaan de fusiepartij CDA (ARP+KVP+CHU), maar de achteruitgang bleek niet te stuiten.

drie cda koningen

Saaie politiek Opstandigheid

De groeiende welvaart leidde tot grote sociaal-culturele veranderingen. Men vond vrijheid en het milieu belangrijk. Het individualisme groeide en er ontstond ontkerkelijking en gezag was niet meer zo vanzelfsprekend. Daarnaast wilden vrouwen niet meer ondergeschikt zijn aan mannen.De politieke tegenstellingen namen begin 1960 af en de politiek werd als saai gezien. Door  het verzuilde systeem waren de partijen nog aan de macht, maar de publieke opinie kwam in beweging door protestbewegingen.

Protestbewegingen

Jongeren verweten de politici een 'regentenmentaliteit'. Het werd tijd voor meer openheid. Autoriteit van ouders en in de maatschappij was niet meer vanzelfsprekend. Vrijheid kreeg een nieuwe betekenis: doen waar je zin in heb. Een voorbeeld was de in Amsterdam ontstane Provobeweging die de confrontatie met het gezag aanging. Het aantal buitenparlementaire acties nam toe en er ontstonden allerlei nieuwe bewegingen om de autoriteiten onder druk te zetten. Medezeggenschap stond voorop.

D66

Hans van Mierlo richtte in 1966 Democraten 66 op met als doel het politieke systeem te laten ontploffen. De kiezer zou meer invloed moeten krijgen en de minister-president en de burgemeesters zelf kunnen kiezen, en het districtenstelsel moest weer worden ingevoerd.De invloed ervan bleek toen de confessionelen hun meerderheid kwijtraakten en veel kiezers gingen 'zweven'(waren niet langer trouw aan hun partij).

CDA

De confessionelen verloren steeds meer aanhang en aan de linkerzijde van de KVP ontstond de politieke Partij Radicalen (PPR). Deze zou later opgaan in Groen Links (samen met de PSP en de CPN).

Het CDA 

De confessionelen verloren steeds meer aanhang en aan de linkerzijde van de KVP ontstond de politieke Partij Radicalen (PPR). Deze zou later opgaan in Groen Links (samen met de PSP en de CPN).In 1972 behaalden de confessionelen nog maar 48 zetels.  

Om de achteruitgang tegen te gaan fuseerden de confessionele partijen ARP,  KVP en CHU tot het CDA (Christen-Democratisch Appel). Het CDA leek de achteruitgang staande te houden en tussen 1981 en 1994 stond de partij nog in het centrum van de politieke macht en kon bepalen met wie het regeerde.

Na de verkiezingsnederlaag van 1994 werd het CDA van de regering uitgesloten en PvdA, VVD en D 66 vormden de eerste Paarse coalitie met PvdA-leider Kok als premier.

paarse coalitie

Ook in 1998 werd er een paarse coalitie gevormd.

Paragraaf 3.4 Gevestigde partijen in het nauw (vanaf 2001)

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen slaaf en burgers vanaf 2001?

Hoofdzaken in deze paragraaf:

De ontwikkeling van de rechtsstaat vanaf 2001 en de rol daarbij van Fortuyn en Marijnissen in verband met:

# de ontwikkeling van een pluriforme en multiculturele samenlevingen;

# de eenwording van Europa.

De gevestigde partijen stonden vanaf 2001 onder grote druk zowel van links (SP) en van rechts (Fortuyn en Wilders).

 Immigratie en Europa

 Al eerder waren er er miljoenen mensen uit vroegere kolonies en landen als Marokko en Turkije naar Europa gekomen. Hun aantal nam na 1960 sterk toe en ontstonden multiculturele samenlevingen die als bedreigend werden ervaren (onzekerheid en ontevredenheid). Laaggeschoold werk verdween of werd overgenomen door immigranten en regeringen gingen steeds meer de verzorgingsstaat beperken. Velen voelden zich door hun regering in de steek gelaten. Dat bleek een voedingsbodem voor protestpartijen die zich tegen de buitenlanders en de gevestigde politiek keerden. 

 Het jaar van Fortuyn

 Eind 2001 kwam een eind aan de politieke rust toen Pim Fortuyn de politiek inging. Hij werd enorm populair met felle aanvallen op de islam en de paarse partijen, die er volgens hem een puinhoop van hadden gemaakt. Nadat hij in Rotterdam voor een politieke aardverschuiving had gezorgd deed hij in 2002 mee met zijn partij LPF (Lijst Pim Fortuyn) aan de Tweede Kamerverkiezingen. Maar negen dagen voor die verkiezingen werd hij vermoord. De LPF haalde toch 26 zetels. PvdA en VVD verloren bijna de helft en het CDA werd weer de grootste partij. CDA en VVD vormden met de LPF een nieuwe regering, maar door ruzie binnen de LPF viel dit kabinet.

De Europese grondwet

Bij de nieuwe verkiezingen behaalde de LPF nog maar 8 zetels. De onrust bleef en het Was Geert Wilders die zich afscheidde van de VVD en de Partij voor de Vrijheid begon(PVV). net als Fortuyn keerde hij zich tegen de islam en de gevestigde politiek. Ook Europa bleek een twistpunt. Bij een referendum over de Europese grondwet voerden zowel Wilders en Marijnissen van de SP fel campagne tegen de Europese grondwet waardoor 61,5 % van de kiezers tegen de grondwet. 

sp

Herstel van PvdA en VVD

De rechtse PVV en de linkse SP werden als populistisch ervaren. Ze zetten zich af tegen de elite en de gevestigde partijen, claimden dat zij alleen luisterden naar het volk en probeerden met eenvoudig taalgebruik mensen aan te spreken die zich achtergesteld voelden. Hoewel de SP en de PVV fors wonnen bij de verkiezingen van 2006 vormde het CDA en de PvdA samen met de ChristenUnie. In 2010 verloor het CDA 20 zetels met een historisch dieptepunt van 21 zetels. Er ontstond een minderheidskabinet onder leiding van de VVD-er Rutte  (VVD en CDA) dat gedoogd wordt door Wilders. De samenwerking liep in 2012 stuk en voor het eerst sinds 1988 haalde twee oude partijen, de VVD en de PvdA, samen een meerderheid. Het CDA zakte verder weg naar 13 zetels. De politici van de traditionele partijen  maakten dus nog steeds de dienst uit.