We hebben 172 gasten online

VWO Hoofdstuk 1 Van gewesten naar eenheidsstaat (tot 1848)

Gepost in Themakatern rechtsstaat en democratie vwo

De Republiek der Verenigde Nederlanden is aan het einde van de 16e eeuw ontstaan uit een opstand tegen koning Filips II.

low countries 1609 1672

In het begin van de 19e eeuw werd Nederland een eenheidsstaat en een constitutionele monarchie. Door de grondwet van 1848 van Torbecke werd de macht van het staatshoofd verder beperkt en werd de basis gelegd voor de parlementaire democratie.

Goejanverwellesluis

In Nederland was er sprake van een democratische omwenteling, de macht van de stadhouder en zijn aanhangers werd in vele Hollandse steden door aanhangers van de democratie aangetast. Ze - de patriotten -  namen het stadsbestuur over. Wilhelmina, de vrouw van de stadhouder en zus van de koning van Pruisen, was vanuit Nijmegen onderweg naar Den Haag, waar ze een einde wilde maken aan deze democratische omwenteling. Ze werd echter in Goejanverwellesluis door Goudse burgers aangehouden en meegenomen. Na twee dagen keerde ze onverrichterzake terug naar Nijmegen. Daar aangekomen lichtte ze haar broer, de koning van Pruisen in. Deze eiste excuses. Het gewest Holland weigerde excuses te maken. Dat leidde ertoe dat de koning van Pruissen 25.000 soldaten stuurde, die hardhandig een einde maakten aan de democratische revolutie. De patriotten vluchtten naar Frankrijk en zouden pas weer tegelijk met de Franse troepen in 1795 terugkeren.

Hoofdstukvraag:

Welke ontwikkeling vond plaats in de verhouding tussen staat en burgers in Nederland vanaf de late Middeleeuwen tot 1848?

Paragraaf 1.1 Groeiende vrijheid (middeleeuwen-18e eeuw)

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen staat en burgers in Nederland vanaf de late middeleeuwen tot in de 18e eeuw?

In Europa werden veel landen geregeerd door machtige vorsten. Nederland was een uitzondering en was een Republiek bestuurd door regenten die de macht deelden met de stadhouder. Er was naar verhouding veel vrijheid.

Steden en staten

Steden waren in West-Europa in de tijd van monniken en ridders vrijwel verdwenen. Maar in de tweede helft van de Middeleeuwen ontstonden er weer steden. Deze steden kregen stadsrechten, waardoor de burgers zich zelf mochten besturen. 

 Langzamerhand begonnen toen ook staten te ontstaan waardoor het oude systeem van hoge edelen en vazallen niet meer voldeed. Vorsten stelden betaalde ambtenaren aan en namen militairen in dienst. Verder ging men vanuit een punt besturen (centralisatie). Ze betaalden het bestuur met geld verkregen van de stedelijke burgerij (die daardoor zichzelf mochten besturen). Om daar afspraken over te maken riepen koningen een Staten-Generaal of parlement bijeen. Dat bestond uit vertegenwoordigers van de drie standen (geestelijkheid, adel en burgerij).

De Nederlanden

zeventien-ver.gif

De Nederlanden bestonden in de late Middeleeuwen uit zeventien zelfstandige gewesten. In een aantal gewesten was er al sprake van verstedelijking. In het gewest Holland woonde rond 1500 al bijna de helft van de bevolking in de stad. Deze steden hadden al een grote zelfstandigheid. De gewesten werden geregeerd door een graaf, hertog of bisschop.

De meeste Nederlandse gewesten waren vanaf 1428 in handen van de hertog van Bourgondië, Filips de Goede.

lorraine

Bij het bestuur werd hij bijgestaan door de Staten, een vergadering van vertegenwoordigers van de drie standen uit het gewest. In 1464 riep Filips voor het eerst een Nederlandse Staten-Generaal bijeen. de Bourgondische vorsten wilden regels doorvoeren die in alle gewesten zouden gelden. Het was  de Habsburgse vorst Karel V, die deze centralisatiepolitiek verder doorvoerde, nadat hij het Bourgondische Rijk door erving verkregen had.

 De Nederlandse Opstand

 Een van de belangrijkste oorzaken van de Nederlandse Opstand was het verlangen om de middeleeuwse privileges te behouden. Ook de centralisatiepolitiek speelde een grote rol. Daarnaast stond de strijd om de godsdienst centraal. Filips II was als katholiek tegen de opkomst van het calvinisme en trad uiteindelijk meedogenloos op tegen de calvinisten. Dit leidde in 1568 tot het uitbreken van de Opstand onder leiding van Willem van Oranje, die stadhouder was van Filips II in Holland, Zeeland en Utrecht. Vanaf 1572 veroverden de opstandelingen Holland, Zeeland en later ook andere gewesten en steden. In 1579 sloten de opstandige gewesten de Unie van Utrecht en in 1581 kwam de 'Acte van Verlaetinge' tot stand( zie afbeelding), waarin de opstandige gewesten definitief Filips II niet meer als als koning erkenden. 

In 1588 werd de onafhankelijke Republiek der verenigde Nederlanden uitgeroepen. Een unicum in Europa. 

Regenten

 De nieuw ontstane staat was de welvarendste in Europa. Er was sprake van een combinatie van middeleeuwse rechten, met alle regels en gebruiken die daarbij hoorden. Rechtsgelijkheid bestond er niet. De gewesten beschouwden zichzelf als soevereine landen en ook de steden hadden hun eigen privileges. De macht was in feite in handen van vooraanstaande families die de regenten leverden voor het bestuur van de steden, het gewest en de Republiek.

De Republiek

 Zoals als aangegeven was er geen vorst meer en de gewesten werden bestuurd door de Statenvergadering waarin vertegenwoordigers zaten van de steden en de adel. In de Staten-Generaal werkten de gewesten - in unanimiteit - samen op het gebied van defensie en buitenlandse politiek. De stadhouder was nu niet meer de plaatsvervanger van de koning , maar de hoogste dienaar van de gewesten, was opperbevelhebber van het leger en mocht regenten in de steden benoemen. 

Vrijheid

Centraal stond de vrijheid van geloof. Dat was ook in het Unieverdrag zo opgenomen. Maar dat betekende niet dat alle godsdiensten gelijke rechten hadden. Alleen leden van de calvinistische - gereformeerd of hervormd - kerk mochten overheidsambten vervullen en in het openbaar kerkdiensten houden. In de Republiek was er vrijheid van drukpers, waren mannen en vrouwen praktisch gelijkwaardig, was er geen lijfeigenschap meer. De adel had alleen in het oosten van Nederland veel macht. In het westen overheerste de rijke stedelijke burgerij waar het gewest Holland het belangrijkste was. 

Absolutisme

In de andere landen van Europa streefden de gekroonde hoofden naar absolute macht. De machtigste was de Franse koning Lodewijk XIV. In Engeland verloren de koningen hun macht aan het parlement. Het was stadhouder Willem III, die als koning van Engeland de constitutionele monarchie accepteerde. 

Paragraaf 1.2 De democratische revolutie (1781-1813)

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen staat en burgers tussen 1781 en 1813

De mislukt poging van de patriotten om de macht over te nemen vond toch plaats toen de Fransen ons land binnenvielen in 1795 en de Bataafse Republiek stichtten. Nederland werd een democratie en een eenheidsstaat. Daar maakte Napoleon weer een einde aan en lijfde Nederland bij Frankrijk in.

 De Verlichting

In de 18e eeuw, de eeuw van de Verlichting geloofden de mensen niet langer meer dat God zich met alles bemoeide en vonden dat de mens zelf verantwoordelijk was voor hun eigen geluk of ongeluk. Ze geloofden niet langer dat God de ongelijkheid wilde, maar meenden dat mensen van nature vrij en gelijk zijn. Verlichte mensen dachten dat de mens met zijn ratio (verstand) de maatschappij kon verbeteren.  Een aantal vorsten probeerden hun absolute macht te gebruiken om hun volk te ontwikkelen en dat noemen we verlicht absolutisme. De tot dan toe bestaande orde, het Ancien Régime, kwam nu steeds meer onder druk te staan, omdat in dat systeem de machthebbers allerlei voorrechten hadden.

Door de ideeën van de Verlichting ontstonden aan het einde van de 18e eeuw democratische revoluties die het idee van Volkssoevereiniteit aanhingen omdat de hoogste macht niet afkomstig was van God maar van het volk. Burgers moeten alle dezelfde rechten en vrijheden hebben. De grondrechten daarvan dienden in een grondwet verankerd te zijn. In 1776 was de VS het eerste land waar een democratische revolutie plaatsvond gevolgd door de Franse revolutie in 1789. Deze Franse revolutie verspreidde zich over Europa om in 1799 door Napoleon weer gedeeltelijk te worden teruggedraaid. 

Politieke ideeën 

Ook in Nederland kreeg de Verlichting onder de gegoede burgerij steeds meer aanhang waarbij politieke denkers als de Engelse filosoof John Locke (1632-1704) en de Franse filosoof Montesquieu ( 1689-1755) vooral populair waren. Locke was naar Nederland gevlucht om te ontkomen aan vervolging in eigen land. Zijn politieke ideeën kwamen er op neer dat de regering niet is gebaseerd op Gods wil, maar op een contract met de samenleving. Om de natuurlijke rechten van de mensen te beschermen spreken ze af een regering te vormen waardoor de mensen gedwongen worden elkaars rechten te respecteren. Mocht de regering zelf de natuurrechten bedreigen dan mogen de onderdanen zich hiertegen verzetten en de regering zelfs afzetten. Montesquieu wilde dat de macht verdeeld werd in de wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht om te voorkomen dat alle macht in één hand zou zijn. De belangrijkste democratische denker was de Franse-Zwitserse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Mensen moesten een contract met elkaar sluiten waarbij ze de macht overdragen aan een gekozen volksvertegenwoordiging, die 'de algemene wil' moest uitvoeren. Zijn belangrijkste boek werd echter verboden.

In Nederland werden de democratische opvattingen pas populair na de democratische revolutie in de VS. Door de VS werd bewezen dat volkssoevereiniteit ook in de praktijk kon werken. In Nederland waren er bewonderaars. Dat werd nog bevorderd doordat Groot-Brittannië in 1780 de oorlog verklaarde aan de Republiek, omdat men de opstandelingen in de VS steunde. De Britten verhinderden de Nederlandse handelaren de zee op te gaan en de Republiek leidde daar sterk onder.

Aan het volk van Nederland

In 1781 verscheen van de hand van Johan Derk van der Capellen tot den Pol een pamflet onder te titel: 'Aan het volk van Nederland'.  In dat pamflet werd stelling genomen tegen de regenten en de Oranjes. Er werd opgeroepen tot verzet en de bevolking moest zijn eigen regering kunnen kiezen.

volk van nederland

De Patriotten

Na de oproep van Van der Capellen ontstond een democratische burgerbeweging, de Patriotten, die wilden dat de bestuurders door het volk werden gekozen. Ze keerden zich tegen stadhouder Willem V waarbij ze gesteund werden door regenten, die de invloed van de stadhouder en de Oranjegezinde regenten wilden terugdringen. Binnen een paar jaar was de helft van Nederland in Handen van de Patriotten. Nadat de vrouw van Willem V de hulp had ingeroepen van haar broer, de koning van Pruisen, stuurde deze een leger waardoor de macht weer terugkwam bij de stadhouder en de regenten. De patriotten weken uit naar Frankrijk.

De Bataafse Republiek

bataafse republiekvlag bataafse republiek

In 1795 kwamen de patriotten in het kielzog van de Franse revolutionairen terug in Nederland en ontstond de Bataafse republiek. De nieuwe machthebbers gebruikten de leus ' Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap' en verklaarden dat iedere staatsburger dezelfde mensenrechten had. Iedereen werd gelijk voor de wet en er kwam godsdienstvrijheid. 

In 1796 werd een Nationale Vergadering gekozen, die een grondwet moest opstellen. Centraal stond de vraag of de gewesten en steden zelfstandig moesten blijven of dat Nederland net als Frankrijk een eenheidsstaat moest worden. Toen men het niet eens werd pleegde een groepje parlementariërs in 1798, met behulp van de Franse troepen, een staatsgreep en werd alsnog de grondwet goedgekeurd. Daarbij werd Nederland een eenheidsstaat en een rechtsstaat en kwam er algemeen mannenkiesrecht waarbij de volksvertegenwoordiging de hoogste macht vormde en een regering koos. 

Het einde van de democratie

 Lang hield de democratie geen stand en al in 1801 maakte Napoleon er een einde aan. Hij beperkte de macht van het parlement en stelde het censuskiesrecht in, maar al in 1805 maakte hij daar ook een einde aan en stelde Rutger Jan Schimmelpenninck aan als dictator. In 1806 maakte hij zijn broer Lodewijk Napoleon koning van het Koninkrijk Holland maar vier jaar later besloot hij Nederland in te lijven bij Frankrijk. De Republiek was verdwenen, maar de eenheidsstaat bleef bestaan en allerlei zaken werden nu centraal geregeld. Lokale belastingen werden afgeschaft en in naam van Napoleon werden allerlei veranderingen doorgevoerd die later bleven bestaan. De wet werd voor iedereen gelijk, de burgerlijke stand en het burgerlijk huwelijk ingevoerd, het metrieke stelsel en de dienstplicht werd ingevoerd.

Paragraaf 1.3 Nederland onder Willem I en II (1813-1848)

Deelvraag: Hoe was de verhouding tussen staat en burgers tussen 1813 en 1848?

Nederland werd een constitutionele monarchie in 1815, maar onder druk van een dreigende revolutie kreeg Nederland in 1848 een constitutioneel parlementair stelsel.

Het Congres van Wenen

Na de nederlaag van Napoleon kwamen in Wenen de overwinnaars bij elkaar om het oude Encien Régime te herstellen, niet helemaal, maar kerk en adel wonnen wel invloed ten koste van de burgerij. Om te voorkomen dat Frankrijk de vrede kon bedreigen besloot men in Wenen Frankrijk te omringen met sterke staten. Zo werden de Zuidelijke Nederlanden bij de Noordelijke Nederlanden gevoegd.  Maar nu het volk van de vrijheid had geproefd ontstonden er snel maatschappelijke stromingen die meer vrijheid en invloed opeisten. De periode tussen 1830-1914 werd in Europa een tijd van democratisering. 

 De machtige koning

De zoon van de voormalige stadhouder Willem V werd in 1813 erkend als soeverein. Hij werd geen stadhouder maar een constitutioneel vorst. Nederland bleef een eenheidsstaat maar de Staten-Generaal, bestond uit een Eerste en en Tweede kamer, was nauwelijks een echte volksvertegenwoordiging en had bijna niets te vertellen. De koning benoemde de leden van de Eerste kamer en de Tweede Kamer kwam via de Provinciale Staten tot stand. Deze provinciale Staten bestonden uit vertegenwoordigers van de adel, het platteland en de steden. De steden werden bestuurd door de aanzienlijkste families en het platteland door de adel. De koning kon zijn ministers naar eigen goeddunken aanstellen of ontslaan. 

De Belgische afscheiding

In Nederland legde men zich bij de ontwikkeling neer omdat onder Oranje er tenminste rust en vrede was en het economisch wat beter ging. Maar in België ontstond wel onvrede en had men weinig sympathie voor de 'Hollandse' koning. Er was niets wat de beide Nederlanden bond. Steden als Luik en Brussel hadden een sterke burgerij, die weinig moest hebben van het autoritaire bewind van Willem I. Ze wilden de macht van de koning beperken, en de vrijheid en invloed van de burgerij vergroten. De katholieken verzetten zich ook tegen de koning. De zuidelijke Nederlanden kwamen in opstand en vormden uiteindelijk het koninkrijk België.

Het liberalisme van Thorbecke

Grondlegger van het Nederlandse liberalisme was Johan Rudolf Thorbecke. Hij wilde dat burgers rechtstreeks invloed moesten kunnen uitoefenen op het landsbestuur. Ze moesten de Tweede Kamer kiezen en de regering moest verantwoording afleggen aan de Kamer en niet aan de koning. Kortom de Tweede Kamer moest de regering controleren.

Thorbecke staat alleen

 De koning en de meeste regenten wilden de bestaande situatie behouden en noemden zich daarom conservatief. Ze verwezen naar de Franse Revolutie en de chaos die volgens hen toen was ontstaan. Thorbecke kreeg weinig steun uit de Tweede kamer en had eigenlijk ook geen vertrouwen in het gewone volk.

1848

Maar door de aardappelziekte van 1845-1848 en tegenvallende graanoogsten in Nederland leed grote delen van Europa onder de honger. Daarbij kwamen nog strenge winters en epidemieën. Dit alles leidde in Europa tot bloedige opstanden en ook in Nederland ontstond onrust en koning Willem II raakte in paniek. Koning Willem II gaf aan Thorbecke de opdracht een nieuwe grondwet op te stellen.

De grondwet van Thorbecke

In de nieuwe grondwet werden de politieke grondrechten vastgelegd. De Tweede Kamer werd rechtstreeks gekozen, er was wel censuskiesrecht. De Eerste Kamer werd gekozen dor de Provinciale Staten. De ministers waren voortaan verantwoording schuldig aan de Tweede Kamer en niet meer aan de koning. De koning werd 'onschendbaar', de ministers waren verantwoordelijk.

De Tweede kamer kreeg het recht van enquête, initiatief , amendement en budgetrecht.  Burgers kregen vrijheidsrechten: de vrijheid van godsdienst, meningsuiting, drukpers, vereniging en vergadering. Zo was een parlementair stelsel ontstaan waarbij Thorbecke vond dat alleen zelfstandige mensen die rationeel konden oordelen, kiesrecht hadden. Vrouwen en de ongeletterden mochten niet stemmen. Alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden. In de praktijk zo'n 10% van de volwassen mannen. De conservatieven waren het er natuurlijk niet mee eens. Ook Willem III zou nog proberen om de verloren macht terug te krijgen. Tevergeefs echter.

 Zie verder  VWO Hoofdstuk 2 Politieke stromingen (1848-1919)