We hebben 271 gasten online

Memo

5e druk MeMo Havo Hoofdstuk 3 Tijd van ontdekkers ...
25 mrt 2020 10:45

TIJD VAN ONTDEKKERS EN HERVORMERS Blz. 72-89 3. Veranderend mens- en wereldbeeld In dit hoofdstuk wordt de periode van de renaissance, de ontdekkingsreizen en de hervorming behandeld. Het verandere [ ... ]

Memo 4e drukVerder lezen

MeMo Vwo mod 5 hfst 3 Nederland en de V.S. vanaf 1870

Gepost in Modules

Hoofdstuk 3 Van oorlogseconomie naar welvaartsstaat

Er komen steeds drie factoren aan de orde: de economische ontwikkelingen, het beleid van de overheid en de effecten op de diverse groepen in de samenleving.

Deelvraag: Welke factoren bepaalden na de Tweede Wereldoorlog de schommelingen in de economie van beide landen?

3.1 Amerika: demobilisatie en Fair Deal

Amerika kwam als verreweg het sterkste land uit de strijd, zowel op militair als op economisch gebied.

De oorlogsindustrieën schakelden zo snel mogelijk over op de productie van consumptiegoederen.

President Truman

memo hfst 3 afb 15

kwam met de Fair Deal als voortzetting van de New Deal.

Hij slaagde erin een hoger minimumloon, uitbreiding van de Social Security Act, een woningbouwprogramma en steun aan de boeren door het Congres te krijgen. Hij kon echter zijn ideeën over een uitbreiding van de sociale wetgeving niet verwezenlijken.

Daarvoor waren 2 redenen:

1. Hij kreeg te maken met een Republikeins Congres

2. Het uitbreken van de Koude Oorlog

Na de 2e Wereldoorlog ontstond de Babyboom

memo hfst 3 afb 16

waardoor er een grote vraag kwam naar allerlei consumptiegoederen. Tussen 1945 en 1970 groeide de economie met 3.5 % per jaar.

Diegenen die het meest van de nieuwe welvaart profiteerden waren de (blanke) arbeiders en de middenklasse. Ontstaan sub-urbs.

Echter voor 25% van de Amerikanen leefden nog in armoedige omstandigheden waaronder de zwarten oververtegenwoordigd waren.

3.2 Welvaart en onbehagen: de jaren zestig

President Kennedy kwam met zijn New Frontier maar van zijn plannen om de armoede te bestrijden kwam door de oppositie van de Republikeinen en conservatieve Democraten niet veel terecht.

Op 22 november 1963 werd Kennedy tot ontzetting van de wereld in Dallas vermoord. Vice-president Johnson volgde hem op en slaagde erin enkele wetsvoorstellen aangenomen te krijgen.

Het onbehagen over de nieuwe welvaart en de CONSUMPTIECULTUUR werd vooral uitgedragen door jongeren en toen door de Viëtnamoorlog de dienstplicht werd ingevoerd kwam dit onbehagen tot uiting in burgerlijke ongehoorzaamheid. Veel van Johnson’s plannen voor een “ Great Society” konden niet worden uitgevoerd.

memo hfst 3 afb 17

memo hfst 3 afb 18

Begin jaren zeventig ging het mis met de wereldeconomie o.a. door:

1. de hoge oliekosten door het ontstaan van de OPEC

2. de Viëtnamoorlog leidde tot grote tekorten op de Amerikaanse begroting

3. Er was stagflatie ontstaan: een sterke inflatie gekoppeld aan een teruggang in de economie

Oplossing voor deze stagflatie was een streng monetair beleid; de geldhoeveelheid moest in de hand worden gehouden.

Onder Reagan ontstond zo “ Reaganomics” dat leidde tot een hoge rente, een hoge koers van de dollar een gekortwiekte overheid en een groot overheidstekort waaraan niets gebeurde. De Amerikanen kochten veel op krediet en in de jaren negentig raakte de economie weer in het slop. Pas onder Clinton lukte het de economie weer gezond te maken.

memo hfst 3 afb 19

3.3 Wederopbouw in Nederland

Nederland was leeggeroofd door de Duitsers waardoor de productie in 1948 nog maar 40% was van de productie van 1938 maar in 1950 was de oorlogsschade grotendeels hersteld.

De drie belangrijkste factoren die daaraan hebben bijgedragen zijn:

1. het beleid van de overheid

2. de inzet van de Nederlandse bevolking

3. de Marshallhulp

De overheid besloot na de 2e Wereldoorlog drastische maatregelen te nemen omdat anders een grote werkeloosheid zou ontstaan. Men besloot wel meer uit te geven en van werkgevers en werknemers werd een goede samenwerking verwacht. De lonen werden kustmatig laag gehouden om te kunnen investeren. Om sociale onrust te voorkomen werden de vakbonden bij de besluitvorming betrokken in de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-economische Raad.

Maar zonder de Marshallhulp zou het allemaal veel meer tijd en moeite hebben.

3.4 Welvaart en veranderingen

In de twintig jaar na 1953 zou Nederland ingrijpend veranderen. De koopkracht verviervoudigde in deze periode.

In 1952 vertoonde de betalingsbalans voor het eerst een overschot.

Nederland werd lid van de Europese gemeenschap en door de ontdekking van de gasbel in Slochteren in 1959 profiteerde Nederland nog eens extra.

Er vond een verschuiving plaats van industrie naar dienstensector.

De geleide loonpolitiek bleek niet meer vol te houden en de lonen gingen stijgen vanaf 1965 zelfs explosief.

Men richtte zich vooral op verhoging van de ARBEIDSPRODUCTIVITEIT.

In 1971 werkte 37,3% inde industriële sector en 46% in de dienstensector

Onder de rooms-rode coalities (PvdA en KVP) werd een begin gemaakt met de opbouw van de verzorgingsstaat. Zo ontstond ook in Nederland een moderne consumptiemaatschappij.

memo hfst 3 afb 20

bron: geschiedenis van Limburg deel 2

3.5 De jaren zeventig en tachtig: grenzen aan de groei

De economische crisis van de jaren zeventig trof ook Nederland.

Nederland had echter een aantal specifieke problemen:

1. De Nederlandse economie was zeer kwetsbaar door de enorme afhankelijkheid van de export.

2. Door de wijze van financiering van de overheidstekorten was de inflatie hoog

3. De collectieve sector had via hogere premies gezorgd voor hogere loonkosten

De regering echter ging enthousiast door met uitbreiding van het sociale stelsel en werden de inkomens genivelleerd. De werkeloosheid steeg echter van 151.000 in 1973 tot 800.000 in 1982.

Onder de kabinetten Lubbers werd het economisch beleid drastisch gewijzigd en er kwam loonmatiging, bezuinigingen en deregulering. Ook arbeidstijd werd ingekort. Zo ontstond het Nederlandse “poldermodel”.

memo hfst 3 afb 21

De arbeidsproductiviteit behoorde tot de hoogste in de wereld en aan het eind van de jaren negentig stond de economie er weer goed voor.

3.6 Amerika en Nederland naast elkaar

Het startpunt van de beide landen was totaal verschillend maar aan het einde van de twintigste eeuw gingen ze steeds meer op elkaar lijken.

Maar schijn bedriegt. Het grootste verschil is de rol van de centrale overheid en het vertrouwen dat de mensen hebben in de centrale overheid. In Amerika kijkt men nog steeds wantrouwend naar de centrale overheid.

Een ander groot verschil is dat de verschillen tussen arm en rijk in Nederland veel kleiner zijn dan in de V.S. en ook dan het sociale vangnet in Nederland veel groter is.

Extra termen en begrippen hoofdstuk 3

1. Demobilisatie: Het terugkeren van soldaten na een oorlog in de burgermaatschappij.

2. Duurzame consumptiegoederen: Dat zijn goederen zoals auto’s, radio’s, t.v. enz.

3. Oorlogseconomie – Vredeseconomie: In een Oorlogseconomie geeft de overheid veel meer geld uit dat er binnenkomt aan bewapening. In een vredeseconomie staat de produktie van consumptiegoederen centraal. Na een oorlog moet een economie dus overschakelen van de productie van oorlogsprodukten naar consumptieproducten.

4. Babyboom: Ontstaan van een geboorte explosie na de Tweede Wereldoorlog toen er een soort inhaaleffect ontstond.

5. Federale overheid: De centrale overheid van de regering in Washington.

6. Great Society: Programma van President L.B.Johnson.

7. Reaganomics: Economisch programma van President Reagan dat leidde tot een hoge rente en daardoor ook tot een hoge koers van de dollar en een groot overheidstekort.

8. Golfoorlog: (1980)Ontstaan door een inval van Irak in Koeweit. Onder aanvoering van de V.S. ontstond er een geallieerd leger dat de strijd won.

9. Stichting van de Arbeid: Overlegorgaan waar werknemers en werkgevers overleggen over de arbeidsvoorwaarden.

10. Sociaal Economische Raad: Hoogste overlegorgaan van Nederland, hierin zitten 15 kroonleden namens de regering, 15 namens de werkgevers en 15 namens de werknemers.

11. Rationele bedrijfsvoering: Bedrijfsvoering waarbij men de productie zo optimaal mogelijk wil laten verlopen.

12. Betalingsbalans: Overzicht van de inkomsten en uitgaven van een land.

13. Koopkracht: Datgene wat je met je salaris kunt kopen; is afhankelijk natuurlijk van de groep waartoe je hoort.( modaal etc.)

14. Europese Gemeenschap: Samenwerkingsverband tussen op dit moment 15 Europese landen die streven naar een Europese economische markt en op den duur ook een politieke.

15. Dienstensector: Hiertoe behoren b.v de zorgsector en het onderwijs.

16. Collectieve Sector: Hiermee wordt bedoeld zij die werken in dienst van de overheid.

17. Dereguleren: Wettelijke bepalingen en regelingen opheffen, verminderen of vereenvoudigen.

18. Poldermodel: Toegepast model van overleg in Nederland tussen de sociale partners en de overheid.

19. Inactieven: zij die niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen.

Vragen bij hoofdstuk 3 module 5

Deelvraag: Welke factoren bepaalden na de Tweede Wereldoorlog de schommelingen in de economie van beide landen?

3.1 Amerika:demobilisatie en Fair Deal

1) Waar ontstond in Amerika in de Tweede Wereldoorlog een groot tekort aan?

2) Wat betekende het einde van de Tweede wereldoorlog voor de rol van Amerika?

3) Wie was president F. D. Roosevelt opgevolgd en waardoor kwam dat?

4) Hoe werd de New Deal voortgezet?

5) Geef twee redenen waarom de president zijn nieuw beleid niet kon verwezenlijken?

6) Omschrijf het ontstaan van de Babyboom.

7) Wie profiteerden het meest van de nieuwe welvaart?

8) President Eisenhower schafte de verworvenheden van de New Deal niet af? Toch was hij een Republikein. Leg dat eens uit!

9) Hoeveel procent van de Amerikanen leefden nog onder de armoedegrens en welke bevolkingsgroep was daarbij het grootste slachtoffer?

3.2 Welvaart en onbehagen: de jaren zestig

1)President J.F.Kennedy kon zijn plannen niet goed uitvoeren. Waardoor kwam dat?

2) President J.F.Kennedy werd vermoord. Wanneer was dat?

3) Hoe heet het programma van president Lyndon B. Johnson?

4) Waartegen kwamen vooral jongeren in opstand?

5) Waarom ging het begin jaren zeventig mis met de wereldeconomie?

6) Wat verstaan we onder Stagflatie?

7) President Reagan's economische politiek werd 'Reaganomics' genoemd. Leg die politiek eens uit.

8) Welke president lukte het om de economie weer gezond te maken?

3.3 Wederopbouw in Nederland

1) In 1950 was de oorlogsschade grotendeels hersteld. Noem de 3 belangrijkste factoren die daartoe hebben bijgedragen en licht deze toe.

2) Beschrijf de rol van de Stichting van de Arbeid en de Sociaal Economische Raad.

3.4 Welvaart en veranderingen

1) Beschrijf de ontwikkelingen in de 20 jaar na 1953.

2) Wat verstaan we onder een geleide loonpolitiek?

3) Wat zijn rooms-rode kabinetten en wie was daar premier van?

4) Hoe heet de Nederlandse variant van de Welvaartsstaat en omschrijf dat begrip.

3.5 De jaren zeventig en tachtig: grenzen aan de groei.

1) Noem 3 specifieke problemen voor Nederland?

2) Hoe reageerde het kabinet den Uyl?

3) Schets de toename van de werkeloosheid.

4) Welke rol speelden de kabinetten Lubbers in de jaren tachtig van de twintigste eeuw? Gebruik in je antwoord het begrip 'poldermodel'.

5) Wat kun je opmerken ten aanzien van de arbeidsproductiviteit in Nederland?

3.6 Amerika en Nederland naast elkaar

1) Wat valt op als je kijkt naar Nederland en de VS in hun ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog?

2) Memo merkt op "maar .... schijn bedriegt". Licht dat toe.

3) "Een ding staat echter als een paal boven water" Wat?

Zie voor module 6 MeMo Vwo mod 6 hfst 1 Eigen land en eigen volk Naties, Staten en nationalisme