We hebben 155 gasten online

Memo

5e druk MeMo Havo Hoofdstuk 3 Tijd van ontdekkers ...
25 mrt 2020 10:45

TIJD VAN ONTDEKKERS EN HERVORMERS Blz. 72-89 3. Veranderend mens- en wereldbeeld In dit hoofdstuk wordt de periode van de renaissance, de ontdekkingsreizen en de hervorming behandeld. Het verandere [ ... ]

Memo 4e drukVerder lezen

MeMo Vwo mod 6 hfst 1 Eigen land en eigen volk Naties, Staten en nationalisme

Gepost in Modules

Hoofdvraag: Waardoor is het nationalisme zo populair geworden?

Hoofdstuk 1:Naties en staten.

Inleiding:

Pas na de Middeleeuwen is in de meeste West-Europese landen iets wat lijkt op een centraal gezag ontstaan. Hetzelfde geldt voor het gevoel bij een land te horen. Opvallender is misschien nog wel dat dat allemaal niet vanzelf ging: ‘nationaal besef’ werd vaak van bovenaf gecreëerd, en een centraal gezag kreeg meestal pas na eeuwen ploeteren vaste grond onder de voeten.

Deelvraag: Wat zijn staten en wat zijn naties en hoe zijn ze ontstaan?

1.1 Staatsvorming

In de middeleeuwen waren maar weinig mensen zich bewust binnen welke grenzen ze samen met anderen woonden. Je hoorde toen ergens bij omdat je een persoonlijke relatie had met een of andere machthebber. Een vorst had in een LEENSTELSEL een aantal leenmannen die weer achterleenmannen hadden. Later werd in plaats van grond ook wel een ambt in leen gegeven en werd de verhouding tussen leenman en leenheer erfelijk. Dit FEODALE STELSEL was aan het eind van de middeleeuwen behoorlijk versleten. De zaak werd nog ondoorzichtiger omdat er rond het jaar 1000 steden ontstonden die buiten dit toch al ingewikkelde systeem vielen.

Vaak kocht je, je functie, waardoor je vanwege die ambtelijke bezigheid werd vrijgesteld van b.v. belastingheffing.

Bijna overal was er sprake van een vorm van rechtspraak en belastingheffing, maar in elk gebied ging het er anders aan toe.

Er waren tot in de achttiende eeuw geen nationale munten en maten en er was vaak geen sprake van een nationale economische politiek.

In geval van oorlog moest de vorst een beroep doen op zijn edelen, die dan volgens feodale afspraken te hulp schoten, maar men liet ook wel verstek gaan.

De grootte van de bestuurlijke eenheden was destijds veel kleiner dan nu. Rond 1500 waren er honderden eenheden, zoals de gewesten in de lage Landen(300.000) inwoners.

Toch kregen vorsten langzamerhand steeds meer macht en werd de belastinginname steeds meer centraal geregeld en steeds vaker in geld geheven, de fiscalisering. Dit ging ten koste van de adel en de steden.

Voorbeeld: de centralisatiepolitiek van de franse koningen

Lodewijk XIII schafte de ambtelijke banen die erfelijk en te koop waren af. In die plaats stelde hij INTENDANTEN aan, koninklijke gezagsdragers die in de provincies de belasting inden. Ze rapporteerden direct aan de koning.

Lodewijk XIV liet zien dat hijzelf het centrum van de macht was. Hij liet Versailles bouwen. Hij wilde laten zien met zijn paleis dat hij de allergrootste was.

Lodewijk XIV wilde samen met zijn raad van drie ministers de macht over het hele land in handen krijgen en trof de volgende maatregelen:

1) De macht van de REGIONALE PARLEMENTEN en de ambtelijke ondernemers werd d.m.v. de INTENDANTEN stelselmatig uitgeschakeld.

2) Het EDICT VAN NANTES werd herroepen en alleen het katholicisme werd toegestaan.

3) De Zonnekoning werkte aan een sterk huurleger en in tijden van vrede had hij een STAAND LEGER.

Toch viel het in de praktijk tegen: Lodewijk XIV had nog veel buitenlandse soldaten en een volledige greep op het leger had hij ook niet.

Het ANCIEN REGIME was nog niet zo modern:

a) hij moest met veel geld de edelen te vriend houden;

b) de afstanden in het rijk waren enorm en de reistijden gigantisch;

c) de verschillen per regio in de belastingheffing waren groot;

d) De intendanten hadden nauwelijks financiële armslag;

e) maar het ergste waren de oorlogen die tot financiële problemen leidden.

De financiële problemen probeerde men met belastingheffing op te lossen waardoor protest groeide.

LodewijkXVI raakte de greep op het systeem kwijt en werd beschuldigd van despotisme.

Ook in andere landen kwam er steeds meer een soort van centraal gezag.

In de Nederlanden streefde Filips II naar eenheid in geloof en centralisatie. Dit leidde tot DE OPSTAND en de eigenmachtige benoeming van WILLEM VAN ORANJE tot STADHOUDER. In de UNIE VAN UTRECHT, gesloten in 1579 spraken de gewesten af dat ze samen op zouden treden bij de verdediging van het land. Aan de eigen voorrechten, de privileges van de gewesten zou niet worden getornd.

memo vwo hfst 6 afb 1

In 1581 werd Filips II als vorst afgezet,. Dit werd vastgelegd in de ACTE VAN VERLATINGHE.

Hoewel de Spanjaarden nog Willem van Oranje lieten vermoorden.

memo vwo hfst 6 afb 2

spraken de gewesten af zonder koning verder te gaan en zo werd in 1588 DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN een feit. In 1648 werd deze bij de VREDE VAN MUNSTER erkend.

De gewesten bleven echter zelfstandige staatjes en alleen voor de verdediging was er een eenheid. Pas na de verovering door Frankrijk in 1795 kwam daar verandering in. (BATAAFSE REPUBLIEK).

memo vwo hfst 6 afb 3

De Bataafse mythe. Het was een mythe, want de nazaten van de Bataven bevonden zich nog eerder in Duitsland dan in Nederland en zo beschaafd waren ze nu ook weer niet.

1.2 Naties en Staten

Het begrip Natie wordt sinds de middeleeuwen gebruikt om er een groep mensen mee aan te duiden.

Tegenwoordig slaat het op een grote groep mensen die op een bepaald grondgebied wonen en zich met elkaar verbonden voelen, omdat ze samen op dat grondgebied wonen, en ook omdat ze dezelfde taal spreken, geschiedenis, tradities en geloof hebben. In ieder geval iets gemeenschappelijks.

Een staat is iets anders dan een natie. Bij een staat gaat het niet om mensen maar om een politieke structuur. De staat is een bepaald grondgebied met een bestuurlijke organisatie. Naties en staten vallen dan ook niet per se samen.

Naties zijn geen van God gegeven, natuurlijke gehelen, maar worden door mensen gemaakt,

a) Aanvankelijk gebeurde dat alleen waar al een staat aanwezig was; de nadruk lag vooral op het stimuleren van de eigen taal;

b) In de periode van de Romantiek, rond 1800, ontstonden naties ook wel waar geen staat was om dat te stimuleren. Vooral intellectuelen zagen het belang in van een Nationaal Besef.

Vanaf de achttiende eeuw pakten staten de natievorming steeds bewuster aan o.a. via het onderwijs en het leger. Door de grote conflicten moest men op de bevolking kunnen rekenen.

Oorlogen werden steeds duurder. Van 5% van het BNP in vredestijd tot 30% in tijden van oorlog. De staten probeerden het saamhorigheidsgevoel te versterken zodat ze makkelijker het benodigde geld van de belastingbetalers konden vragen.

De Franse revolutie leidde tot het invoeren van de dienstplicht. Dat was ook een middel om vaderlandsliefde bij te brengen. Zo bracht Servan de Gerbey dat onder woorden in zijn boek 'Le soldat citoyen'. Sterven op het slagveld was een heldendaad.

Steeds vaker werden inwoners van een staat onderwezen in dezelfde christelijke waarden en maatschappelijke deugden, en in dezelfde taal en kennis.210307

Zie verder module 6 hoofdstuk 2 MeMO Vwo mod 6 hfst 2 Eigen land en eigen volk Naties, Staten en nationalisme