We hebben 240 gasten online

Memo

Periodekatern MeMo VWO H 3 De Romeinse erfenis

Gepost in Periodekaternen

Periodekatern MeMo VWO De Middeleeuwen H3 De Romeinse erfenis

tijdvak 3

Tijd van monniken en ridders

MeMo Geschiedenis voor de Tweede Fase Hoofdstuk 3 De Romeinse erfenis

 

Kenmerkende aspecten:

· De verspreiding van het christendom in heel Europa

· Het ontstaan en de verspreiding van de islam

· De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende cultuur, georganiseerd va een hofstelsel en horigheid

· Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur

3.1 Een nieuwe kaart van Europa

Intro

Nadat het West-Romeinse Rijk had opgehouden te bestaan, namen de Germaanse volken de resten in bezit. In de 5e

eeuw hadden de Franken zich gevestigd in de gebieden die we nu België en Frankrijk noemen. Clovis werd de alleenheerser van de Franken. Door veroveringen breidde hij het Frankische gebied uit naar het zuiden. In 496 stond hij tegenover de Alamannen, ook een Germaans volk.

invasies in het rom rijk

In het rijk van Clovis waren de Galliërs in de meerderheid. De Galliërs hadden de Romeinse beschaving overgenomen en beschouwden de Franken als barbaren. De Galliërs waren in de Romeinse tijd overgegaan tot het christendom. De bisschop Remigius van Reims hield Clovis voor dat als hij zich zou bekeren tot het christendom van deze alle steun zou krijgen voor zijn bestuur. Clovis liet zich, te samen met een groot aantal van zijn soldaten dopen. Het bondgenootschap tussen de Franken en de katholieke kerk betekent het begin van de Middeleeuwen.

De Middeleeuwse beschaving wordt gekenmerkt door drie elementen:

1) De Germanen

2) De Romeinse cultuur

3) Het christendom

Waar gaat het over?

We behandelen een aantal vragen uit de Vroege Middeleeuwen, ook wel de tijd van monniken en ridders genoemd. Het was een tijd waarin een nieuwe kaart van Europa ontstond. We beantwoorden daarbij een aantal gestelde vragen.

3.1.1 Hoe verloren de Merovingen de macht aan de Karolingen.

franken 500 ad

Het Frankische Rijk werd al snel de belangrijkste staat in West- en Midden-Europa . De familie van Clovis noemen we de Merovingers.Het Frankische erfrecht bepaalde dat land na de dood van de koning werd verdeeld onder zijn zoons. Dat leidde tot versnippering. Geen wonder dat er onderling vaak oorlogen waren. Daardoor kwam steeds meer macht te liggen in de handen van de Hofmeier, oorspronkelijk het hoofd van de huishouding van het hof. De hofmeiers van het noordelijk koninkrijk kwamen uit de familie van de Karolingers zo genoemd omdat een paar belangrijke leden Karel heetten. Deze probeerden het rijk verder uit te breiden onder andere door bewoners van die gebieden over te halen christen te worden.

De kerk van Rome stuurde missionarissen, in de Nederlanden Willibrord en Bonifacius. Ze gaven aan hen stukken grond en hielpen kerken te stichtten. Drie Karolingers speelden een belangrijke rol: Karel Martel, Pippijn de III en Karel de Grote.

Karel Martel werd kort na 700 hofmeier. Hij slaagde erin alle Frankische gebieden weer te verenigen. Daarbij gebruikte hij een ruiterleger, maar de aanschaf en het onderhoud van een paard en uitrusting waren erg duur voor de ruiters. Daarom gaf hij aan de ruiters een stuk land te leen. Een soldaat legde een eed van trouw af. Karel Martel legde zo de basis van het leenstelsel.Karel Martel slaagde er ook in de oprukkende moslims in Europa tegen te houden.

verbreiding van de islam

In de 7e eeuw was de grondslag voor de moslims gelegd door Mohammed. Diens opvolgers, de kaliefen, breidden

hun macht in het Middden-Oosten verder uit. De dynastie van de Omajjaden breidde hun macht verder uit naar Noord-Afrika en van daaruit stak men over naar Spanje en trokken zelfs Frankrijk binnen. In 732versloeg Karel Martel hen in de slag bij Poitiers.

Pippijn III, bijgenaamde de Korte, was de zoon van Karel Martel. Hij steunde de paus tegen de Longobarden en de paus steunde Pippijn door aan te geven dat de hofmeier eigenlijk de koningstitel zou moeten voeren. Zo werden de Karolingers koningen ‘bij de gratie Gods’.

3.1.2 Hoe ontstonden Duitsland en Frankrijk

karolingische rijk

legenda

Karel de Grote ( 768-814) zet de samenwerking met de kerk voort. Zijn bijnaam heeft hij gekregen omdat hij grote gebieden veroverde: Italië, bijna heel Duitsland, delen van Hongarije en Denemarken. Karel was wel ieder voorjaar op veldtocht om gebieden te veroveren of opstanden neer te slaan. Het bestuur van een zo’n groot rijk was voor Karel wel een probleem. Er was corruptie en weinig centrale wetgeving, er was zelfs geen hoofdstad. Karel woonde met zijn hofhouding op één van zijn kastelen (palts) en trok van palts naar palts.

west europa 770

Ook hij probeerde de overwonnen volken te bekeren tot het christendom en in 800 werd hij op initiatief van de paus tot keizer gekroond, omdat Karel hem te hulp was gekomen in Italië. Zo ging men het rijk Karel de Grote zien als de opvolger van het Romeinse Rijk. Wie nu hoger geplaatst was, de paus of de keizer zou later nog tot een conflict uitgroeien.

Nieuwe landen

Karel de Grote werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk de Vrome maar in 843 verdeelden diens kinderen het rijk bij het verdrag van Verdun in drie stukken. Karel de Kale kreeg het westelijk deel, dat later Frankrijk zou worden; Lodewijk de Duitser kreeg een stuk in het oosten. Daartussen lag een brede strook van Nederland tot Noord-Italië die aan Lotharus werd gegeven. Hij mocht de titel van keizer voeren.Het middenrijk leek het belangrijkste maar het werd al snel onder de zonen van Lotharius verdeeld. Uiteindelijk kwam het grootste deel met de keizerskroon bij het Duits Rijk terecht en de rest bij het Franse. Zo ontstonden in de 9e eeuw Duitsland en Frankrijk.

In Duitsland lag de werkelijke macht, na de dood van Lodewijk het Kind bij de grote leenmannen. Deze bepaalden wie er koning mocht worden. Frankrijk werd grotendeels bestuurd door Karolingen tot de dood van Lodewijk de V in 987. Het koningschap kwam nu in handen van de familie Capet. Nederland lag ook in het Duitse Rijk, maar het bestond nog niet als staat. Uit de Frankische taal ontwikkelde zich wel een Vlaams-Nederlands dialect. De eerste voorbeelden daarvan zien we in het in de 6e eeuw opgeschreven in de Salische Wet, een Frankisch document.

Slot

De kern van het hedendaags Europa ligt in het Frankische Rijk, dat omstreeks 500 werd gevormd. In het rijk waren dankzij de kerk nog resten van het Romeinse bestuur en de Romeinse beschaving aanwezig. De Frankische koningen werkten samen met de rooms-katholieke kerk. Eerst waren het Merovingen, later namen de Karolingen hun kroon over. Door de bijdragen van Germanen, de Romeinse beschaving en het christendom bevatte het Frankische Rijk het begin van de middeleeuwse beschaving. Karel Martel versloeg de oprukkende moslims in Poitiers en Karel de Grote breidde het land aanzienlijk uit. In 843 werd het land echter verdeeld onzer diens kleinzonen. Het zwakke middenrijk werd opgedeeld en zo ontstonden in grote lijnen de grenzen van het latere Duitsland en Frankrijk.

3.2 Het ontstaan en functioneren van een agrarische maatschappij

Intro

De volgeling was helemaal afhankelijk van zijn heer omdat hij niet vrij was.

Waar gaat het over?

Meer dan 90% van diegenen die leefden in de middeleeuwen was boer. Daarom noemen we de samenleving van de Vroege Middeleeuwen dan ook een agrarische samenleving. Deze samenleving was dus zeker niet alleen een tijd van monniken en ridders. In de oudheid was er sprake van een agrarisch-stedelijke samenleving.

3.2.1 Waardoor ontstond er een agrarische maatschappij?

Door de ondergang van het West-Romeinse Rijk bleven er maar een aantal steden bestaan. De veiligheid was al tijdens het West-Romeinse Rijk in gevaar gekomen door de Volksverhuizingen. Helemaal toen het centrale gezag verdwenen was. Daardoor liep de handel terug tot de handel op regionaal niveau, tussen de dorpen en het omringende platteland. Ook de nijverheid viel daardoor terug. Als er minder handel is, is er ook minder geld nodig en daardoor verdwenen er veel munten.

Ook tijdens de Karolingen bleef onveiligheid een probleem. De landen van West- en Midden-Europa hadden te lijden van invallen van Hongaren, moslims en Vikingen.De Noormannen vielen al tijdens Karel de Grote het land binnen. De Noormannen werd het makkelijk gemaakt omdat de onderlinge strijd van de Franken en hun slechte organisatie het rijk zo zwak maakte dat plunderaars erdoor werden aangetrokken. Maar de ‘gewone’ oorlogen om land uit te breiden en twisten over erfenissen en grondgebied leidden ook tot plunderingen van het platteland.

3.2.2 Hoe functioneerde de agrarische samenleving?

boeren

Er waren dorpen die uit vrije boeren bestonden . Deze moesten in de middeleeuwen echter militaire dienst verrichten, de heervaart, naast het bewerken van het land. Om niet meer te hoeven vechten gaven veel vrije mannen hun vrijheid in de 7e en 8e eeuw geheel of gedeeltelijk op. Een belangrijk deel van de boeren bestond uit

mensen die niet vrij waren. Er waren volledig onvrije mensen, maar ook halfvrijen of Horigen.Deze horigen hadden een boerderij(tje) die eigendom was van een grondheer. Ze gaven de heer wat geld en producten en waren verplicht tot het verrichten van herendiensten. De heer mocht hen echter niet van hun boerderij verdrijven maar ze waren dus wel aan de grond gebonden.

Het Hofstelsel

Een domein of hof bestond uit een landgoed van een grondheer waarop horige boeren hun boerderij hadden. Een deel van het domein was voor het gebruik van de grondheer zelf. Deze heer behoorde soms tot de geestelijke stand, bijvoorbeeld de abt van een klooster. De monniksorden zijn zeer belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de landbouw.In de praktijk kon een domein verschillende vormen aannemen. Een domein kon ook verspreid liggen in verschillende landen. Voordeel daarvan was dat men verschillende producten kon verbouwen.

Door het vrijwel ontbreken van de handel waren de boeren op zichzelf aangewezen, zelfvoorzienend. Dit noemen we Autarkie.Boeren hadden het probleem dat een zaak zaaigoed maar twee of drie zakken opleverde en door een tekort aan mest moest men wel stukken grond braak laten liggen nadat men daarvan geoogst had. Er was wel sprake van ruilhandel met dorpen uit de buurt. Mensen en dieren woonden samen onder één dak en de voeding bestond vooral uit graanproducten. Er werd weinig vlees gegeten.

Slot

De agrarische maatschappij was ontstaan door de val van het West-Romeinse Rijk, de ontstane grote onveiligheid waardoor de handel verder terugliep. Steden verdwenen of werden kleiner waardoor de nijverheid afnam en de geldhoeveelheid. In de agrarische samenleving leefde men vooral van de landbouw en was er sprake van autarkie, horigheid en het ontstaan van domeinen(het hofstelsel).

3.3 Het verschil tussen edelen en ridders

Intro Het beeld dat mensen van edelen en ridders hebben is niet altijd kompleet. Er waren rijke maar ook arme edelen en ridders.

Waar gaat het over?

We spreken over de Tijd van monniken en ridders. Maar wat is eigenlijk het verschil tussen een ridder en een edelman?

3.3.1 Hoe ontstond de middeleeuwse adel?

Met edelen bedoelt men gewoonlijk mensen uit rijke en machtige families. Rijkdom bestond in die tijd uit het bezit van grond. Ze waren dus leenmannen onderdeel van het leenstelsel, ook wel feodalisme genoemd. De Franken hadden al een verhouding van trouw die we vazaliteit noemen. De legeraanvoerder had metgezellen die voor hem vochten. Deze legden een eed van trouw af en beloofden gewapende bescherming in ruil voor levensonderhoud. Vandaar de naam vazallen. Het was Karel Martel die in ruil voor de vele investeringen die men moest doen in een paard en uitrusting grond in ‘bruikleen’ gaf. Door het samenvoegen van de eed van trouw (vazaliteit) en het leen ontstond de feodaliteit of het leenstelsel. Feodum betekent leen.

Een tweede belangrijke stap werd gezet door Karel de Grote. Hij koppelde het leenstelsel aan het bestuur. Het land werd verdeeld in gouwen of graafschappen en daarover werd een graaf aangesteld. Als er oorlog was moest de graaf ervoor zorgen dat alle vrij mannen dienst zouden nemen. In de randgebieden van zijn rijk werden provincies of marken gevormd met een markgraaf aan het hoofd (markies is daarvan afgeleid). Graven en marktgraven werden door Karel de Grote tot leenmannen benoemd. Vorsten van verslagen volken kregen een groot gebied te leen en voerden de titel hertog.

Problemen van het leenstelsel: de lenen werden erfelijk en het systeem werd te ingewikkeld omdat er achterleenmannen ontstonden en omdat men steeds vaker leenman werd van verschillende heren. Zo gingen langzamerhand graven en hertogen het gebied als hun persoonlijk eigendom beschouwen. Koningen in Frankrijk en Duitsland verloren zo veel macht aan hun leenmannen.

3.3.2 Wat waren de ridders?

Voor het voeren van oorlog had men niet genoeg leenmannen. De edelen namen daarvoor mensen met minder aanzien in dienst. Deze mannen werden ridders genoemd. Arme leenmannen hadden vaak te weinig bezit waardoor men of in het klooster kon gaan of carrière kon maken in dienst van een edelman of een rijke erfdochter trouwen.

Het leven van een ridder

Een aantal jaren deed een jonge zoon dienst als page bij een dame om na zijn twaalfde een militaire training te krijgen. Als er geld was om een paard en wapens te kopen, kon je officieel tot ridder geslagen worden. Het leven van een ridder bestond grotendeels uit wachtlopen op een kasteel. Een ridder droeg een maliënkolder; een leren jas met opgenaaide metalen plaatsjes. Omdat de kasteelvrouwen een belangrijke rol hadden moesten ridders er voor zorgen op goede voet met hen te staan en daarom schreven ze hen brieven en gedichten. Zo ontstond de hoofse dichtkunst en ontstond het beroep van troubadours.

Ridders waren vaak gefrustreerd: geen eigendom, geen vrouw, wel beroepsrisico’s. De kerk zorgde ervoor dat er beroepscodes voor ridders kwamen. Ridders werden ook verheerlijkt in de geste, de ridderromans. Bijvoorbeeld de mythische verhalen rond koning Arthur en zijn ridders van de ronde tafel. Langzaam werden deze verhalen doortrokken van de hoofse cultuur.

Slot

De adel in de Middeleeuwen bestond voornamelijk uit leenmannen. Het leenstelsel was ontstaan uit nood. Toen de lenen erfelijk werden en de achterlenen het stelsel ingewikkeld maakten, werd het leenstelsel een last. De koning had moeite om enig centraal gezag uit te oefenen over de leenmannen. Ridders waren soldaten te paard, die vaak van eenvoudige afkomst waren. Romantisch was hun leven niet. Toch werd er langzamerhand een ideaalbeeld ontwikkeld. Ons geromantiseerd beeld ervan stampt uit een latere periode, toen men de ridderlijkheid en het leven van de ridder idealiseerde.

adel en geestelijkheid

3.4 Het belang van de geestelijkheid

Intro

Het kwam voor dat kinderen omdat ze het land niet konden erven in een klooster werden gestopt. Geestelijken stonden in aanzien.

Waar gaat het over?

De geestelijken vormden een afzonderlijke stand in de samenleving. Waarom dat zo was zullen we in de volgende paragraven beantwoorden.

3.4.1 Waardoor waren seculiere geestelijken belangrijk?

Er waren twee soorten geestelijken : de seculiere geestelijken die in de wereld leefden en de reguliere geestelijken omdat ze onder een regel in een klooster woonden. Onder de seculiere geestelijken bestond een rangorde. Aan het hoofd stond de Paus, daaronder de kardinalen(prins-bisschoppen), daaronder de bisschoppen en daaronder weer de pastoors en kapelaans. De paus zetelde in Rome. Maar andere bisschoppen in het oosten waren er niet van overtuigd dat de paus uit Rome moest komen. Dat leidde tot het uiteengaan van de Griekse en de Latijnse kerk in 1054.

De paus in Rome trad sinds de 9e eeuw steeds minder op als een geestelijk leider maar meer als een wereldlijk vorst.

Dat leidde ertoe dat adellijke families het ambt van paus in handen probeerden te krijgen. Daardoor ontstonden er allerlei mistoestanden. Bisschoppen en abten waren machtig en rijk als edelen en vorsten. Maar niet alle pastoors waren rijk want er waren ook gewone mensen die slecht waren opgeleid en arm waren. Zij moesten hard werken om in hun levensonderhoud te voorzien, daarbij geholpen door vrouw en kinderen.

3.4.2 En de reguliere geestelijken?

Deze reguliere geestelijken leefden volgens bepaalde regels in een klooster. Ze mochten niet trouwen, moesten gehoorzaam zijn aan de abt en een armoedig leven leiden.De kloosters vervulden in de samenleving verschillende functies. Ze waren het centrum van een domein, boden onderdak aan reizigers en zorgden voor zieken. Hun hoofdtaak was een geestelijke. Daarnaast zorgden ze voor geschreven teksten bijvoorbeeld door oude teksten uit de Oudheid over te schrijven. Ze speelden ook een belangrijke rol in de ontginning van land. Doordat ze hard werkten en weinig consumeerden, nam hun bezit toe. Door legaten kregen ze steeds meer bezit en konden de kloosters, ondanks de door de monniken afgelegde gelofte van armoede, zeer rijk worden.

De heidenen bekeren.

Hierin speelden de monniken ook een grote rol. In de Nederlanden waren dat vooral Willibrord en Bonifatius. Willibrord kwam vanuit Engeland om hier het geloof te prediken. Bouwde op plekken van vroegere Germaanse heiligdommen kerken. Willibrord zou zich uiteindelijk in Echternach terugtrekken. Bonifatius kwam ook uit Engeland. Tijdens zijn tocht ter bekering in het land van de Friezen werd hij in 754 door de Friezen in Dokkum vermoord .

Slot

De geestelijken waren belangrijk doordat zij de enigen waren die konden schrijven waardoor ze een functie hadden in het doorgeven van de cultuur van de klassieke Oudheid. Ze speelden ook een belangrijke rol bij het vormen van de middeleeuwse cultuur door het schrijven van boeken, verslagen en wetten. Hoge geestelijken en kloosters beschikten ook over veel bezit en dus macht. Ze speelden een belangrijke rol in de verspreiding van het christendom en de vorming van een christelijk Europa.

Epiloog

Het beeld dat in de Middeleeuwen alles draaide om het geloof dient te worden genuanceerd. Wat de politiek betreft gingen koningen en keizers niet zover als de Romeinse keizers die zich als een god lieten vereren maar ze maakten wel gebruik van het geloof om hun macht uit te breiden.Van het gezag van de paus trokken de middeleeuwse vorsten zich niet zoveel aan. Als ze door de paus in de ban werden gedaan gingen ze toch gewoon naar de kerk. De banvloek was dus een politiek middel dat niet werkte.

Ook op het gebied van de wetenschap is een nuancering op zijn plaats. Geleerden probeerden de wetenschap uit de Oudheid zo goed mogelijk voort te zetten en uit te bouwen. Daarnaast was Europa pas aan het einde van de Middeleeuwen helemaal bekeerd tot het christendom.

Het beeld van de christelijke Middeleeuwen is vooral ontstaan doordat monniken in het Latijn schreven, de taal van de kerk. De geschriften bevatten daardoor veel formuleringen die tot het gedachtegoed van de geestelijken behoorden. Godsdienstige formuleringen waren vaak niet meer dan een correcte vorm van uitdrukken. In de Middeleeuwen draaide lang niet alles om het geloof.

Zie voor Hoofdstuk 4: Stadslucht en Kruiddampen Periodekatern MeMo VWO H 4 Stadslucht en Kruiddampen