We hebben 97 gasten online

Memo

5e druk MeMo Havo Hoofdstuk 3 Tijd van ontdekkers ...
25 mrt 2020 10:45

TIJD VAN ONTDEKKERS EN HERVORMERS Blz. 72-89 3. Veranderend mens- en wereldbeeld In dit hoofdstuk wordt de periode van de renaissance, de ontdekkingsreizen en de hervorming behandeld. Het verandere [ ... ]

Memo 4e drukVerder lezen

MeMo Havo 4e dr Hoofdstuk 4 De late Middeleeuwen

Gepost in Memo 4e druk

MeMo 4e dr. Havo Hoofdstuk 4 De late Middeleeuwen

tijdvak 4

4.1 De steden komen weer tot bloei

4.2 De expansie van de christelijke wereld

4.3 De strijd tussen paus en keizer

4.4 Het ontstaan van machtige staten

 

4.1 De late Middeleeuwen

Vanaf de 11e eeuw nam de handel in Europa weer toe, nadat deze in de vroege middeleeeuwen bijna geheel was verdwenen. Dat kwam vooral door toenemende opbrengsten van de landbouw. Daar zijn drie oorzaken voor te noemen:

1) Van het tweeslagstelsel ging men over op het drieslagstelsel. In plaats van de helft van het land braak te laten liggen, liet men nu 1/3 braak liggen. Daardoor nam de opbrengst van het land toe.

2) Woeste gronden werden ontgonnen en toegevoegd aan de landbouwgrond.

3) Boeren gingen ijzeren ploegen gebruiken die de plaggen niet alleen losscheurden, maar ook omkeerden.

De gevolgen van het toenemen van het voedsel waren:

a) de bevolking kon groeien.

b) de handel nam toe.

Er ontstonden op strategische punten lokale markten en er ontstonden grote jaarmarkten. Zo ontstond een opleving van de langeafstandshandel zoals de Italiaanse steden die handel dreven met het Byzantijnse Rijk en het Midden-Oosten. Ook liep vanaf Italië een handelsroute via Frankrijk en Vlaanderen naar Engeland. Ook het noorden van Europa, Scandinavië en het Oostzeegebied, was aangesloten op dit netwerk.

De opbloei van de handel leidde ertoe dat steden gingen samenwerken. Zo ontstond in de 12 e eeuw de Hanze, een samenwerkingsverbond van handelssteden in Noord-Europa. In Nederland waren steden als Deventer, Kampen en Zwolle onderdeel van dit samenwerkingsverbond.

Hanzesteden

Naast de samenwerking van de steden gingen ook de landsheren zich actief met de handel bemoeien. Ter bevordering van de welvaart zorgden ze voor meer veiligheid en stelden rechtbanken in om conflicten tussen handelaren op te lossen. De handel zorgde ook voor een groeiende vraag naar geld. Plaatselijk waren kleine zilveren munten in gebruik. Maar vanaf de 13 e eeuw werden er weer gouden munten geslagen, waardoor de geldeconomie en de geldhandel tot ontwikkeling kwamen. Elke stad sloeg zijn eigen munt zodat geldwisselaars belangrijk werden. Toen deze ook geld gingen uitlenen ontstonden in Italië de eerste banken.

# De stad herleeft

Door de toenemende handel nam ook het aantal steden toe rondom strategisch gelegen plaatsen, bij doorwaadbare rivieren, bij handelswegen die elkaar kruisten, bij kastelen of kloosters. Deze handelsgemeenschappen trokken ambachtslieden aan.

De in omvang groeiende steden, begonnen met hun heer te onderhandelen over meer privileges, zoals het recht om een jaarmarkt te houden of de eigen rechtsspraak te regelen, tolvrijheid en het recht om een verdedigingsmuur op te richten. Kortom men onderhandelde over stadsrechten. Landsheren waren daartoe bereid omdat hen dat belastingen en militaire steun opleverde.

In een middeleeuwse stad werd onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen bewoners. De voornaamste burgers hadden burgerrecht en kwamen in aanmerking voor bestuursambten. Mensen met burgerrecht vormden samen de burgerij. Binnen deze groep ontstond een groep die Patriciërs werden genoemd, omdat ze de belangrijkste bestuursfuncties vervulden. In eerste instantie waren dat vooral kooplieden, later maakten ook ambachtslieden er deel van uit.

Daarnaast waren er ook inwoners zonder burgerrecht. Veelal waren dat mensen die van het platteland naar de stad waren getrokken op zoek naar werk. Om de toenemende concurrentie het hoofd te bieden stichtten handelaren en ambachtslieden verenigingen op, die hun belangen behartigden. Deze verenigingen werden gilden genoemd. Alleen mensen met hetzelfde beroep konden er deel van uit maken. Gilden hielden de concurrentie klein door zelf leden op te leiden en stelden voorwaarden aan de te produceren producten.

Door de groeiende zelfstandigheid van de steden verzwakten de feodale verhoudingen. Burgers in de stad konden zichzelf beschermen en kochten hun vrijheid door belasting aan hun landsheer te betalen.

4.2 De expansie van de christelijke wereld

Europeanen breidden hun bemoeienis uit buiten de christelijke wereld en in toenemende mate in niet-Europse gebieden. Er waren drie vormen van expansie.

reconquista

1) De verovering van islamitisch Spanje en Portugal, de Reconquista.

De Reqconquista

 

Na de bloeitijd viel het uiteen en slaagden de christelijke legers erin de moslims langzaam te verdrijven.)

Spanje tussen 1278-1520

2) De kruistochten. De katholieke kerk riep op tot de kruistochten tegen de bezetters van het Heilige land, de moslims. Paus Urbanus II riep in 1095 op tot de eerste kruistocht. Deze kruisvaardlegers bestonden voornamelijk uit mannen van adel. Motieven op op kruistocht te gaan waren onder andere: a) roem, b) beloning in de vorm van een stuk grond voor leenmannen, c) Italiaanse steden dachten er financieel beter van te worden, d) vergeving te krijgen van hun zonden, e) voor het avontuur.

de kruistochten

3) De trek naar dunbevolkte gebieden in Oost-Europa. Dat werd vooral door ridders van de Duitse Orde in Letland, Polen en Hongarije, tegen niet christelijke volken en ze streefden naar gebiedsuitbreiding door landgebrek.

De strijd tegen geloofsvijanden werd ook werd ook binnen de christelijke wereld gevoerd. Mensen die afweken van de officiële christelijke leer, ketters, werden vervolgd en streng bestraft. De Kerk stelde daar een speciale rechtbank voor in, de Inquisitie. Er ontstonden gewelddadige opstanden tegen andersgelovigen, zoals ketters en joden, en tegen de Katharen in Zuid-Frankrijk.

# De gevolgen van de christelijke expansie

De Reconquista zou tot succes leiden: in 1492 waren de laatste moslimleiders uit Spanje verdreven. Maar de Kruistochten brachten niet het succes waarop men had gehoopt. De veroveringen waren niet blijvend gebleken. Beslissend daarin was de val van de stad Akko in 1291 waardoor er een einde kwam aan de aanwezigheid van de kruisvaarders in het Midden-Oosten.

De Kruistochten 1217-1270

Door de kruistochten waren er veel slachtoffers gevallen en hadden kruisvaarders door plunderingen en andere wandaden eerder verzet tegen zichzelf opgroepen.

Toch waren er ook positieve gevolgen:

a) de handel tussen Europa en het Oosten werd bevorderd.

b) er werden praktische uitvindingen gedaan zoals het kompas.

c) een verrijking van de Europese wetenschap.

Tenslotte kan gesteld worden dat er een directe lijn loopt van de Reconquista naar het ontstaan van Europese universiteiten. Door de komst van de universiteiten waren kloosters in de late middeleeuwen niet langer de enige centra van kennis.

4.3 De strijd tussen de Paus en de keizer

# De Investituurstrijd

Pausen in de late middeleeuwen beweerden dat zij recht hadden op wereldlijke macht en deden daarbij een beroep op het document de Schenking van Constantijn. Later is vastgesteld dat dit document een vervalsing was.

Met deze wereldlijke macht wordt bedoeld dat de Paus niet alleen binnen de kerk gezag had, maar in de christelijke wereld ook boven de vorsten zou moeten staan. Natuurlijk leidde die opvatting tot een strijd.

De paus had de wereldlijke leiders hard nodig om bij bedreigingen van buitenaf hun militiare steun te kunnen vragen. Dat werd in de middeleeuwen genoemd de tweezwaardenleer. Volgens deze leer was de wereld verdeeld in twee machtssferen: een geestelijke en een wereldlijke. Deze moesten niet met elkaar vechten, maar elkaar versterken en respecteren.

Maar steeds meer ontstond er een duidelijke machtsstrijd over de vraag wie de meeste macht had: de koningen of de paus? Vooral tussen de Duitse keizers en opeenvolgende pausen. Otto I had in de tiende eeuw het pausdom geholpen toen het een speelbal dreigde te worden van Romeinse adellijke families. Het waren vervolgens de Duitse keizers die een eeuw lang de pauskeuze bepaalden. Vanuit de kerk ontstond verzet tegen de lekeninvestituur (investituur ceremonie van bevestiging in pausambt). Dit moest niet meer door een leek worden gedaan, maar vanuit de kerk zelf.

De Duitse keizer benoemde ook de bisschoppen, waardoor hij het voordeel had dat deze geen erfgenamen konden krijgen en dus geen leenbezit als erfelijk bezit kon worden bestempeld (ze mochten niet trouwen). De strijd van de pausen om zich los te maken van de invloed van de Duitse keizers leidde tot veel conflicten en wordt de Investituurstrijd genoemd. Deze begon onder paus Gregorius VII in 1075 die de Duitse keizer verbood bisschoppen te benoemen. Keizer Hendrik IV trok zich daar niets van aan en besloot Gregorius VII in 1076 af te zetten. Het begin van een langdurig conflict.

# Een nieuw evenwicht

In het begin leek de paus aan de winnende hand. Hij besloot de keizer in de ban te doen, in feite buiten de kerk te plaatsen. Dat leidde onder de Duitse leenmannen voor de keizer tot problemen waardoor hij besloot toe te geven aan de paus. Na zijn gang naar Canossa, besloot de paus hem vergiffenis te schenken. Maar Hendrik zette daarna de paus opnieuw af en benoemde een nieuwe paus. Dat was het startsein voor een langes trijd. Uiteindelijk was er geen duidelijke winnaar. In 1122 werd er een compromis gesloten, het Concordaat van Worms. De paus zou voortaan aan een bisschop de geestelijke macht geven, de keizer gaf aan de bisschop de wereldlijke macht.

holy roman empire 1350

Voor de Duitse keizer pakte een en ander vooral ongunstig uit. Omdat de hoge geestelijken van adel waren en nu meer te zeggen hadden werd de macht van de keizer beperkt. Het gevolg was dat het Duitse Rijk niet gemakkelijk tot een eenheid kon uitgroeien, maar verbrokkeld bleef in tal van kleine en grote staten.

 

 

# De paus verhuist

De in 1305 gekozen paus Clemens V, liet zich door de Franse koning overtuigen zich in Avingnon te vestigen uit zorg voor zijn veiligheid. Maar de Franse koning wilde de paus ook weghebben uit de buurt van de Duitse keizer. In 1309 verhuisde de Paus naar Avignon waar een pauselijk paleis werd gebouwd. Uiteindelijk zouden 6 pausen vanuit Avingnon de kerk leiden. In 1377 besloot de paus terug te keren naar Rome. Na diens dood werd er zowel in Avingnon als in Rome een paus benoemd, maar uiteindelijk werd de paus in Rome als de echte paus gezien.

 

4.4 Het ontstaan van machtige staten

# Begin van staatsvorming en centralisatie

Edelen en konigen konden met elkaar in conflict raken. Veel konigen probeerde door centralisatie hun macht ten koste van de adel uit te breiden en te regeren vanuit een plaats. Daar ontstond verzet tegen. In Engeland werd door dat verzet een 'Magna Carta'getekend in 1215, waarbij de koning zich moest neerleggen bij bepalingen die zijn macht inperkten. Na ondertekening van de Magna Carta was de strijd echter nog niet beslist. Toch zien de Engelsen de Magna Charta als de basis van hun vrijheden.

Toen in Europa tijdens de late middeleuwen de handel opleefde en er weer geld in omloop kwam kwamen de leenheren sterker te staan ten opzichte van hun leenmannen. Met de belastingen die ze inden konden ze huursoldaten inhuren die op elk moment beschikbaar waren en kon men ambtenaren betalen die loyaal waren aan de heer. Centralisatie van bestuur betekende een meer efficient bestuur en gelijke regels en belastingen. Ook slaagden steeds meer heren erin hun gebied uit te breiden via huwelijken en veroveringsoorlogen.

In een moeilijk en langdurig proces ontstond zo staatsvorming, dat niet zonder slag of stoot door de stedelingen en edelen werd geaccepteerd. Deze wilden hun priveleges niet afstaan. Niet alleen in Engeland kwam men in verzet ook in de Lage Landen dwong een verzet van Brabantse steden de vorst tot ondertekening van een oorkonde die zijn positie verzwakte. De koning moest voortaan volgens deze 'Blijde inkoms' toestemming vragen aan de steden om oorlog te voeren of belasting te heffen. Leenmannnen gaven zich dus maar niet zo gewonnen.

# Het Duitse keizerrijk, Frankrijk en Engeland

Ondanks de centralisatiepolitiek bleef het Duitse keizerrijk erg versnipperd. De vorstendommen worden één blok tegen de keizer. De afloop van de Investituurstrijd was nadelig geweest voor de Duitse keizer. Dat gold ook voor de Noordelijke Nederlanden, die grotendeels onder het Duitse keizerrijk vielen. De leenmannen hier gedroegen zich als zelfstandige vorsten. Pas aan het einde van de middeleeuwen kregen de gewesten in de Noordelijke Nederlanden te maken met centralisatiepogingen, eerst door de Bourgondische hertogen en later door hun opvolgers, de Habsburgers.

In Frankrijk verliep de centralisatie van de macht wel succesvol. Nadat de Franse edelen in 987 uit hun midden Hugo Capet, de graaf van Parijs, als nieuwe koning hadden gekozen, was zijn macht gering, alleen rond Parijs. De leenmannen van de koning gedroegen zich als zelfstandige vorsten. Maar de Capetingen slaagden erin hun macht in een paar eeuwen steeds verder uit te breiden.

frankrijk 1124

Frankrijk in 1124

Kingdoms of France and Arles 1265

In 1265 regeerden de Capetiaanse koningen direct of indirect over grote gebieden van Frankrijk

Oorzaken daarvan waren:

1) Het koninklijke domein was centraal gelegen.

2) Parijs ontwikkelde zich tot een rijke handelsstad waardoor de koningen over veel geld konden beschikken.

3) De opeenvolgende Capets hadden ieder slecht een zoon die erfgenaam was. Daardoor hoefde het gebied niet verdeeld te worden.

4) De Franse koningen hadden veel succes bij de oorlogsvoering.

5) Doorslaggevend was echter de Honderdjarige Oorlog (1337-1453). Tijdens deze oorlog lukte het de Franse koning om zowel de Engelse koning als zijn hoge edelen te verslaan.

honderdjarige oorlog

Kaart van de laatste fase in de Honderdjarige Oorlog

 

Sinds Willem de Veroveraar in 1066 er in slaagde het land in te nemen was de positie van de koning sterk. Willem verdeelde de net veroverde gebieden strategisch onder Franse en Engelse leenmannen en daarbij zorgde hij dat die lenen sterk verspreid lagen en niet aan elkaar lagen. Toch werd in 1215 de Magna Charta gesloten.

lorraineOmdat oorlogen veel geld kosten ontstonden er in heel Europa Parlementen, overlegorganen waarin de koning samenkwam met vertegenwoordigers uit de drie standen: adel, geestelijkheid en burgers. In Frankrijk slaagde de koning er in sommige belastingen te innen zonder tussenkomst van het parlement. In Engeland lukte dat niet. In sommige landen bestonden verscheidene van zulke parlementen en werd de hoogste standenvergadering, met vertegenwoordigers uit het hele land, aangeduid als Staten-Generaal. Dat was in de bijvoorbeeld in de Lage Landen zo.

# Centralisatie in het Bourgondische Rijk

Het gebied dat we nu Nederland en België noemen was in de Middeleeuwen nog geen staat. Het waren de Bourgondische vorsten die als eerste pogingen ondernamen de centralisatie te bevorderen door het instellen van centrale raden, zoals de Staten Generaal.

 

Zie voor Hoofdstuk 5: MeMo Havo 4e dr Hoofdstuk 5 Veranderend wereldbeeld