We hebben 186 gasten online

MeMo Havo 4e dr Hoofdstuk 8 Verlichting en revoluties

Gepost in Memo 4e druk

MeMo 4e dr Hoofdstuk 8 Verlichting en revoluties

Hoofdstuk 8 Verlichting en revoluties

Hoofdstuk 8 Verlichting en revoluties

8.1 De Verlichting

8.2 Vorsten en verlichte ideeën

8.3 Burgers aan de macht

8.4 Vrijheid, ook voor de slaven? 

# Wat is de Verlichting? 

De meeste mensen geloofden dat God een directe invloed op hun leven had. Voltaire vond dat gevoel van zekerheid misplaatst, want voor de werking van kerkelijke rituelen was geen bewijs. Voltaire noemde het geloof dogmatisch en nam niet zomaar aan wat de kerk vond, maar zocht naar bewijzen en onderbouwde dat met logische redeneringen. Daarin leek hij op andere geleerden die sinds de wetenschappelijke revolutie door logisch nadenken (rationalisme), en onderzoek via waarneming (empirisme), kennis opdeden. We noemen dit maatschappelijk verschijnsel de Verlichting.

Het is dus ook niet vreemd dat verlichters kritisch waren over de samenleving en de rol van de kerk daarin. Ze leverden kritiek op het feit dat de koning alle macht zou hebben en ook de privileges van adel en geestelijkeheid stonden ter discussie. Goed bestuur moest het welzijn van het volk verbeteren. Hoe precies, daar verschilden men van mening over.

Via opvoeding en scholing moesten mensen worden opgevoed tot rationele burgers. Beter onderwijs leidde tot meer kennis en men was optimistisch over wat het menselijke verstand zou kunnen bereiken.

Verlichte denkers waren het niet altijd eens met elkaar. Voltaire ging in tegen de opvatting dat God de wereld naar beste vermogen had geschapen. Er was te veel kwaad en rampspoed in de wereld om dat te geloven. Over van alles werd kritisch nagedacht, veel werd onderzocht en vaak verschilde men van mening. 

# Verlichte denkers over de samenleving

Verlichte denkers dachten het meeste na over het geloof en de samenleving. Het rationalistische denken kwam in botsing met het bestaan van wonderen, zoals die in de bijbel (die door verschillende schrijvers beek te zijn geschreven) werden beschreven. Zo ontstond er een heftige discussie over de plaats van het goddelijke in de wereld. Toch bleven de meeste verlichte denkers gelovig. Velen combieerden geloof en rationalisme in een 'mechanisch wereldbeeld'. God had de mens de wereld en de natuurwetten geschapen, maar bemoeide zich na de schepping niet meer met de wereld. Deze zienswijze noemen we het deïsme. Sommigen van deze denkers zagen God niet meer als een persoon.

Het traditionele geloof kwam ook door het cultuurrelativisme onder druk te staan. Verlichte denkers vergeleken wereldreligies met elkaar, waardoor men de colclusie trok dat het christendom niet uniek was, en bekritiseerden daarom het dogmatische denken binnen die christelijke kerk. 

Maar ook de rol van de religie in de samenleving werd kritisch bestudeerd. Der meeste verlichte denkers waren het er over eens dat religie niet de voornaamste leidraad voor menselijk handelen moest zijn. De mens moest zijn eigen verstand gebruiken. Een aantal ging er van uit dat er een universele moraal was, een richtlijn voor ethisch handelen die voor alle mensen gelijk zou zijn. 

Verlichters hielden zich ook bezig met het bestuur van de samenleving. Uiteindelijk ontstonden zo drie belangrijke nieuwe ideeën.

john locke

John Locke (1632-17-4) vond dat alle mensen dezelfde rechten hebben. Om die rechten te beschermen sluit mmen een contract met de regering. Als deze faalt dan vervalt het contract en mogen burgers zich verzetten.

montesqiueu

Jean Jacque Rousseau (1712-1778) was radicaler. Hij zag de regering niets anders dan een uitvoerder van de gezamenlijke wil van alle burgers. De burgers kunnen hun macht weer terugnemen. We noemen dat Volkssoevereiniteit.

Montesquieu (1689-1755) pleitte voor een driedeling van de macht door een scheiding van de machten (trias ploitica) in wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht. De idee van de volkssoevereiniteit en de scheiding der machten zou aan het einde van de 18e eeuw door evoluties veel aandacht krijgen.

De verlichte ideeën werden ook toegepast op het strafrecht en over het denken over het verleden. Geschiedenis was een lang proces van vooruitgang. Volgens historici doorliep elke samenleving verschillende fases. Van primitief (buiten Europa) tot hoogst ontwikkeld (Europa). Zo ontstond er een superioriteitsgevoel in Europa.

8.2 Vorsten en verlichte ideeën

# Verlicht absolutisme.

Frederik koning van Pruisen maakte van Pruisen een moderne staat. Hij voerde verschillende hervormingen door. 

* hij stelde religieuze vrijheid in;

* stimuleerde kunsten en wetenschappen;

* liet kanalen aanleggen;

* beperkte het gebruik van lijstraffen;

* streefde naar scholing van alle kinderen;

* voerde een nationaal wetboek in;

* richtte een ambtenarenapparaat in dat toezag op de nieuwe regels.

Onder druk van dure oorlogen probeerden alle Europese vorsten hun land efficiënter te leiden en de wetenschap te stimuleren. Toch is Frederiks koningschap om twee redenen een voorbeeld van verlicht absolutisme:

1) hij voerde hervormingen door met de bedoeling de samenleving te verbeteren volgens de ideeën van de verlichte denkers.

2) Frederik baseerde zijn macht niet op religie, maar op een rationele redenering. 

Hij streefde naar een moderne, welvarende en rechtvaardige samenleving, maar liet echter één mistand bestaan: de lijfeigenschap. In feite was er in Pruisen nog steeds sprake van een feodale samenleving, net als in de Middeleeuwen. Fredrik schafte de lijeigenschap niet af omdat hij de adel, die alle hoge functies in het leger bekleedden, te vriend moest houden. Keizer Jozef II van Oostenrijk,die het lijfeigenschap wel afschafte, kreeg te maken met opstanden van de adel, kerk en de boeren.

Het verlicht absolutisme legde de verlichtingsideeën van bovenaf op. Het bracht vooruitgang voor veel mensen, maar bracht ook onzekerheid omdat oude rechten van groepen werden afgeschaft en nieuwe wetten werden ingevoerd en de kerk hetzelfde werd behandeld als andere organisaties. 

Toch bleven de hervormingen beperkt omdat ze er ook toe zouden kunnen leiden dat het koningschap werd ondermijnd.

# Het ontstaan van een publieke opinie

Frederik van Pruisen was een grote uitzondering. Toch verspreidden de nieuwe indeeën zich onder een grote groep burgers. Deze vromden zich een eigen mening waardoor er naast het gezag van de kerk en de staat een publieke opinie ontstond. Hoe gingen de regeringen van Frankrijk, de Republiek en Engeland daarmee om?

De verspreiding van de verlichte ideeën vond plaats via tijdschriften, boeken, koffiehuizen, de Encyclopedie, naturukundige genootschappen en in Frankrijk via de salons.

Een voorbeeld in de Republiek was de oprichting in 1784 van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Het Nut meende dat het economisch verval van de Republiek tegeggegaan kon worden, als het volk zou worden opgevoed tot deugdzame burgers. Het Nut gaf schoolboeken uit en richtte volksbibliotheken in. Binnen het Nut was iedereen gelijk en werden beslissingen op democratische wijze genomen. Hierdoor speelde het een belangrijke rol bij de politieke bewustwording van de burgerij. 

Het is duidelijk dat de rol van de publieke opinie in absolutistische geleide landen berperkingen kende.  In Frankrijk werd de koning daarin gesteund door de adel en de kerk. Dit bestuurssysteem wordt ancien regime genoemd. Verspreiding van verlichte ideeën kon alleen als de macht van adel, kerk en koning niet werd aangetast. Censuur werd dan toegepast en de denkers weken dan uit naar het buitenland om hun ideeën te drukken en dan naar Frankrijk te smokkelen. In Engeland en de Republiek was er sprake van een grotere religieuze vrijheid en invloed van de burgers op het bestuur.

Maar ook in de Republiek werd door de calvinistsiche kerk soms aangedrongen, op verbieden van onwelgevallige geschriften, maar door de structuur van de Republiek,  gaf men dan het boek uit in een andere stad of provincie. Regenten hadden wegens economsiche motieven weing belang bij censuur. Daarnaast werden boeken onder een valse naam uitgegeven. De verspreiding werd dus soms wel gehinderd, maar kon niet worden tegengehouden.

8.3 Burgers aan de macht

# Revolutie in Amerika en de Republiek

De onafhankelijkheidsverklaring van Thomas Jefferson vormde het begin van de Ameikaanse revolutie. Dertien Engelse koloniën vochten tot 1783 met Engeland en werden onafhankelijk, stelden een eigen grondwet op waarin het burgerlijk bestuur werd beschreven. In 1787 werd men het eens over een federatie (statenbond), met een eigen grondwet. In de grondwet werden de grondrechten van staatsburgers vastgelegd, zoals de vrijheid van meningsuiting, van geloof, van drukpers en het recht om wapens te bezitten.

we the people

Oorzaken Amerikaanse revolutie:

* beinvloed door de verlichte ideeën;

* de koloniën waren al sinds hun stichting gewend aan enige mate van zelfbestuur en religieuze vrijheid;

Maar toen die vrijheid door Engeland werd bepekt door de invoering van handelsvoordelen voor het moederland kwam met in verzet. Het resultaat van de Amerikaanse revolutie maakte indruk in Europa.

De Amerikaanse revolutie kreeg navolging in de Republiek. Omdat het stadhouderschap erfelijk was geworden, waardoor het steeds meer op een monarchie ging lijken, en de regenten steeds meer een gesloten groep gingen vormen (ze trouwden onderling en verdeelden bestuursambten), leidde dat bij de burgerij tot onvrede, deze protesteerden tegen het corrupte bestuur en verweten hen de slechte economische situatie in de Republiek. Deze beweging werd Patriotten genoemd en streed naar meer politieke macht. Vanaf 1780 groeide de aanhang snel, en toen de economie volledig instortte, door het uitbreken van een oorlog met Engeland, riepen de Patriotten de burgers op zich te bewapenen en werden milities opgericht. Met deze milities kregen de Patriotten controle over verschillende steden. Doordat Pruisische troepen de stadhouder en zijn vrouw te hulp kwamen, werd de patriotse revolutie in 1787 onderdrukt. Daarbij vluchtten 10.000 patriotten naar Frankrijk om in 1795 terug te keren.

 # De Franse Revolutie

In Frankrijk namen de burgers in 1789 de macht over en gedurende 10 jaar bleef dat zo, tot de komst van Napoleon, die in 1799 alleenheerser werd. In Frankrijk ontstond er in 1789 echter geen stabiel democratisch bestuur. Toch noemt men de Franse revolutie de  'revolutie der revoluties'. Dat kwam omdat de Franse revolutie radicaler was en half Europa er uiteindelijk betrokken bij raakte. 

Een oorzaak van de radicaliteit was dat de sociale verhoudingen in het ancien regiem ongelijker waren, en de macht van de koning was er groter dan in Amerika en de Republiek. Frankrijk was nog een feodale samenleving waarin de Eerste stand (de geestelijkheid), en Tweede stand (de adel), voorrechten hadden. De Derde stand (de burgers) vonden die voorrechten onrechtvaardig. Rijke burgers wilden meer politieke macht en arme burgers een beter bestaan. 

De Franse koning wilde de belastingen hervormen, maar moest daarvor de Saten-Generaal bijeenroepen, waarin de drie standen vertegenwoordigd waren. Deze was al sinds 1614 niet meer bij elkaar geweest. Omdat de standen het onderling niet eens werden richtte de Derde stand een nieuwe vergadering op: de Nationale Vergadering.

Hiermee begon de eerste, gematigde fase van de revolutie. Allereerst schafte men de privileges van de Eerste en Tweede stand af. Daarna namen ze de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger aan. Daarin werden de grondrechten vastgelegd, zoals volkssoevereiniteit, gelijkheid, vrijheid van meningsuiting en religie. Na veel dicussie kwam er in 1791 een grondwet. Daarin kregen de rijke burgers (bourgeosie) de wetgevende macht. De koning kreeg de uitvoerende macht. Het volk was zeer enthousiast, maar al spoedig bleek er van eenheid onder het Franse volk geen sprake. Dat leidde er uiteindelijk toe dat in 1792 radicale revolutionairen, de Jacobijnen, met steun van de Parijse armen de macht grepen. De Jacobijnen bestreden de contrarevolutie met terreur. Tegenstanders kwamen onder de guillotine terecht, naar schatting zo'n 40.000. Ook koning Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie-Antoinette eindigden onder de guillotine. De Jacobijnen verboden het katholieke geloof en stelden een atheïstische cultus van de Rede in. Een revolutionaire kalender verving de Gregoriaanse. 1792 was het jaar 1.

In 1794 kwamen de Jacobijnen ten val in de derde en laatste fase van de revolutie. De nieuwe grondwet van 1795 legde de macht weer bij de rijke burgers. Maar omdat ze het leger nodig hadden om de orde te handhaven, zag Napoleon in 1799 zijn kans schoon en nam de macht over.

De Fransen wilden de Franse Revolutie verspreidden en omdat ze bevreesd waren dat de Europese landen deze wilde terugdraaien, vielen ze in 1792 Oostenrijk aan en in 1795 de Republiek(Bataafse revolutie), samen met de Patriotten, waardoor hier de Bataafse revolutie ontstond. Zo werd Nederland voor het eerst in 1798 een eenheidsstaat, met krote tijd een democratische grondwet.

8.4 Vrijheid, ook voor slaven?

# De Europese slavenhandel en slavernij

Er ging een schok door de blanke wereld toen in 1791 slaven in opstand kwamen in Haïti. Was dat ook het einde van het platagesysteem? Een wellicht dat andere slaven nu ook in opstand kwamen?

De belangrijkste reden voor de slavenhandel en de slavernij waren de enorme opbrengsten uit de slavenhandel en de plantagekoloniën. Na de ontdekking van Amerika bleken grote delen van het continent geschikt voor platageteelt. Omdat de Indianen voor het grootste deel bezweken, en men ervaring had met zwarte slaven in Afrika, besloot men zwarte slaven naar Amerika te halen.

Met behulp van Afrikaanse slavenhandelaren haalden Portugal, Spanje, Engeland, Frankrijk, Nederland en Denemarken uit West-Afrika, waar ze forten langs de kust hadden gebouwd, slaven in ruil voor textiel, wapens en andere kostbaarheden. Van daaruit werden de slaven overgebracht naar Amerika, de trans-Atlantische slavenhandel. Tussen 1500 en 1880 werden 10 tot 11 miljoen slaven verscheept naar Noord-en Zuid-Amerika. Doordat na aflevering van de slaven, men allerlei producten vanuit Amerika weer meenam naar West-Europa, spreken we van driehoekshandel.

atlantic slave trade nederlandse slavenhandel

In de 18e eeuw nam de vraag naar slaven verder toe, doordat de vraag naar katoen, tabak, suiker en koffie steeg. Nederland had een groot aandeel in de slavenhandel. Zo'n 5% werd door de WIC vervoerd naar de koloniën in West-Indië, Suriname en de Antillen. In Europa had men nauwelijks moeite met de slavernij.

1) Men beriep zich zelfs op de Bijbel om  slavernij te verdedigen.

2) Daarnaast vond men Afrikanen geen volwaardige mensen omdat ze heidens en onbeschaafd waren en niet voor zichzelf konden zorgen. 

3) De slavenhandel was geen Europese uitvinding. In Afrika werd al eeuwenlang in slaven gehandeld.

# Verzet tegen Slavenhandel en slavernij

Eind 18e eeuw groeide de kritiek op slavenhandel en slavernij. Onder invloed van de Verlichting ontstond de mening dat slavernij in strijd was met de rechten die elk mens van nature bezat. De eerste critici van slavernij baseerden zich op hun geloof. Men verweet Slavenhandelaren en -houders een gebrek aan christelijke naastenliefde. 

Eind 18e eeuw werd in Engeland de eerste organisatie opgericht die streefde naar afschaffing van de slavernij, het abolitionisme. Ze streefden eerst naar het afschaffen van de slavenhandel en met succes. In 1807 werd in Engeland en de VS de slavenhandel verboden, maar niet de slavernij.

Slavernij vormde in de VS, sinds de onafhankelijkheidsverklaring van 1776 een probleem. Waren slaven bezit of hadden ze bepaalde rechten. Economische belangen speelden ook een grote rol, vooral in de zuidelijke staten met hun plantages. In de noordelijke staten was slavernij verboden. Na 1820 namen de spanningen tussen de noordelijke en zuidelijke staten snel op. Dat kwam door:

1) de groeidende sympathie voor de abolitionisten in de noordelijke staten onder invloed van het boek 'De hut van oom Tom'. 

2) de onwil om weggelopen slaven over te leveren aan de autoriteiten leidde tot grote ergernis.

3) de VS breidde zich steeds verder uit naar hetw esten en elke nieuwe staat moste besluiten of slavernij was toegestaan.

Uiteindelijk zou het in de VS tot een bloedige burgeroorlog leidden(1861-1865) en zou door president Lincoln de slavernij worden afgeschaft.

In de loop van de 19e eeuw schaften steeds meer landen de slavernij af. Lange tijd zag men dat als een succes van de abolitionisten, maar dat bleek gebaseerd op een europcentrische visie.

 

Zie verder hoofdstuk 9 MeMo Havo 4e dr Hoofdstuk 9 De economische sprong van Europa