We hebben 230 gasten online

MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 9 De economische sprong van Europa

Gepost in Memo 4e druk

Hoofdstuk 9 De economische sprong van Europa

tijdvak 8

9.1 De Industriële revolutie

9.2 Nationalisme

9.3 Modern Imperialisme

9.1 De Industriële revolutie

# Van thuiswerkplaats naar fabriek

Door een verandering in de aard van de economie begon de Engelse economie in de tweede helft van de 18e eeuw fors te groeien. De kleinschalige en handmatige productie, die kenmerkend is voor de agrarisch-urbane samenleving, veranderde in de gemechaniseerde productie van de industriële samenleving.

In de agrarisch-urbane samenleving rond 1700 woonde 80% op het platteland en om wat bij te verdienen werkte men als spinners of wevers voor koopman-kapitalisten. 

 

Liverpool

Manchester

1700

6.000

8.000

1750

22.000

18.000

1800

83.000

84.000

1850

376.000

303.000

 

 

 

Ontwikkeling steden door de industriële revolutie

De groei in de tweede helft van de 18e eeuw werd veroorzaakt door een aantal met elkaar samenhangende factoren:

1) De opbrengsten van de landbouw stegen spectaculair door de toepassing van wetenschappelijke kennis en de introductie van nieuwe gewassen en betere landbouwwerktuigen.

2) Doordat er meer voedsel beschikbaar was en een verbeterde gezondheidszorg begon de bevolking snel te groeien. De vraag naar voedsel nam toe en dat was gunstig voor de boeren en meer mensen betekende ook meer vraag naar allerlei producten.

3) De koloniën leverden steeds meer goedkope grondstoffen waardoor met name de textielnijverheid groeide. De winsten uit landbouw en handel werden nu gebruikt om de textielproductie te  verbeteren en de productie te laten plaatsvinden in speciale fabrieken. Daar konden ook de nieuwe machines een plaats vinden, zoals het waterframe van Arkwright bijvoorbeeld. De productie vond in grote aantallen plaats en waren van een constante kwaliteit. 

A WATT engine of 1787, equipped with rotatory motion and the engineer's patent governor. The boiler is on the extreme left, supplying steam to the cylinder, whose piston raises and lowers the beam which turns the big wheel. Bron http://www.cottontimes.co.uk

De machines op waterkracht werden steeds meer vervangen door machines op stoomkracht en in 1782 slaade James Watt er in de stoommachine zo te verbeteren, dat deze op grote schaal kon worden ingezet. Dat leidde tot verstrekende gevolgen omdat ook in andere bedrijfstakken stoommachines werden gebruikt. Zo werden de mijnbouw en de ijzerindustrie de belangrijkste peilers van de groei van de economie. Paralel daaraan ontstonden fabrieksteden met honderdduizenden inwoners en werden om de grondstoffen en eindproducten af te voeren, door het hele land kanalen en spoorwegen aangelegd.

De industrialisatie had ook sociaal grote gevolgen

1) De maatschappelijke indeling in klassen en standen veranderde.

a) het aantal fabriekseigenaren nam toe. Deze werden bijzonder rijk en kregen in de loop van de 19e eeuw steeds meer politieke macht.

b) de tot dan toe klassieke elite (de adel,militairen en rijke kooplieden) vond die nieuwe groep eigenlijk maar indringers.

2) Er ontstond een nieuwe sociale groep de arbeidersklasse.

a) hun leef- en arbeidsomstandigeheden waren beroerd.

b) men maakte lange werkdagen.

c) vrouwen en kinderen moesten meewerken.

d) het bestaan was zeer kwetsbaar en werd men ziek dan had men geen inkomsten.

e) een verbetering van de leefsituatie leek er niet in te zitten.

f) behoorlijk onderwijs was er niet.

3) De middenklasse werd versterkt

a) fabrieken boden ook werk aan boekhouders en ingenieurs.

b) in de steden was er behoefte aan onderwijzers, ambtenaren en winkeliers.

c) voor deze klasse nam de welvaart toe door de dalende prijzen van allerlei eerste levensbehoeften, zoals kleding, die machinaal werd geproduceerd.

d) de groei van de middenklasse vertaalde zich in een groeiend zelfbewustzijn en een streven naar politieke invloed.

 In de industriële samenleving ging de staat zich intensiever met de samenleving bemoeien. (Bijvoorbeeld werd het onderwijs nu niet meer alleen overgelaten aan kerkelijke of particuliere organisaties. De verlichtingsfilosofen hadden al eerder gewezen op het belang van goed onderwijs).

1) Voor de middenklasse werden door de overheid zelf scholen opgericht.

2) De overheid nam maatregelen ter verbetering van de leefsituatie in de steden door de afvalverwerking te verbeteren,voor goed drinkwater te zorgen, rioleringen aan te leggen, de energievoorziening te verbeteren en de infrastructuur te verbeteren.

Door al die gevolgen spreken we  van een Industriële revolutie.

# Kapitalisme en economisch liberalisme

Het handelskapitalisme was door de Industriële revolutie veranderd in het moderne kapitalisme, waarin de particuliere ondernemers goederen en diensten produceren om zoveel mogelijk winst te maken. Daarbij maakt men gebruik van productiemiddelen zoals grond, gebouwen, machines en grondstoffen en de arbeid geleverd wordt door mensen die die productiemiddelen niet bezitten. 

adam smithDaarbij was ook van belang dat de 18e eeuwse mercantilistische economische politiek steeds meer kritek kreeg door onder meer de Schotse filosoof Adam Smith. Hij wordt wel de grondlegger van de klassieke economie genoemd. In zijn beroemde werk 'The Wealth of Nations' uit 1776 pleitte hij juist voor een zo groot mogelijke economische vrijheid,  waarbij de enige taak van de overheid was te zorgen dat de economie goed kon functioneren. Dus geen overheidsinvloed. Als iedereen op kon komen voor zijn eigen belangen zou dat gunstig zijn voor de welvaart van een land. Adam Smith werd daarmee de grondlegger van het economisch liberalisme. 

Natuurlijk konden de handelaren en fabrikanten zich goed vinden in zijn ideeën en wilden ze niets meer weten van het mercantilisme en via het Engelse Parlement streefde men naar afschaffing ervan. Zo was er natuurlijk ook geen plaats meer voor gilden en deze werden dan ook in 1835 afgeschaft.

Door het economisch liberalisme kwamen de arbeiders echter steeds meer in de knel, ook al nam hun welvaart in de 19e eeuw iets toe. De arbeids- en leefomstandigeheden waren soms zo slecht, dat het Engelse Parlement al voor 1850 besloot in te grijpen.

2 Nationalisme  

# Nationale gevoelens

Het nationalisme gaat uit van de gedachte dat mensen tot verschillende volken behoren en dat elk volk een gemeenschappelijke geschiedenis, taal en cultuur heeft. Nationalisten hebben een sterke voorliefde voor de cultuur van het eigen volk en vinden het belangrijk dat dat volk één is en in een eigen - nationale -  staat leeft. In de 19e eeuw kwamen die nationale gevoelens sterk naar voren.

Voor een deel komen ze voort uit de Verlichting en de Franse Revolutie. Een inwoner van een land was niet langer 'onderdaan' , van een vorst maar lid van een gemeenschap, een burger die zichzelf moest besturen en verdedigen. Ze moesten vooral eenheid uitstralen en samen sterk staan.

Maar ook de Romantiek speelde in deze beeldvorming een rol. De romantiek was niet per se nationalistisch, maar de aandacht voor het volk paste wel heel goed bij de behoefte om gestalte te geven aan de onderlinge verbondenheid van de burgers. Juist in de 19e eeuw kwam overal in Europa een beweging op gang om de identiteit van het eigen volk vorm te geven. 

Regeringen stimuleerden deze natievorming krachtig. Door middel van het onderwijs in de landstaal en de vaderlandse geschiedenis werden verbondenheid en eenheid gekweekt. Technologische prestaties droegen bij aan een gevoel van nationale trots.

 # Nationalisme in de politiek

De politieke grenzen die binnen Europa in de loop van de geschiedenis binnen Europa waren getrokken, vielen niet altijd samen met taal- en cultuurgrenzen. Geen wonder dat nationalisten daar niet blij mee waren. Dat leidde in de praktijk dan ook tot drastische consequenties voor gebeiden waar 'volken' verdeeld waren over meerdere staten, bij voorbeeld in het Duitse taalgebied. In de lappendeken van Duits sprekende staten werd daarom gestreefd naar Duitse eenwording hetgeen in 1848 leek te slagen. Maar het oppermachtige Pruisen wilde alleen een Duitse eenheidsstaat onder Pruissiche leiding zonder democratische grondwet. Pas in 1871 slaagde Otto van Bismarck er in Duitsland tot een eenheidsstaat te smeden. Maar die staat leek echter niet op de door de nationalisten in 1817 of 1848 gewenste staat. De keizer bleef namelijk oppermachtig.

Ook in Italië zou een lage strijd gevoerd worden, op het Italiaanse schiereiland waren meerdere staten ontstaan,  voordat Italië in 1870 een onafhankelijke eenheidsstaat werd. 

Italië

Italiaanse eenwording 1859-1870

Maar sommige staten vielen juist uit elkaar zoals het Ottomaanse Rijk. Binnen het Ottomanse Rijk woonden veel volken die ontevreden waren over de Turkse overheersing en het recht op zelfbeschikking op begonnen te eisen. Dat speelde zich ook af binnen Oostenrijkse keizerrijk waar tal van volkenregelmatig in opstand kwamen. 

In 1815 hadden de overwinnaars in Wenen besloten dat de Nederlanden een koninkrijk moesten vormen, als sterke macht tegen Frankrijk. De zuidelijke Nederlanden kwamen daartegen in 1830 in opstand en in 1839 ontstond daaruit België.

Dat het nationalisme ook onaangename kanten had bleek uit het feit, dat door het opkloppen van vaderlandslievende gevoelens staten tegenover elkaar kwamen te staan. Nationale trots ging ook een rol spelen bij het veroveren van koloniën door de Europese staten. Juist dat leidde tot grote internationale spanningen en zou een van de dieperliggende oorzaken zijn van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

 3 Modern Imperialisme

# Modern Imperialism

Al eerder was het kolonialisme ontstaan aan het einde van de vijftiende eeuw en in de zestiende eeuw als gevolg van de ontdekkingsreizen die vanaf toen vanuit Europa werden ondernomen. Zij die terugkeerden spraken over de grote rijkdommen die door handel met de nieuw ontdekte gebieden konden worden verkregen. Zo ontstond er tussen de Europese landen toen al een strijd.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich een nieuw soort imperialisme, mede als uitvloeisel van de Industriële revolutie. Dat had een aantal oorzaken:

1) Het was voor landen die aan het industrialiseren waren belangrijk om over voldoende grondstoffen te kunnen beschikken. Dat deed men via handel, maar ook dwong met de inlandse bevolking om een deel van hun oogst te leveren aan de kolonisator. Dit noemen we een wingewest (zoals bijvoorbeeld Nederland in Ned-Indië het Cultuurstelsel invoerde). Ook vestigden zich westerse ondernemers zich in de koloniën om daar plantages, mijnen en boorinstallaties te exploiteren.

2) De koloniën diende ook als afzetgebieden voor de producten die in het moederland werden geproduceerd.

3) Een groot overzee rijk gaf politiek en militair aanzien. Er was dus sprake van een direct verband tussen het moderne imperialisme en het nationalisme.

4) Vanuit Europa leefde ook de gedachte dat de volken 'beschaving' moest worden bijgebracht. Daarbij ging men dan wel weer uit van Europese superioriteit. Het christelijk geloof moest worden verspreid en de Europese beschaving. Dat werd ook wel 'white man's burden' genoemd. 

De strijd om de ontwikkeling van wereldrijken kende ruwweg twee fasen.

In de eerste fase vocht men vooral om Azië. Nederland en Groot-Brittannië breidden hun bezittingen in Indië en India uit en zochten nieuwe wegen om die te exploiteren. Frankrijk veroverde gebied in Indochina, het latere Vietnam, Laos en Cambodja. De VS deed dat op bescheiden schaal door de Filipijnen op Spanje te veroveren.

Landen zoals Italië, Duitsland en België hadden weinig of geen koloniën en nu ontstond er in de tweede fase een wedloop met Frankrijk en Engeland om gebieden in Afrika te veroveren.In 1884-1885 kwamen de Europese landen in Berlijn bijeen om afspraken te maken, hoe men Afrika onderling zou verdelen. Bismarck, de Rijkskanselier van Duitsland,  stemde ermee in om aan Koning Albert van België Kongo Vrijstaat als kolonie te geven.

Op het Amerikaanse continent waren de ontwikkelingen iets anders verlopen. De Engelse koloniën aan de Oostkust verklaarden zich al in 1776 onafhankelijk van het moederland Engeland. 

Midden- en Zuid-Amerika waren van oudsher Spaanse en Portugese koloniën waar vooral plantages werden gesticht. De moederlanden beperkten zich veelal tot het innen van belastingen.  Begin 19e eeuw hadden onafhankelijksbewegingen in het midden van Amerika en in Zuid Amerika succes. Spanje en Portugal verloren hun gezag en ontstonden er landen als Mexico, Argentinië en Brazilië.

# De gevolgen van het moderne imperialisme

 Welke gevolgen had het moderne imperialisme voor de onderworpen volken?

1) De mensen kregen te maken met Euroepse politieke machthebbers. Engeland werkte met een indirect bestuur. Inlandse vorsten en bestuurders bleven daarbij in India op hun plaats , maar moesten wel de orders doorgeven die ze van Engelse ambtenaren kregen. De inheemse sociale hiërarchie bleef daardoor intact. Ook Nederland werkte met dit systeem in Nederlands-Indië.

De Fransen daarintegen voerden een dirtect bestuur in hun koloniën. Dat was duurder en kwam de winstgevendheid van een gebied niet ten goede, maar gaf wel meer zekerheid.

2) De inheemse bevolking werd intensief ingeschakeld bij de economische activiteiten van het moederland. Een voorbeeld was het Cultuurstelsel in Nederlands-Indië. Men was verplicht op 20% van de grond,  voortaan koffie, suiker, thee en indigo voor de wereldmarkt te produceren. Daardoor kwam de productie van rijst onder druk te staan met hongersnood als gevolg. De winsten van het Cultuurstelsel werden bijvoorbeeld gebruikt voor de aanleg van de Nederlandse spoorwegen.

3) Een deel van de inheemse bevolking werd ingeschakeld bij het bestuur en in het leger. Zo werden soldaten uit de Molukken ingedeeld in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, de KNIL. Onderling werden daardoor de tegenstellingen vergroot.

4) De grenzen van de landen werden dusdanig getrokken dat men geen rekening hield met de leefgebieden van de verschillende bevolkingsgroepen. Dat leidde in veel gevolgen tot conflicten tussen bevolkingsgroepen toen de nationale staten ontstonden in Afrika. 

afrika 1914

5) De inwoners van de koloniën kwamen in aanraking met de West-Europese cultuur. Zowel op materieel als immaterieel gebied. Denk aan rechtspraak, geloof en de aanleg van de infrastructuur.

 

 Zie verder Hoofdstuk 10 Politieke strijd en emancipatie. MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 10 Politieke strijd en emancipatie