We hebben 146 gasten online

MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 10 Politieke strijd en emancipatie

Gepost in Memo 4e druk

Hoofdstuk 10 Politieke strijd en emancipatie

tijdvak 8

10.1 Restauratie en liberale revoluties

10.2 Emancipatie

10.3 Naar een verzuilde samenleving

10.4 Wetenschap in de 19e eeuw

10.1 Restauratie en liberale revoluties

Met Restauratie wordt de periode bedoeld tussen 1814 en 1830 en was een reactie op de democatische revoluties van de 18e eeuw en de Napoleontische tijd.

De Ierse politicus Edmund Burke had al in zijn 'Reflections on the Revolution' uit 1790, gewaarschuwd dat in Frankrijk de macht op straat zou komen liggen en dat een of andere populaire generaal een poging zou doen de macht te grijpen. Chaos moest van wel uitlopen op dictatuur. In feit erger dan het Oude Regime van voor 1789. 

Burke was de mening toegedaan dat het strak vasthouden aan (eeuwen) oude rechten en wetten, zoals de Magna Carta van 1215 in Engeland, een goede basis was geweest voor een geleidelijk groeiende inspraak van burgers en het parlement.

De gebeurtenissen in Frankrijk lieten zien dan abstracte begrippen als 'vrijheid' en 'mensenrechten'geen stabiliteit boden. De begrippen  werden misbruikt om het volk op te stoken. Juist de voorspelde vrijheid van de burgers zou aangetast door het ingrijpen van Franse militairen.

Inderdaad raakt het revolutonaire Frankrijk in 1792 in oorlog met de omringende staten en veroverde het daarna verscheidene gebieden. In 1799 kwam zo Napoleon Banaprte als sterke man naar voren die vrijwel heel Europa onderwierp en uiteindelijk in Rusland verslagen werd in 1814.

De invloed van Napoleon in Europa was groot geweest. Napoleon streefde naar een mengeling van revolutionaire daden en autoritair bestuur.

1) Hij had in de veroverde staten een eind egemaakt aan allerlei eeuwenoude privileges van de adel.

2) Traditionele vorsten werden vervangen door nieuwe staatshoofden( vooral familieleden van Napoleon)

3) Er werden nieuwe grenzen getrokken, nieuwe wetten uitgevaardigd en nieuwe bestuursfuncties ingevoerd.

Nu Napoleon was verslagen werd geprobeerd om zo veel mogelijk alles terug te draaien, ook wel restaureren genoemd. Tevens probeerde men nieuwe revoluties te voorkomen.

europa 1815

Tijdens het zogenaamde Congres Van Wenen 1814-1815 werden de landen het er samen over eens dat vorsten die door Napoleon waren verdreven, in hun oude rechten moesten worden hersteld. Maar ook moest het machtsoverwicht tussen de grote staten worden hersteld, daarom werd Frankrijk omringd met enkele nieuwe sterke staten.

Maar een echt herstel van het Oude Regime van voor 1789 bleek in de praktijk niet haalbaar. De Conservatieven wilden de oude machthebebrs terughebben. Maar er waren mensen die bleven geloven in een aantal idealen van de Franse Revolutie. Zij weigerden te accepteren dat mensen op grond van hun geboorte wel macht kregen en anderen niet. Zij vonden dat de burgers bij het bestuur moesten worden betrokken en zij vonden enkele fundamentele rechten van groot belang zoals: de vrijheid van meningsuiting, drukpers en vergadering. Deze rechten moesten in een grondwet worden vastgelegd. Vanwege de nadruk op de vrijheden werden deze mensen liberalen genoemd.

Het voorkomen van nieuwe revoluties hield niet lang stand want al in 1830 ontstond er in Frankrijk en ook elders in Europa revoluites, aangevoerd door liberale burgers die meer inspraak en politieke vrijheden wilden. Daarna vonden er in tal van landen in 1848 liberale revoluties plaats en Frankrijk werd in 1848 een Republiek waar mannen als eerste het algemeen kiesrecht kregen. In steeds meer landen moesten vorsten en adel hun  macht afstaan aan de gegoede burgerij.

Nu de meerderheid van de gekozen volksvergadering de besluiten nam, hoe werden dan de rechten van een minderheid veilig gesteld? Zou dat niet kunnen uitmonden in tirrannie?

Het was de Engelse liberaal John Stuart Mill die op dit gevaar wees in zijn essay 'Om Liberty', uit 1859. Hij pleitte juist voor een optimale vrijheid van het individu, ook ten opzichte van meerderheden in maatschappij en regering. Mensen met afwijkende meningen waren belangrijk omdat zij de maatschappij uitdaagden en haar daardoor verder konden brengen. Overheidsdwang daarentegen zou leiden tot onderdrukking, verstarring en economische achteruitgang. Aleen als gedrag gevaar opleverde voor anderen mocht bij wet gehoorzaamheid worden afgedwongen.

# Het koninkrijk der Nederlanden

De Fransen hadden ook op Nederland hun stempel gedrukt. In 1795 werd de oude Republiek vervangen door de Bataafse Republiek, een eenheidsstaat. Napoleon hief de Bataafse Republiek op en maakte van Nederland in 1806 een koninkrijk onder leiding van koning Lodewijk Napoleon, een broer van Napoleon. Deze werd geliefd en Napoleon besloot om in 1810 het koninkrijk weer op te heffen en Nederland tot een provincie van Frankrijk te maken.

Na de nederlaag van Napoleon wilden veel nederlanders dat er een Oranje aan het hoofd zou komen te staan. De zoon van de in 1795 naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V werd gevraagd of hij niet koning zou willen worden. Hij stemde daarmee in en in 1814 werd hij als 'soevereine vorst 'ingehuldigd. In 1815 trad hij aan als Koning Willem I van de Nederlanden, nadat het Congres van Wenen had besloten om de voormalige Oostenrijkse Nederlanden bij Nederland te voegen (als buffer tegen Frankrijk) .

nederland 1815

Niets leek meer op de oude Republiek.

1) Het grondgebied was groter maar ook bestuurlijk was er een eenheidsstaat ontstaan. Dat was al in 1795 bij het ontstaan van de Bataafse Republiek.

2) Door die eenheidsstaat golden voor iedereen dezelfde wetten en regels.

3) Daarnaast was er een constitutionele monarchie ontstaan, de koning was gebonden aan de grondwet.

4) In de grondwet werden ook enkele vrijheden zoals vrijheid van drukpers vastgelegd.

5) In de Republiek waren er geen verkiezingen, de elite verdeelden toen de bestuursbanen. Nu werden de koning en zijn ministers indirect gecontroleerd door het parlement dat door een deel van de bevolking was gekozen, Censuskiesrecht waardoor alleen welgestelden mochten kiezen en gekozen in Provinciale Staten die vervolgens de leden van de  Tweede Kamer kozen. Dat noemen we getrapte verkiezingen. De koning benoemde de leden van de Eerste Kamer.

6) De koning had echter de macht om ministers te benoemen die aan hem verantwoording schuldig waren en kon het parlement naar huis sturen. Zijn bestuur werd verlicht absolutisme genoemd.

Ook in de Nederlanden kwamen de burgers in opstand tegen de koning. Er was sprake van een regionale opstand want het katholieke zuiden voelde zich achtergesteld en spliste zich als België in 1830 af. Willem I erkende dat pas in 1839. 

nederland 1830

Koning Willem II die zijn vader in 1840 had opgevolgd, werd zo bang voor een revolutionaire Opstand, dat hij instemde met de in 1848 gemaakte grondwet door de liberaal Thorbecke.

In die grondwet werd de minsteriële verantwoordelijkheid ingevoerd en de koning werd onschendbaar. De minsters waren nu verantwoordig schuldig aan de Tweede Kamer en konden door de Tweede Kamer ontslagen worden. De grondwet regelde ook vrijheid van onderwijs, vereniging en vergadering. Alleen het kiesrecht zou nog censuskiesrecht blijven al werd dat steeds meer uitgebreid.

2 Emancipatie

# Recht voor allen

De idealen van de revolutietijd waren begin 19e eeuw in Europa nog nauwelijks werkelijkheid geworden. Alleen een kleine groep welgestelde mannelijke burgers hadden toegang gekregen tot het landsbestuur. Een meerderheid van de bevolking had geen invloed op het bestuur en werd op economisch en sociaal vlak achtergesteld. Dat was niets nieuws, maar sinds de democratische revoluties werd dat gezien als onrecht.

In de 19e eeuw ontstond structureel verzet tegen allerlei vormen van ongeljkheid tussen mensen. Minderheden streefden naar emancipatie, is gelijkberechtiging.

Een eerste vorm van menselijke ongelijkheid was de slavernij. Tegen de onrechtvaaardigheid van de slavernij was al eerder protest aangetekend, en kort na 1800 werd de slavenhandel afgeschaft. Maar pas in 1833 maakte het Engelse Parlement een eind aan de slavernij in de koloniën en de Fransen in 1848.

In de VS zorgde de burgeroorlog ervoor dat uiteindelijk door president Lincoln de slavernij werd afgeschaft.

 Spotprent over de afschaffing van de slavernij 

De tweede vorm van ongelijkheid was die tussen mannen en vrouwen. Vrouwen streefden naar meer vrouwenrechten, dat we feminsme zijn gaan noemen. 

Vrouwen hadden geen kiesrecht, mochten alleen met toestemming van hun man een huis kopen, mochten zelf geen echtscheiding aanvragen en werden voor hetzelfde werk altijd minder dan mannen. In de VS organiseerden Amerikaanse femisten in Seneca Falls een eerste vergadering voor vrouwenrechten met als belangrijkste punt kiesrecht voor vrouwen. Het algemeen mannenkiesrecht was in de VS al ingevoerd. Vrouwen hoopten door het kiesrecht op een verbetering van hun maatschappelijke positie. Het zou nog tot 1920 duren voordat Amerikaanse vouwen naar de stembus mochten.

In Europa ontstond vanaf 1870 naar Amerikaans voorbeeld ook een emancipatiebeweging die we de Eerste Feminstische Golf zijn gaan noemen. Vrouwen meestal afkomstig uit de hogere middenklasse zetten zich in voor het algemeen kiesrecht voor vrouwen. In Nederland werd dat in 1919 ingevoerd. Tegelijk streed men ook tegen andere vormen van maatschappelijke ongelijkheid.

De derde vorm van maatschappelijk onrecht was de ongelijkheid tussen arm en rijk.

# Ontwaakt verworpenen der aarde

Door het kapitalisme en economisch liberalisme waren er grote verschillen tussen arm er rijk ontstaan. Dit probleem noemen we de sociale kwestie. Liefdadigheid of het stuk maken van machines leverden geen bijdrage tot de oplossing van het probleem. 

Arbeiders probeerden door middel van vakbonden de handen in elkaar te slaan en door middel van onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden hun positie te verbeteren. Maar volgens sommigen was dat niet voldoende. Er diende een structurele verbetering van het lot van de arbeiders te komen. Een beweging die zich daarvoor ging inzetten noemen we het socialisme.

Binen het socialisme tekenden zich twee stromingen af. De ene stroming wilde de veranderingen bereiken via parlementaire weg, de sociaaal-democcraten genoemd, en streefde dus naar algemeen kiesrecht voor iedereen. Verandering door evolutie.

Daartegenover stond een groep die alleen nog maar heil zag in een revolutie omdat een vreedzame oplosiing niet mogelijk was. Van die groep was Karl Marx de belangrijkste. Volgens Marx werden de rijken steeds rijker en de armen steeds armer. Dat moest onvermijdleijk leiden tot een 'klassenstrijd'. De uitgebuite onderklasse, het proletariaat,  zou in opstand komen tegen de heersende klasse, de bourgeoisie. Deze opstand of revolutie zou uiteindelijk leiden tot de omverwerping van de kapitalistische samenleving, waarin alle productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zouden zijn en niemand meer gebrek zou leiden. Marx nnoemde zijn leer communisme.

marxisme

In 1848 publiceerde Marx samen met Friederich Engels 'Het Communistisch Manifest', waarin ze de proletariërs opriepen zich te verenigen en de maatschappelijke orde omver te werpen.

Liberale politici zagen dat de scheve welvaarts -en machtsverdeling op den duur onhoudbaar zou zijn. Tegen het einde van de 19e eeuw zien we dan ook dat overheden wetten invoerden die kinderarbeid verboden, onderwijs, volksgezondheid en volkshuisvesting verbeterden en dat het keisrecht steeds meer werd uitgebreid. 

In Nederland brak in 1869 de eerste staking uit georganiseerd door Amsterdamse scheepstimmerleiden. De eisen werden ingewilligd en men richtte een vakbond op die zich aansloot bij de Socialistische Internationale. Maar ook de voortuitstrevende liberale burgerij vond dat de overheid moest ingrijpen in de sociale kwestie. Als eerste kwam in 1874 op initiatief van het liberale kamerlid van Houten het zogenaamde kinderwetje tot stand. Maar ter linkerzijde was men niet tevreden.  Domela Nieuwenhuis die in 1888 als lid van de Sociaal Democratische Bond als socialist in het parlement was gekomen vond al spoedig dat overleg in de democratie geen zin mee had en wilde via revolutie zijn doel bereiken. 

Maar voor veel socialisten ging dat te ver en ze richtten daarom in 1894 de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op, die via evolutie (het parlement) en niet via revolutie,de emancipatie van de arbeidersklasse probeerde te bereiken.

In 1917 werd samen met de liberalen een belangrijke doelstelling bereikt: algemeen kiesrecht voor mannen en in 1919 algemeen kiesrecht voor vrouwen. Op sociaal-economisch gebied  bestond er echter nog grote ongelijkheid, niet alleen in Nederland maar ook in de rest van Europa.

3 Naar een verzuilde samenleving

# "Tegen de revolutie het evangelie"

Tot 1795 golden Katholieken, joden en niet-calvinistische protestanten als tweederangsburgers. Tijdens de Bataafse revolutie kwam er officieel een einde aan de discriminatie op godsdienstig gebied. Dat werd daarna nog eens bevestigd door de grondwetten van 1815 en 1848. De Nederlandse elite bleef protestants en voor katholieken was het niet eenvoudig om een eigen plek te vinden.

Dat de Rooms-katholieken weer bisschoppen konden benoemen was een teken dat de Nederlandse samenleving rond 1850 aan het veranderen was.

De toenemende geloofsvrijhed had drie gevolgen:

1) Onder katholieken kwam een emancipatieproces op gang. Er werden nieuwe bisschoppen aangesteld, maar katholieken begonnen zich ook zelfbewuster te manifesteren ook op politiek gebied.

2) Er ontstonden nieuwe calvinistische geloofsrichtingen. Er ontstonden naast de gematigde, 'hervomde' variant van het protestantisme  nieuwe, strenggelovige, 'gerefomeerde' kerken.

3) Bovenstaande ontwikkelingen hadden ook hun invloed op de politiek. Al in 1849 kwam Guillaume Groen van Prinserer in de Kamer als vertegenwoordiger van het othodoxe (rechtlijnige) calvinsime. Hij en zijn aanhangers veroordeelden het liberalisme als een 'gifappel' aan de boom van de Franse Revolutie. Zijn aanhangers gingen zich 'anti-revolutionairen 'noemen en bepleiten een politiek op christelijke grondslag. Het was het begin van het confessionalisme, een politiek stroming die het geloof centraal stelde.

# Een land van minderheden

De verschillende levensbeschouwingen hadden de neiging zich op te sluiten in hun eigen gemeenschappen. In dat kader was de strijd voor de eigen scholen van groot belang. Volgens de liberalen moest de overheid zorgen voor goed onderwijs, godsdienstig neutraal (openbaar) onderwijs voor alle Nederlanders. Zonder dwang daarom was de vrijheid van onderwijs ook in de grondwet opgenomen. Ouders mochten zelf scholen oprichten als zij hun kinderen niet meer naar de openbare scholen wilden sturen.

Het waren de anti-revolutionairen die met de grondwet in de hand voor eigen rekening 'scholen met de Bijbel' gingen op richten. De katholieken zouden hen volgen.

Over dit bijzondere onderwijs ontstond een groot conflict: de schoolstrijd. Toen de regering in 1878 met een nieuwe onderwijswet kwam, wilde men het onderwijs daarmee verbeteren, maar daardoor werd het onderwijs ook duudrder. De ongesubsidieerde bijzondere scholen dreigden daardoor onbetaalbaar te worden. Albert Kuyper, de nieuwe leider van de Anti-revolutionairen wist dat hij de eigen achterban achter zich moest verenigen in deze strijd. Hij richtte daarom in 1879 de eerste politieke partij van Nederland op, de 'Anti-Revolutionaire Partij (AR). Ook de katholieken begonnen zich politiek te organiseren. Anti-revolutionaire en katholieke kamerleden sloten een verbond tegen de liberalen en samen streefden ze naar financiële gelijkstelling van het bijzondere onderwijs.

De levensbeschouwelijke verdeeldheid van de samenleving bleek ook uit de Verzuiling. Protestanten en katholieken trokken zich terug in de eigen organsaties. Elke groep kreeg zijn eigen kranten, vakbonden en gezelligheidsverenigingen. Ook de socialisten gingen hun achterban op deze manier organseren. De liberalen vormden een algemene zuil. Zo waren er vier zuilen ontstaan en was Nederland een land van 'minderheden' geworden. Alleen aan de top van de zuilen had men contact met elkaar.

De situatie zoals in Nederland kwam in andere landen van Europa niet voor, omdat daar vaak één overheersende godsdienst was. Daardoor kwamen sociale verschillen daar meer op de voorgrond.

Waarom hadden de tegenstellingen tussen Nederlandse katholieken en protestanten in de 19e eeuw niet geleid tot een burgeroorlog of het uiteenvallen van het land.

1) Er was in Nederland een traditie van tolerantie ten aanzien van andersdenkenden. Al tijdens de Opstand was geloofsvrijheid een belangrijk goed geweest in de Republiek, als anderdenkenden zich maar niet nadrukkelijk manifesteerden.

2) De verzuiling zelf schiep voorwaarden voor het vreedzaam naast elkaar leven.

3) De hoogste vertegenwoordigers van de zuilen zochten op een zakelijke manier naar oplossingen die voor de eigen achterban bevredigend waren.

In 1917 werd de schoolstrijd beslist door onderling uit te ruilen. In ruil voor gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs kregen mannen algemeen kiesrecht. Deze poltiek is men Pacificatie gaan noemen, het zodanig inrichten van de samenleving dat groepen met verschillende levensbeschouwingen zich voldoende gerespecteerd voelden.

Dat hield oberigens niet in dat de zuilen niet regelmatig botsten met elkaar. Door middel van onenigeheid konden de leiders hun kiezers mobiliseren en een groter aandeel van de nationale koek opeisen. Confessionelen waarschuwden voor de goddeloosheid van de socialisten en moesten katholieken en protestanten afstand houden: "Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen". 

In Nederland was een pacificatiedemocratie ontstaan.

 4 Wetenschap in de 19e eeuw

# De strijd om het bestaan.

in de 19e eeuw werd de bijbel nog steeds gezien als de door God geopenbaarde waarheid. Wie die waarheid ter discussie wilde stellen, ondermijnde volgens veel 19e-eeuwers het fundament van de samenleving. Er waren dus maar weinig mensen die openlijk afstand namen van de kerk en haar leer. 

Sommigen zagen de Bijbel niet alleen als morele leidraad, maar ook als een bron van kennis. Maar wetenschappers hadden zo hun twijfels over het scheppingsverhaal. Uit fossielen kon men opmaken dat vroegere plant- en diersoorten zich langzaam hadden ontwikkeld. 

Maar toen de onderzoeker Darwin in 1859 zijn boek publiceerde 'Over de oorsprong der soorten', bleek waarom soorten zich ontwikkelden. Levende wezens voeren een constante strijd om het bestaan. Dankzij kleine verschillen hebben sommige individuen een grote kans om te overleven (the survival of the fittist). Darwin noemde dat een natuurlijke selectie. Er was dus sprake van een evolutie. Darwin realiseerde zich dat de evolutietheorie zich moeilijk liet combineren met het traditionel beeld van God als de schepper. Soorten ontwikkelden zich niet volgens goddelijk plan maar door toevallige omstandigheden. De mens was uiteindelijk geëvolueerd uit apen. Het is duidelijk dat dit voor velen als een schok kwam. 

 # De mens irrationeel en door God verlaten

Darwin was niet de enige die de geloofszekerheden ondermijnde. Al in de 18e eeuw hadden verlichtingsfilosofen aangegeven dat de mens zijn ratio diende te gebruiken en dat veel zaken wetenschappelijk verklaarbaar waren en niet de wil van God.

Rond 1840 deed de Duitse filosoof Ludwig Feuerbach er nog een schepje bovenop. Hij stelde dat God niet de mens had geschapen, maar de mens God. De mens had dus God verzonnen. Feurebach geloofde slechts in wat hij kon zien 'de mens is wat hij eet', zij hij, 'en niets meer'. 

Karl Marx ging nog een stap verder en beschreef de godsdienst als 'opium voor het volk'. De belofte om na dit aardse leven een plaats te krijgen in de hemel was alleen maar bedoeld om de armen te onderdrukken en af te houden van een gerechtvaardigde opstand.

Friederich Nietzsche zette in 1882 de volgende stap door te verklaren 'God is dood'. De nieuwe mens moest een trots zelfstandig wezen zijn, dat zelf bepaalde wat goed of slecht was.

Naast Darwin, Marx en Nietzsche wordt Sigmund Freud, de grondlegger van de moderne psychoanalyse, gezien als de  vierde 'architect van de moderne  tijd'. Volgens Freund was godsdienst weinig meer dan een kader van gemeenschappelijke normen en waarden dat de asociale instincten van de mens onderdrukte. Gelovigen ruilden hun onafhankelijke geest in voor een kinderlijke onderdanigheid aan een gefantaseerde vaderfiguur. Daarmee gaf hij uitdrukking aan het feit dat hij de mens geen rationeel wezen vond. Volgens Freud bestond de menselijke geest in essentie uit twee delen: een onderbewust deel, waar oerdriften als seksuele verlangens, angst en agressie huisden, en een bewust deel dat deze 'lage' driften moest beheersen en waarmee mensen rationele afwegingen maakten. Door dromen  en associatieve uitspraken te analyseren probeerde Freud te achterhalen wat er in het onderbewuste leefde en welk trauma verantwoordelijk was voor de psychische stoornis. Hij paste zijn theorie ook toe op gezonde mensen. Hun gedrag was te verklaren door ervaringen en trauma's uit hun jeugd. Wat Freud in feite deed was het relativeren van het rationele karakter van de mens. 

In de loop van de 20e eeuw kregen het Darwinisme en het Freudiaanse denken steeds meer aanhangers. Dit tot zorg van de kerken. Er trad een steeds verdere secularisering op en mensen verlieten de kerk. Deze secularisering werd ook verder aangewakkerd door de opkomst van de welvaartstaat en de ontwikkeling van de medische wetenschap. Tegelijkertijd ontstond er ook weer een tegenbeweging van mensen die juist op zoek gingen naar de fundamenten van hun geloof. Ze namen de Bijbel zeer letterlijk en dus ook het scheppingsverhaal en niet de evolutietheorie van Darwin.

 Zie verder hoofdstuk 11