We hebben 108 gasten online

MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 14 Vrijheid en democratie

Gepost in Memo 4e druk

Hoofdstuk 14 Vrijheid en democratie

14.1 Vier vrijheid!

14.2 De opmars van het parlement tot 1848.

14.3 De democratisering van Nederland (1848-1939).

14.4 Politiek, politici en de kiezers.

14.1 Vier vrijheid!

In deze paragraaf wordt onderzocht wat de de begrippen vrijheid en democratie in de loop van de geschiedenis precies inhouden. Het is vanzelfsprekend dat in een democratie de mensen gelijk zijn en ´in een geest van vrijheid´handelen.

Maar wanneer is iemand echt vrij? Wanneer is er een echte democratie? Welke rechten heb je dan?

14.1.1 Wat is vrijheid?

De vrijheid wordt gewaarborgt door vrijheidsrechten, die garanderen dat mensen vrij zijn van ongewenste bemoeienis met hun leven door anderen of de staat. 

Burgers en slaven, horigen en lijfeigenen

In het Athene ten tijde van Pericles had maar een beperkte groep mensen burgerrechten. Zij mochten ´in een geest van vrijheid´de staatszaken behandelen. Daar hoorden slaven, vrouwen en vreemdelingen niet bij. Door de komst van het christendom werd de slavernij in West-Europa afgeschaft.

Hoewel de Nederlanden in de Middeleeuwen geen slavenmarkten kende waren niet alle mensen vrij. Op het platteland waren door het feodalisme de horigen aan de grond gebonden. Andere onvrijen waren de lijfeigenen , die persoonlijk aan een heer gebonden waren. Nadat in de late Middeleeuwen weer nieuwe steden ontstonden, waren inwoners van die steden vrije burgers. Het gezegde luidde ´Stadslucht maakt vrij´. Tijdens de  Opstand tegen Spanje was het streven naar vrijheid natuurlijk het hoogste goed. 

Geef mij maar Amsterdam

Amsterdam staat bekent als een stad waar veel kan en mag. In de zeventiende eeuw was Amsterdam de belangrijkste stad van de Republiek.

Maar hoe vrij waren de Amsterdammers zelf? 

Er waren drie soorten Amsterdammers: burgers of poorters, inwoners en vreemden. Burgers waren het meest vrij en genoten middeleeuwse voorrechten, zoals vrijheid van tol in heel Holland, toegang tot de gilden, toegang tot politieke en bestuurlijke functies. Burger worden kon, mits je genoeg betaalde. Vluchtelingen vanwege het geloof kregen het burgerschap gratis. Iedere officiële  ´burger´ had ´gelijk recht tot de privilegiën en voorrechten dezer stede´. Dat gold ook voor vrouwen, maar weer niet voor joden en katholieken.

Hoe zat het nu met persoonlijke vrijheid? Hoe ver ging de bemoeienis van de stedelijke overheid? 

Dat ging heel ver! Er werd zelfs bepaald hoeveel gasten bij huwelijksfeesten mochten worden uitgenodigd.

Naast het feit dat vrijheden voor burgers waren en aantrekkelijke reden om naar Amsterdam te komen was de economische vrijheid ook belangrijk. Lage belastingen, garanties bij bescherming van je bezit en de vrijheid om een onderneming op te richten. Er waren speciale rechtbanken waar economische geschillen aan konden worden voorgelegd. Slavenhandel was een belangrijke bron van inkomsten en slaven hield men op plantages buiten Europa.

14.1.2 Anders en toch gelijk

Op 2 november 2005 werd Theo van Gogh in Amsterdam vermoord door een radicale moslim. Deze vond dat Van Gogh de Islam, door zijn werk had beledigd. Maar in ons land kan men als men zich beledigd voelt naar de rechter stappen. In onze grondwet ligt in artikel 7 de vrijheid om  gedachten en gevoelens te uiten vast. De vrijheid van meningsuiting en de verdraagzaamheid om daarmee om te gaan liggen aan de basis van de democratie.

Onmogelijk de mens zijn vrijheid tot oordelen te ontnemen

In Amsterdam zochten in de 17e eeuw belangrijke denkers hun toevlucht. Een van hen was Baruch Benedictus de Spinoza. Deze was met familie gevlucht voor de Spaanse Inquisitie eerst naar Portugal en toen naar Amsterdam. Volgens Spinoza was het onmogelijk de mens zijn vrijheid tot oordelen te ontnemen. Spinoza vond dat de vrijheid van meningsuiting bij een goede regerng hoorde. Tegenwoordig vinden we dat zo belangrijk dat het recht op vrije meningsuiting in de grondwet verankerd is.

Willem van Ornaje vond dat bij vrijheid van geweten ook vrijheid van het geloof hoorde. Hij was er niet op uit dat de protestanten het alleen voor het zeggen zouden krijgen. In de Unie van Utrecht van 1579 stond in artikel XII dat iedereen vrij zijn religie zou mogen kiezen en dat niemand meer vervolgd en ondervraagd zou worden over zijn godsdienst.

Maar godsdienstvrijheid? Nee dat was nu ook weer niet het geval. Katholieken zaten in schuurkerken of schuilkerken. Overheidsfuncties waren niet opengesteld voor andere geloven. Willem van Oranje kreeg dus niet helemaal zijn zin.

Van Patriotten naar Aletta Jacobs

De patriotten gaven aan het einde van de 18e eeuw het begrip ´vrijheid´een nieuwe betekenis. Ze streden voor persvrijheid, representatieve democratie gebaseerd op Volkssoeverreiniteit. Tijdens de Franse tijd kwam er in 1798 een zeer democratische, zij het korte tijd, grondwet tot stand. Nederland werd toen een eenheidsstaat met belangrijke democratische rechten. Maar Napoleon vond het bestuur niet effectief. Na de Franse Tijd ontstond het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij de koning als een verlicht despoot regeerde.

In 1848 kwam een nieuwe grondwet tot stand, het was Thorbecke die de nieuwe grondwet op verzoek van de koning opstelde. Daarin waren tal van vrijheden opgenomen, zoals de vrijheid van drukpers en vrijheid van vereniging en vergadering. Maar echte democratie was het nog steeds niet omdat er enkel censuskiesrecht bestond voor mannen. Vrouwen hadden zo wie zo minder rechten. Het was Aletta Jacobs die als eerste vrouw er in slaagde het artsexamen af te leggen. Door goed gebruik te maken van de vrijheid van drukpers  en vereniging kreeg ze grote invloed. Ze richtte de Vereniging voor het vrouwenkiesrecht op en in 1919 kregen ook vrouwen kiesrecht. Maar het zou nog tot 1983 duren voordat in de grondwet werd opgenomen dat discriminatie verboden is... vrijheid en gelijkheid gingen niet gelijk op!

Afrondend

Vrijheid bleek geen eenduidig begrip. Veel mensen hadden aan het einde van de Middeleeuwen hun persoonlijke vrijheid verworven, maar moesten een harde strijd leveren om de vrijheid van bemoeienis door een opdringende vorst en de vrijheid van geloof te verwerven. Godssoevereiniteit werd Volkssoevereiniteit. Maar pas in 1848 kwam er in Nederland  pas echte godsdienstvrijheid. Sinds 1983 staat in de grondwet dat je niet mag discrimineren. 

14.2 De opmars van het Parlement tot 1848

We onderzoeken de ontwikkeling van politieke rechten en de opkomst van het parlement als machtigste politieke orgaan in Nederland. 

In het Athene van Pericles was er sprake van een directe democratie. Echter alleen voor de mannelijke inwoners van Athene. Die democratie was in de loop van de tijd verdwenen. In Nederland waren het de Patriotten die eind 18e eeuw streden voor de democratie. In 1815 werd Nederland een Koninkrijk met nog veel macht voor de koning (Verlicht despoot). Door de grondwet van Thorbecke in 1848 werd de macht van de koning an banden gelegd. Het parlement kreeg juist meer macht.

12.21 De Patriotten en de representatieve democratie. 

Binnen de Republiek ontstond aan het einde van de 18e eeuw ontevredenheid omdat de Republiek voorbij werd gestreefd door Engeland en Frankrijk. Daarnaast had een kleine kliek steenrijke kooplieden de macht in handen. We noemen ze de regenten. Onder invloed van de Verlichting vonden steeds meer mensen dat zij ook invloed moesten kunnen uitoefenen op het bestuur. Zij wilden een beter Nederland met meer bestuurlijke eenheid. Tot dan toe was Nederland verdeeld in gewesten met ieder hun eigen bestuur en wetten. De mensen die daar naar streefden ze we Patriotten gaan noemen. De voorman was Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Zijn ´Aan het volk van Nederland´ werd door heel Nederland verspreid. Hier werd voor het eerst gesproken  over ´ het volk van Nederland´.

 

volk van nederland

Het ideaal werd een representatieve democratie met een gekozen vertegenwoordiging, die namens alle burgers beslissingen neemt. Er ontstonden nieuwe organisaties zoals de Maatschappij tot Nut van ´t Algemeen die de Nederlanders tot volwaardige en zelfbewuste burgers wilde opvoeden. Uiteindelijk mislukte de revolutiepoging van de Patriotten omdat de koning van Pruisen, zwager van Willem V hem te hulp kwam. De Patriotten vluchtten toen naar Frankrijk om in 1795 terug te keren.

De Franse erfenis

Door de komst van de Fransen in 1795 was het afgelopen met de Republiek en kwam de Bataafse Republiek tot stand (1795-1806).

bataafse republiekvlag bataafse republiek

 

De Rechten van de Mens werden ingevoerd, Nederland werd een eenheidsstaat, de privilèges van de steden en gewesten werden in één klap afgeschaft. Kerk en Staat werden gescheiden en mensen kregen rechtsbescherming. Al die Ideeën zijn terug te voeren op de Franse Revolutie: eenheid van bestuur, scheiding van Kerk en Staat, gelijkheid voor de wet en vrijheid van godsdienst.

 Toen men het niet eens kon worden over de invoering van een nieuwe grondwet werd er met behulp van de Fransen een staatsgreep gepleegd en kwam er  in 1798 één land, met overal gelijke rechten zoals vrijheid van drukpers, meninguiting, godsdienst en algemeen kiesrecht. Maar Napoleon greep in en benoemde zijn broer Lodewijk Napoleon tot koning (1806-1810). Uiteindelijk nam Napoleon het bestuur helemaal over (1810-1813).

14.2.2 Van Willem I tot Thorbecke.

Na het verdrijven van de Fransen werd Nederland een monarchie waar de koning nog veel macht had. De zoon van Stadhouder Willem V werd aangezocht als koning. Er kwam een Parlement tot stand dat bestond uit twee kamers. Beide kamers hadden de bevoegdheid de wetsvoorstellen die de minsters indienden, goed te keuren.

Was Nederland nu echt een representatieve democratie?

Nee, zeker niet. De Tweede Kamer werd gekozen via getrapte verkiezingen, maar alleen rijke mensen mochten hun stem uitbrengen door toepassing van het cencuskiesrecht. De leden van de Eerste Kamer werden door de koning benoemd. De minsters waren aan de koning verantwoording schuldig en niet aan het parlement. De koning investeerde eigen vermogen in de nieuwe staat Nederland. Het Congres van Wenen had België bij Nederland gevoegd om Frankrijk van een nieuwe aanval te weerhouden. Daardoor waren er wel problemen ontstaan met de koning, die dacht dat hij wel kon bepalen wat er in het zuiden van het koninkrijk moest gebeuren. Dat nam men niet en het grootste deel van de zuiderlingen waren tegen de grondwet. Willem I regeerde bij voorkeur per Koninklijk Besluit. Dat hoefde namelijk niet van te voren aan de kamers te worden voorgelegd. 

In 1830 kwamen de Belgen in Opstand en uiteindelijk vormde België een eigen staat, los van Nederland.

De onschendbare koning

Patriotten waren er niet meer maar de stroming die zich nu inzette voor meer inspraak en een invloedrijker parlement, werden liberalen genoemd. Liberalen stonden en staan voor vrijheid en democratie en legden dat vast in een eigen programma.

memo hfst 5 afb 1

Onder invloed van een dreigende revolutie, overal in Europa vonden die plaats, koos Willem II om binnen 24 uur van conservatief tot liberaal te worden en vroeg aan Thorbecke om een nieuwe grondwet te maken.

thorbecke

Thorbecke nam dat voorstel aan maar bleef vinden dat alleen mensen die over voldoende middelen beschikten, mochten stemmen, omdat je volgens hem alleen dan zelfstandig genoeg kan nadenken. Dus bleef het censuskiesrecht bestaan. In de grondwet werd de vrijheid van vereniging en de vrijheid van drukpers geregeld. De scheiding der machten, ideeën van Montesquieu, werden toegepast. Een scheidng tussen de wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht. De koning werd onschendbaar en de ministers verantwoordelijk. De minsters dienen aan het parlement verantwoording af te leggen en het parlement kan de minster tot aftreden dwingen. Het parlement kreeg meer rechten. De Tweede Kamer bezat al het recht van initiatief (wetten indienen) en daar kwam het recht van Amendement( wetten veranderen) nog bij. Maar arme mannen en vrouwen hadden nog steeds geen politieke invloed.

Afrondend

Vanaf het eind van de 18e eeuw hadden de patriotten kritiek op de manier waarop Nederland werd bestuurd. Zij waren voor een echt democratisch bestuur. Het waren de Fransen die van Nederland een eenheidsstaat maakten Even leek een echte democratie werkelijkheid te worden, maar dat lukte onder de Fransen uiteindelijk niet. Nadat Nederland onder de Oranjes een monarchie waren geworden kreeg de koning nog veel macht. Pas in 1848, toen de grondwet van Thorbecke werd ingevoerd, veranderde dat en de koning werd onschendbaar en het parlement het belangrijkse politieke orgaan. Maar nog steeds was er censuskiesrecht allen voor mannen. Het zou nog een tijd duren voordat het algemeen kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen werd ingevoerd, in 1917 en 1919.

14.3 De democratisering van Nederland (1848-1939)

In 1848 waren nog veel mensen uitgesloten van politieke invloed. Nederland werd vooral bestuurd door liberalen. Belangrijke twistpunten, zoals de schoolstrijd, het algemene kiesrecht en de sociale kwestie, zorgden voor verdere democratisering van Nederland.

14.3.1 Opkomst van de confessionele partijen

Het onderwijs was sinds 1848 openbaar en algemeen christelijk van aard. Dat algemeen leidde ertoe dat katholieken en protestanten hun eigen scholen gingen oprichten. Maar de overheid wilde het bijzondere onderwijs niet financieren. Zo ontwikkelde zich een schoolstrijd. Het waren de protestanten die er als eerste toe over gingen echte politieke partijen op te richten. Het was Abraham Kuyper die in 1878 de ARP oprichtte. Antirevolutionair betekende letterlijk: tegen de Franse Revolutie. Kuyper was tegen de scheidng van Kerk en Staat en was voor Godssoevereiniteit. 

memo hfst 5 afb 6

Kuyper richtte zich tot de streng gelovige protestanten, door hem ´de kleine luyden´genoemd. Hij formuleerde de leer van de antithese. De belangen van de confessionelen stonden tegenover die van de liberalen en socialisten.  De staat moest zich zo weinig mogelijk bemoeien met wat de christenenen in eigen kring wel konden regelen. Zij hadden recht op soevereiniteit in eigen kring.

De katholieken hadden dezelfde problemen met hun eigen bijzonder onderwijs. Maar zij waren al eeuwenlang tweederangsburgers geweest. Ze werden altijd geweerd uit overheidsfuncties en eigenlijk kregen ze pas nu kansen. Ze gingen zich emanciperen. Ze wilden eerst niet met Kuyper samenwerken. Na eerst samengewerkt te hebben met de liberalen richtte de priester Schaepman een katholieke beweging op. Een programma was er in 1896, een partij in 1916: de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP). 

Sociale kwestie

Schaepman trok zich het lot aan van de industriearbeiders. In Nederland was de Industriële Revolutie pas in de tweede helft van de 19e eeuw begonnen. De levensomstandigheden van de arbeiders waren erbarmelijk. Schaepman was bang dat de katholieke arbeiders door socialistische en anti-kerkelijke ideeën gegrepen zouden kunnen worden.

Maar het liberale kamerlid Samuel van Houten diende een eerste wetsvoorstel in, het kinderwetje van Van Houten waarbij kinderarbeid voor kinderen onder de 12 jaar werd verboden. Maar pas na 1901 verdween met de Leerplichtwet de kinderarbeid uit ons land.  De confessionele arbeiders volgden hun confessionele leiders of vormden  eigen vakverenigingen om te strijden voor hogere lonen en redelijke werktijden. 

Het censuskiesrecht werd echter steeds meer verlaagd. Arbeiders richtten de SDB, de Sociaal Democratische Bond op. De leider van de SDB Domela Nieuwenhuis wilde echter liever een socialistische revolutie en was tegen de monarchie. De meeste socialisten echter vonden de strijd voor het algemeen kiesrecht het allerbeangrijkste. 

In 1894 richtte Pieter Jelles Troelstra de SDAP op, de Sociaal Democratische Arbeiderspartij. De parij was voor algemeen kiesrecht, gelijkheid voor iedereen en staatseigendom van de productiemiddelen. De SDAP was tegen gelijkstelling van het bijzonder onderwijs. De confessionele partijen waren wel voorstander van uitbreiding van het kiesrecht, maar de schoolstrijd ging voor. Een aantal ARP leden richtte in 1908 de veel conservatievere Christelijk Historische Unie op (CHU).

14.3.2 Pacificatie en democratie

Tijdens de moeilijke periode van de Eerste Wereldoorlog groeide de saamhorigheid. De liberale minster-president Cort van der Linden bedacht een compromis voor de grote tegenstellingen in politiek en maatschappij. De schoolstrijd en de strijd voor algemeen kiesrecht. Het algemeen kiesrecht werd uitgeruild tegen gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Mannen kregen in 1917 actief en passief kiesrecht. Vrouwen kregen alleen passief kiesrecht en pas in 1919 actief kiesrecht. Het districtenstelsel werd in 1917 afgeschaft en werd vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. 

Jelle Troelstra de leider van de SDAP dacht in navolging van de revoluties elders in Europa, ook in Nederland de revolutie uit te kunnen roepen. Het tegendeel gebeurde en de SDAP werd in het hele Interbellum uitgesloten van regeringsdeelname tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. 

De communisten hadden in 1909 hun eigen politieke partij opgericht, vanaf 1935 onder de naam Communistiche Partij van Nederland. De liberalen hadden hun standpunten kunnen verwezenlijken  en zouden pas weer in de tweede helft van de 20e eeuw een macht van betekenis vormen.

Verzuiling en fascistische verleiding

In 1922 gingen 3,3 miljoen Nederlanders van 25 jaar en ouder naar de stembus. twee keer zoveel als in 1918. De RKSP kreeg 32 van de 100 zetels; De ARP 16 van de 100 zetels; De CHU 11 van de 100 zetels. De confessionelen profiteerden dus het meest en hadden met 59 zetels een meerderheid. De grootste arbederspartij de SDAP kreeg 20 zetels.

memo hfst 5 afb 4

De samenleving werd steeds meer opgedeeld in zuilen: een katholieke, een protestantse, en socialistische en een algemene of liberale zuil. Mensen hadden nauwelijks contact met mensen buiten hun eigen zuil. Aleen de leiders van de zuilen hadden contact met elkaar. Het hele maatschappelijke leven werd per zuil geregeld. Dat is waarschijnlijk een reden waarom de NSB en andere fascistische partijen tijdens de economische crisis zo weinig steun kregen.

Colijn leidde vijf kabinetten in het Interbellum waarbij het grootste probleem was de economische situatie het hoofd bieden en de neutraliteit van Nederland handhaven. Maar er was grote eensgezindheid over het functioneren van de parlementaire democratie. De neutraliteit werd door Duitsland geschonden en de regering week uit naar Londen.

Afrondend

Door de grondwet van Thorbecke waren belangrijke rechten vastgelegd. Slijtzwam bleef de schoolstrijd, de sociale kwestie en de strijd voor het algemeen kiesrecht. Naats de liberale partijen ontstonden ook protestantse, katholieke en socialistische partijen. De liberale minster-president Cort van der Linden voerde de pacificatiedemocratie in waarbij de drie twistpunten afdoende werden geregeld. De verzuiling was maatschappelijk een feit waardoor de fascistische partijen er tijdens de crisis in de jaren dertig niet in slaagden veel aanhangers te verwerven. De bezetting door Duitsland leiddde ertoe dat Nederland voorgoed haar neutraliteit moest opgeven en vijf jaren zonder democratie trachtte stand te houden.

 14.4 Politiek, politici en de kiezers.

Nederland was in de 20e eeuw een volwaardige rechtstaat en een parlementaire democratie.

Welke partijen hebben vanaf de tweede helft van de 20e eeuw de politiek van Nederland beheerst en hoe reageerde de bevolking op politiek en politici?

Tijdens de oorlog was al nagedacht hoe een doorbraak kon worden bereikt in de verzuiling. De persoon van de lijsttrekker, werd naar Amerikaans voorbeeld steed belangrijker. De ontzuiling speeld dar ook een rol in.  Rond 2000 waren het politici als Fortuyn en Geert Wilders die het ´politieke gekonkel´ aan de kaak stelden.

In Europa werd gestreefd naar samenwerking om daarmee een nieuwe oorlog uit te bannen.

14.4.1 Doorbraak of niet?

De politici die in St.Michielsgestel door de Duitsers gegijzeld werden vonden dat er een einde moest komen aan de verzuilde structuur van Nederland. Er moest een nieuwe politiek worden gevoerd. De Nederlandse Volksbeweging  (NVB) moest voor de doorbraak zorgen. De SDAP hief zichzelf op en ging verder als PvdA, de  Partij van de Arbeid. De nadruk werd gelegd op herverdeling van inkomen en niet meer op gemeenschappelijk eigendom van het kapitaal. Het werd een middenpartij. De RKSP doopte zich om in de Katholieke Volkspartij (KVP). De liberalen stichtten in 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. 

memo hfst 5 afb 10

De Nederlandse Volkspartij kon een en ander niet waarmaken en de PvdA en de KVP vormden van 1946 tot 1958 coalitieregeringen, de Rooms-Rode kabinetten onder Willem Drees. Naast de wederopbouw van Nederland vormde Nederlands-Indië het meest acute probleem. Na de orlog onderhandelde men met de nationalisten en sloot het akkoord van Linggadiati in 1946. Maar het parlement verwierp dat. Na twee zo genoemde politionele acties in 1947 en 1948 zou uiteindelijk, onder druk van de VS, op 27 december 1949 de onafhankelijkheid van Indonesië worden ondertekend. Nieuw Guinea bleef nog van Nederland maar ook dat gebied moest worden overgedragen. In 1975 werd ook Suriname onafhankelijk.

De rooms-rode kabinetten voerden een bewuste geleide loonpolitiek zodat het bedrijfsleven kon investeren. Er kwamen allerlei sociale wetten zoals de AOW en Nederland werd een verzorgingsstaat. De verzuilde organsaties bleken na de oorlog juist aan kracht te winnen en de katholieken werden door de bisschoppen erop gewezen in het Bisschoppelijk mandement van 1954, dat men niet op de PvdA mocht stemmen en alleen naar de KRO luisteren. 

14.4.2 Samenwerking in Europa

Alleen hechte samenwerking van de landen in Europa zou een nieuwe oorlog kunnen voorkomen. Zeker de aartsvijanden Duitsland en Frankrijk (Duitsland had al drie maal Frankrijk aangevallen) moesten gaan samenwerken. Als eerste samenwerkingsverband kwam de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal tot stand (EGKS) in 1951, tussen Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België en Luxemburg. De organisatie stond boven de nationale regeringen en wordt daarom een supranationale organisatie genoemd.

Zes EEG-landen

De volgende stap was het verdrag van Rome in 1957 waarbij de Europese Economsche Gemeenschap werd opgericht door dezelfde landen die ook deel uitmaakten van de EGKS. Binnen 15 jaar moesten de voornaamste doelen worden bereikt. De Europse Commissie zou leiding geven aan dit project en was het dagelijks bestuur.

14.4.3 Polarisatie en ontzuiling

memo hfst 5 afb 11

Halverwege de jaren zestig was er in Nederland meer welvaart en meer bestaanszekerheid. In de politiek stonden de partijen scherper tegenover elkaar. Helderheid door de tegenstellingen te verduidelijken, maar ook door de verzuiling af te breken. Hans van Mierlo richtte Democraten 66 op die voor helderheid en vernieuwing zou moeten zorgen. D´66 was eigenlijk een ´doorbraakpartij´, wilde de band tussen kiezer en gekozene aanhalen, het districtenstelsel weer invoeren en een einde maken  aan politiek op basis van een ideologie. In 1967 verloren de drie confessionele partijen hun meerderheid. In 1963 had de KVP nog 50 van de 150 kamerzetels., in 1967 nog maar 42. In 1963 stemde 85% van de katholieken op de KVP, in 1967 nog maar 70%. En dat zette zich door.

Onder leiding van de KVP´er Piet Steenkamp gingen de drie confessionele partijen met elkaar praten om uiteindelijk in 1980 samen te gaan in het Christen Democratisch Appèl (CDA).

memo hfst 5 afb 15

Maar ook binnen de andere politieke partijen ontstond beroering. Binnen de PvdA ontstond een richting Nieuw Links die via een brochure ´Tien over Rood´ aangaven terug te willen naar de oude socialistische idealen. 

Aan de recherzijde slaagde Hans Wiegel erin van de VVD een echte volkspartij te maken. De VVD groeide van 8 zetels in 1948 tot rond de 30 zetels in de jaren tachtig en negentig. Wiegel die een meester was in communicatie slaagde er in vooral via de Televisie aanhang te verwerven. 

Maar ook buiten de politiek was er sprake van een omwenteling. Jongeren vroegen in buitenparlementaire acties aandacht voor politieke onderwerpen. Ze protesteerden tegen van alles. De Provo- beweging nam daarin het voortouw.  Ook vrouwen, verenigd in bijvoorbeeld de Rode Vrouwen, gingen strijden voor meer rechten zoals abortus. Ook de Oorlog in Vietnam leidde tot hevige protesten tegen de VS. Er was sprake van een democratiseringsgolf.

14.4.4 Europa breidt zich uit

Ook in andere Euroepse landen kwam men op voor meer democratie en inspraak. De Europese economische samenwerking was een succes. De Nederlndse economie groeide jaarlijks met 5,1% en het aandeel van de Nederlandse handel met EEG-landen van 41,7% in 1958 naar 55% in 1966. Andere landen wilden ook graag lid worden waaronder het Verenigd Koninkrijk. In de jaren zeventig en tachtig breidde de  EEG, die inmiddels overgegaan was in de Europese Gemeenschap, zich met zes landen uit. In 1973 met Engeland, Ierland en Denemarken. In 1981 met Griekenland en in 1986 met Spanje en Prtugal. Plannen voor een verdere integratie liepen echter stuk. In 1973 was er door de oliecrisis economisch een slechte tijd ontstaan en zelfbehoud stak de kop weer op. De stagnatie duurde ruim 10 jaar. Onder leidng van Jaques Delors werd een nieuw plan gelanceerd om de samenwerking te intenciferen. Dat vond zijn beslag in het Verdrag van Maastricht in 1992 en zo ontstond in 1993 de Europese Unie (EU) waar inmiddels 27 landen lid van zijn. Een aantal landen voerden een gemeenschappelijke munteenheid in, de Euro.

eu enlargement

 

14.4.5 De opkomst van het populisme

De grootste klap voor de poltieke partijen kam uit onverwachte hoek, van de columnist Pim Fortuyn. De vorming van een´paars´kabinet, een kabinet tussen PvdA en de VVD, leidde ertoe dat Fortuyn dit als ´politiek is handjeklap in achterkamertjes´ omschreef en ´politiek is het volk bedriegen en voorliegen´. Een eenvoudige ideologie, die ook wel ´populisme´werd genoemd. Ook nam hij stelling tegen de immigratiepolitiek. Na een glanzende overwinning bij de gemeenteraadsverkiezingen werd hij een bedreiging voor de bestaande partijen. Hij was lijsttrekker geworden van het LPF, maar werd vermoord. De partij kwam nog met 27 zetels in de kamer, maar het daarna gevormde kabinet hield niet lang stand.

In navolging van de LPF richtte Geert Wilders de Partij voor de Vrijheid op die snel op grote aanhang mocht rekenen. De begrippen links en rechts in de politiek kregen en andere inhoud. Links was altijd progressief en gericht op hervorming en rechts was altijd conservatief en tegen hervormingen.  Ideologieën van vroeger staan tegenwoordig steeds minder aan de basis van het politieke bedrijf. Een andere factor die een steeds grotere rol is gaan spelen is de zwevende kiezer.

14.4.6 Europa in zwaar weer

Door de val van de Berlijnse Muur was het IJzeren Gordijn verdwenen en voormalige Oostblokstaten streefden naar het lidmaatschap van de EU. De economsche integratie zette zich voort, de politieke eenwording heeft nog een tijd te gaan. Binnen de Unie echter kwam er steeds meer weerstand tegen het ondemocratische Europa qua besluitvorming. Dat uitte zich ook in Nederland toen men de Europese grondwet in 2005 afwees. Men is tegen verdere overheveling van de nationale macht en zeggenschap naar de Europese Commissie en het Europees parlement. Vooral de SP en de PVV zijn tegen verdere integratie.

Hoe groot is de macht van het Europese Parlement in Nederland? 

Bij verkiezingen voor het Europese Parlement is de opkomst laag. Toch heeft het Europese Parlement op een reeks gebieden meer te zeggen dan het Nederlandse Parlement. Europese wetgeving gaat boven nationale wetgeving zoals op het gebied van milieu,cultuur en vervoer. Voor veel mensen is dat een probleem en tast het gevoel van autonomie aan. En men vindt dat veel zaken beter op een lager bestuursniveau kan worden afgehandeld. Hoewel dat niet zo is ervaart men het als een achteruitgang van de democratie.

Afrondend

In de jarenvijftig van de 20e eeuw zorgde de verzuiling er nog voor dat men vertrouwen had in de leiders. De democratiseringsgolf in de jaren zestig bracht de politiek op straat en de ontzuiling leidde tot de aantasting van de gevestigde politieke partijen. Fortuyn en Wilders maakten gebruik van het ontstane populisme om hin ideeën voor het voetlicht te brengen.

Binnen Europa groeide de EU uit tot 27 lidstaten. Maar deze uitbreiding leidde ook tot een tegenbeweging van mensen die juist vonden dat de EU te veel macht kreeg ten koste van de nationale parlementen.

Dit was het laatste hoofdstuk van MeMO 4e druk