We hebben 350 gasten online

MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 1 Jagers en boeren

Gepost in Memo 4e druk

 MeMo VWO 4e dr

tijdvak 1

Hoofdstuk 1 Jagers en boeren.

1.1 De agrarische revolutie

1.2 Het ontstaan van steden

1.3 Machtige rijken in het Midden-Oosten

1.1 De Agrarische revolutie

Vanuit Afrika trok de moderne mens - de homo sapiens - naar Azië en Europa. Het waren jagers-verzamelaars die wanneer hun leefomgeving niet meer genoeg voedsel bood, verder trokken. Nomaden noemt men deze mensen. Ze leefden in kleine groepen. De moderne mens maakte meer gespecialiseerde gereedschappen en wapens dan zijn voorgangers. Daarvan getuigen de grotschilderingen in Zuid-Europa. Geschreven bronnen van deze periode zijn er niet en daarom spreken we over de prehistorie.

Hoewel er al rond 11.000 voor Chr. sprake was van de beoefening van de landbouw in Abu Hurerya , in het huidige Syrië, ontstond de overgang naar het boerenbestaan pas vele duizenden jaren later. Tussen 9000 en 6000 v. Chr. ontstonden in het Midden-Oosten landbouwsamenlevingen, in het gebied dat men de Vruchtbare Halvemaan is gaan noemen. Rond 7000 v. Chr. verspreidde de landbouw zich vanuit Noord -Afrika en rond 6000 v. Chr. naar Europa.

De overgang naar een boerenbestaan is een van de belangrijkste gebeurtenissen uit de prehistorie geweest. De redenen waarom men overstapte naar een boerenbestaan zijn nog niet helemaal duidelijk maar deze overgang vind het eerste plaats in het Midden-Oosten. Op het einde van de Laatste IJstijd ontstond er daar door regenval een vruchtbaar gebied.

- Er zijn archeologen die stellen dat een nieuwe klimaatovergang de aanzet gaf tot de overgang naar landbouw. Hillman stelt dat in Abu Hureyra sprake was van een droogte waardoor, omdat de wilde granen uitstierven, men wel op zoek moest gaan naar andere soorten.

- Volgens een andere theorie groeide de bevolking zo snel, dat de natuur dat niet kon bij houden. Men was daarom gedwongen om zelf gewassen te verbouwen.

Feit is dat ook in andere werelddelen uiteindelijk ook de landbouw werd uitgevonden. Uiteindelijk, om wat voor reden dan ook, gingen mensen zich bijna allemaal volledig op de landbouw richten.

Omdat de overgang naar de landbouw zou ingrijpend was noemen we dat de agrarische revolutie. Van een nomadisch bestaan ging men zich nu permanent vestigen op een vaste plek , een sedentair bestaan.

Een belangrijk gevolg daarvan was de toename van de bevolking. De redenen daarvoor waren:

1) In tegenstelling tot jagers-verzamelaars kon men nu op dezelfde oppervlakte 60 tot 100 keer zoveel mensen in leven houden.

2) Het geboortecijfer steeg doordat vrouwen sneller achter elkaar kinderen kregen. Gemiddeld één in de twee jaar, bij de jagers-verzamelaars gemiddeld één in de vier jaar.

3) Rond 7500 voor Chr. ging men voor het eerst aan veeteelt doen.

4) Daarnaast stimuleerde de agrarische revolutie tot allerlei nieuwe technieken. Het Neolithicum werd nieuwe steentijd genoemd omdat men nieuwe gepolijste stenen als gereedschappen ging gebruiken. Een volgende stap was het gebruik van metaal. Eerst was brons het gebruikte materiaal in het Midden-Oosten ( vanaf 3000 v. Chr.). We onderscheiden daarom de bronstijd van de ijzertijd in het Midden Oosten vanaf 1200 c. Chr.

5) De mens ging de natuur steeds meer naar zijn hand zetten. Men paste de omgeving aan de wensen van de mens aan.

Toch is volgens sommige historici de agrarische revolutie niet in alle opzichten een verbetering.

a) Mensen die op landbouw overstapten waren vaak minder gezond dan jagers-verzamelaars, blijkt uit archeologisch onderzoek, ze leden aan infectieziekten, ondervoeding en misvorming.

b) Ze waren vaak kleiner dan jagers en verzamelaars.

c) Indianen in de VS hadden een lagere levensverwachting bij de geboorte dan de jagers -verzamelaars , daalde van 26 naar 19 jaar.

d) Het voedsel was zeker in het begin zeer eenzijdig.

e) Mislukte een oogst dan dreigde er hongersnood.

f) Agrarische revolutie leidde tot sociale ongelijkheid. Voor het eerst ontstond er een hiërarchie.

1.2 Het ontstaan van steden

nabije oosten

early civiDe vroege steden ontstonden rond 3300 v. Chr. in Soemerië, het zuidelijk gedeelte van Mesopotamië. Enkele van die steden waren Uruk, Ajkakd, Eridu en Ur. Dat kwam door de aanwezigheid van vruchtbare grond, door de overstromingen van de Tigris en de Eufraat. Doordat de boeren gebruikt maken van irrigatie leverde de landbouw overvloedige oogsten op waardoor de bevolking, die toenam, zich niet alleen maar met de voedselvoorziening bezig hoefde te houden. Daardoor ontstonden er andere nieuwe beroepen zoals ambachtslieden. Kooplieden vormden een welvarende en invloedrijke groep en priesters hadden veel aanzien.

Kortom er ontstond een stedelijke samenleving waarin niet alleen sprake was van een arbeidsverdeling, maar ook van een hiërarchie. Er ontstonden verschillende sociale lagen, die van elkaar verschilden in rijkdom en macht. De boeren stonden onder aan de sociale ladder.

Door de complexere samenleving had men goede bestuurders nodig. De stadbestuurders moesten de orde handhaven, de stad beschermen en het irrigatiesysteem laten onderhouden. Dat gebeurde met behulp van ambtenaren die de administratie bijhielden, wetten opstelden en de belastingen inden. De machtige leiders werden na verloop van tijd tot koning gekroond en hun positie werd erfelijk.

Na het ontstaan van steden in Mesopotamië kwam in Egypte de verstedelijking ook op gang. De omstandigheden daar waren vergelijkbaar.

Tussen 2700 en 300 v. Chr. verschenen ook in andere vruchtbare gebieden in de wereld complexe stedelijke samenlevingen, in China, India, Mexico en Peru. Ze hebben zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld en relatief kort na elkaar.

De ontwikkeling van het schrift

spijkerschrift

De ontwikkeling van de steden en het eerste schrift ontwikkelde zich tegelijkertijd. Steden besturen is ingewikkeld en het schrift is daar een ideaal hulpmiddel bij. Zowel de koningen als de priesters konden niet zonder een goede administratie. De koning voor de belastingheffing, de uitbetaling van het loon en het leger. de priesters want tempelcomplexen groeiden uit tot machtige organisaties met veel landbezit en personeel.

De ontwikkeling van het schrift vond stapsgewijze plaats:

a) Agrarische gemeenschappen gebruikten vanaf 8000 v. Chr. kleine voorwerpjes van klei om goederen te registreren.

b) Het Soemerische schrift bestond ui t het beeldschrift.

c) Dit werd aangevuld met het gebruik van pictogrammen die klanken uitdrukten.

d) De tekeningetjes werden vervangen door abstracte tekens. Omdat ze op spijkers leken wordt het Soemerische schrift spijkerschrift genoemd.

e) De Egyptenaren gingen vanaf 3100 v. Chr. hiërogliefen gebruiken en rond 2800 v. Chr. het snellere hiëratische schrift.

hierogliefen

f) Rond 2600 v. Chr werd het spijkerschrift niet meer alleen gebruikt voor de administratie maar ook voor allerlei andere zaken en verschenen de eerste literaire, wetenschappelijke, biografische en historische teksten.

Maar de beheersing van het schrift was geen makkelijke zaak en kon alleen maar gelezen worden door een kleine elite. Dit veranderde geleidelijk en het schrift werd daarmee een essentieel onderdeel van de menselijke cultuur. Het einde van de prehistorie is dus voor elk land op verschillend. In Nederland bv. rond 50 v. Chr. door de komst van de Romeinen.

1.3 Machtige rijken in het Midden-Oosten

kaart egypte

Een staat is een afgebakend gebied met een centraal bestuur. De Egyptische eenheidsstaat ontstond in 3100 v. Chr., toen koning Menes het noordelijke en zuidelijke deel van het Nijlgebied verenigde. Het was de eerste staat ter wereld.

Een staat had een centraal bestuur met een rechtssysteem dat voor het hele gebied geldt. In een staat mag alleen de overheid geweld gebruiken. Dit noemen we geweldmonopolie.

De farao stond aan het hoofd van de Egyptische staat. Hij moest naast de interne veiligheid ook zorgen voor de verdediging van de grenzen van de staat.

ramses

De Farao had een uitgebreid ambtenarenapparaat ter beschikking om het land te besturen. Deze regelden het irrigatiesysteem, de administratie en de bouw van piramides en tempels. De hogere ambtenaren werden vorstelijk beloond en dat leidde soms tot pogingen van die ambtenaren om de plaats van de farao in te nemen.

Oriënt 2300ac

In Mesopotamië ontstond de eerste staat pas rond 2000 v. Chr. De koning van de stad Babylon stichtte toen het Babylonische Rijk, dat bijna geheel Mesopotamische besloeg. De overgang tussen woestijn en landbouwgrond was in Mesopotamië minder abrupt dan in Egypte waardoor Mesopotamië moeilijker te verdedigen was dan Egypte. Egypte kon daardoor zich als staat 3000 jaar makkelijker handhaven.

Macht en religie

marduk

De Egyptische godsdienst was polytheïstisch, wat betekent dat meerdere goden tegelijkertijd werden vereerd. Enkele voorbeelden: Osiris was de god van het dodenrijk, Horus god van de hemel, Re god van de zon en het licht.

Een belangrijk kenmerk van de Egyptische godsdienst was het geloof in het leven na de dood. Had je goed geleefd dan kon je naar het hiernamaals. Werd een farao in het hiernamaals door de god Horus toegelaten dat was zijn goddelijkheid voor altijd verzekerd. De piramides geven daar nu nog blijk van.

De belangrijkste taak van de farao was het handhaven van de 'Maat': de kosmische orde, de stabiliteit en de harmonie in de samenleving. Door zijn autoriteit op de juiste wijze te laten gelden en de goden tevreden te stemmen moest de farao ervoor zorgen dat er altijd Maat in het land heerste. De farao hield een strakke grip op alle onderdelen van de samenleving. Het priesterschap en de hele economie stonden onder toezicht van zijn ambtenaren. Omdat al het land eigendom was van de farao moesten de boeren het overgrote deel van hun oogst aan hem afstaan. Belangrijke ondernemingen waren eigendom van de staat en alle internationale expedities vonden in zijn opdracht plaats. Anders dan in Mesopotamië ontstond in Egypte dus geen beroepsgroep van handelaren en ontwikkelden zich geen handelssteden. In Egypte ontstonden steden rondom administratieve centra of belangrijke tempelcomplexen, deze bleven echter ondergeschikt aan de farao.

De religie speelde ook in Mesopotamië een grote rol. De koningen werden echter niet als goden beschouwd, maar zouden wel door de koningen zijn uitgekozen om te regeren. De belangrijkste goden waren: Anu, god van de hemel, Enlil, god van de wind en Enki, god van het water. In tegenstelling tot Egypte verwachtte men in Mesopotamië niet zo veel van het hiernamaals. Ze lieten dus ook geen graftombes bouwen. De Mesopotamiërs geloofden dat het hiernamaals een stoffige, grijze onderwereld was. Je kon daarom maar beter genieten van het leven op aarde.

De Mesopotamische koningen en priesters lieten wel tempeltorens en Ziggoerats bouwen. De Ziggoerat vormde het centrum van iedere stad en bestond uit verschillende terrassen van baksteen met daarbovenop een tempel. Mesopotamië was minder sterk gecentraliseerd dan Egypte.

Zie voor Hoofdstuk 2 De klassieke oudheid MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 2 De Klassieke Oudheid