We hebben 112 gasten online

MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 2 De Klassieke Oudheid

Gepost in Memo 4e druk

MeMo VWO 4e dr.

Hoofdstuk 2 De Klassieke Oudheid

tijdvak 2

2.1 De Griekse democratie

2.2 Het Hellenisme

2.3 De Romeinse Republiek

2.4 Het Romeinse Keizerrijk

2.5 Joden en Christenen

2.6 Het einde van het Romeinse Rijk

2.1 De Griekse democratie

Athene in de 5e eeuw v. Chr.

Griekenland bestond rond 500 v. Chr. uit zo´n 800 stadstaten, poleis genoemd. De meeste stadstaten hadden maar een paar duizend inwoners, maar in Athene woonden in de 5e eeuw v. Chr. zo´n 300.000 mensen. Omdat Athene aan het hoofd stond van de Delisch - Attische Zeebond was Athene zeer machtig. Dat kwam vooral omdat de andere poleis geld gaven aan Athene om een oorlogsvloot te kunnen onderhouden, waar Athene het beheer over voerde. De Bond ontwikkelde zich zo tot een Atheens Imperium en zelfs in vredestijd moest men geld afdragen al of niet onder druk. Zo verwierf Athene de hegemonie rond de Egeïsche Zee. Athene werd zo sterk tegenover Sparta, de grootste concurrent, en profiteerde van belastinggelden en de handel.

bondgenoten en sparta athene

Athene bemoeide zich echter niet met de interne politiek van de poleis. Men ging daarbij uit van het recht van de burgers van een poleis om hun eigen stad te besturen. We noemen dit directe democratie waarbij alleen Atheners die het burgerrecht hadden hun stem mochten uitbrengen. Dat burgerrecht in de Volksvergadering kon alleen worden uitgeoefend door de volwassen, vrije mannen, arm of rijk, die van Atheense burgers afstamden. (Onze vorm van democratie is ervan afgeleid en heet indirecte democratie, een democratie via vertegenwoordigers).

Voordat Athene een democratie werd kende men er Aristocratie, waarbij een groep rijke en belangrijke mannen de macht uitoefende en was ook Autocratie voorgekomen, daarbij had één man de macht uitgeoefend, een tiran genoemd. Daar kwam echter verandering in omdat tijdens de oorlogvoering de gewone burgers steeds belangrijker werden en daarom meer invloed eisten.

Men zorgde er nadien wel voor dat niet meer één iemand in staat bleek te veel macht te veroveren. De belangrijkste beslissingen werden genomen in de Volksvergadering. Deze Volksvergadering koos een Raad van 500, als stadsbestuur, voor één jaar. Vanuit deze Raad werden 50 raadsleden gekozen voor het dagelijks bestuur, voor een maand. Dit rouleerde telkens.

De Atheense rechtbank was in handen van een volksjury, die door het lot werden aangewezen en ook de 10 generaals van het leger werden elk jaar opnieuw gekozen door de Volksvergadering. Dit allemaal om een tiran te voorkomen. Dreigde dit toch te gebeuren dan kon de Volksvergadering een 'schervengericht' houden. Hierbij schreven de burgers dan op een potscherf welke persoon te veel macht had. Die persoon werd dan uit de poleis verbannen. We noemen dat ostracisme.

Denken over Wetenschap en Politiek

Enkele belangrijke Atheense denkers hebben zich afgevraagd of democratie nu wel het beste bestuurssysteem was. Deze denkers noemen we filosofen, mensen die allerlei aspecten van het bestaan onderzochten en stelden vragen als: hoe zit de natuur en het heelal in elkaar? , of wat is goed gedrag ?, of hoe moet een poleis bestuurd worden?.

Griekse onderzoekers probeerden vanaf 600 v. Chr. de natuurverschijnselen te verklaren. Ook in de wiskunde en de medische wetenschap boekte men veel vooruitgang. Dit wordt gezien als de ontwikkeling van de wetenschap, maar ze bouwden echter voort op kennis uit Mesopotamië en Egypte.

socrates Een van de belangrijkste Atheense filosofen was Socrates. Deze dwong door scherpe vragen te stellen zijn tegenstanders hun eerste bewering weer in te laten trekken (socratische methode). Uiteindelijk werd hij in 399 v. Chr. gedwongen de gifbeker te drinken. Naast Socrates werd ook Plato bekend (427-347 v. Chr.). Deze dacht veel na over de vraag hoe je een polis het beste kon besturen. Net als Plato stelden andere filosofen de volgende vragen.

- Is het wel verstandig om burgers te betrekken bij besluiten over oorlog en vrede?

- Kun je het bestuur niet beter overlaten aan de besten?

- Is het wellicht toch beter als één persoon de macht heeft. Of zoek je voor het bestuur vooral wijze mensen die onpartijdig zijn en die alle belangen goed afwegen. Van dit laatste was Plato overtuigd omdat politici vaak besluiten nemen om het burgers naar de zin te maken, zich laten misleiden door handige sprekers, burgers wispelturig waren en de meerderheid niet altijd gelijk had.

Een leerling van Plato, Aristoteles (384 - 322 v. Chr.), stond kritisch tegenover de democratie. Iedere bestuursvorm kon goed werken, maar ook op hun eigen manier gevaarlijk konden worden. Hij was echter wel van mening dat elke burger een politieke taak had, waarbij goede afspraken moesten worden gemaakt zodat een goed en stabiel bestuur kon ontstaan. Ook kennis was een voorwaarde. Anders dan Plato richtte hij zich vooral op het verzamelen en systematisch opschrijven van kennis en nam daarbij afstand van de meer speculatieve manier van denken van eerdere filosofen.

2.2 Het Hellenisme

Het rijk van Alexander de Grote

memo vwo hfst 1 afb 3

Doordat de Griekse poleis door voortdurende onderlinge strijd ernstig verzwakt waren geraakt en nauwelijks meer in staat waren hun eigen buitenlandse politiek te voeren wist Fhillipus , koning van Macedonië heel Griekenland onder zijn heerschappij te brengen. Zijn zoon Alexander de Grote erfde het rijk van zijn vader en vatte het plan op om het hele Perzische Rijk te veroveren. Hoewel Alexander al op 33-jarige leeftijd overleed, slaagde hij wel in zijn poging het Perzische Rijk te veroveren. Het rijk dat Alexander stichtte viel na zijn dood wel uit elkaar, maar in deze gebieden zou de Griekse cultuur nog honderden jaren lang dominant zijn. Hoe had Alexander dit voor elkaar gekregen?

Griekse geschiedschrijvers als Xenophon (4e. eeuw v. Chr.) en Plutachus (ca.100 n. Chr.) schreven dat allereerst toe aan een combinatie van Alexanders persoonlijke eigenschappen en militair inzicht, zijn enorm doorzettingsvermogen en een grenzeloos geloof in eigen kunnen en onvoorspelbaarheid.

Een andere verklaring was dat Alexander goed inspeelde op de tradities in de landen waarover hij regeerde. In Egypte werd hij farao, in Perzië nam hij de bestuursstructuur over en stelde zich in Griekenland aan het hoofd van het leger om hen van de Perzische overheersing te bevrijden. Daarnaast streefde Alexander doelbewust naar een gemengde elite en een gemengd Macedonisch - inheems leger en stichtte overal in het Rijk op strategische plaatsen nieuwe steden die de naam Alexandrië kregen. In die steden mengden zich lokale bewoners met Griekse en Macedonische bewoners.

Hellenistische cultuur in Azië en Egypte

Bij de dood van Alexander, was er geen erfelijke opvolger. Alexanders generaals veroverden in burgeroorlogen delen van het Rijk. Zo ontstonden in Egypte, Azië en Europa enkele grote koninkrijken onder Griekstalige heersers, diadochen genoemd. Deze bleven bestaan totdat de Romeinen ze stuk voor stuk innamen. Tijdens de heerschappij van de diadochen verspreidde de Griekse cultuur zich over het hele oude Rijk. Dit noemen we Hellenisme, naar Hellas, de Griekse benaming van Griekenland.

Dit uitte zich in het bestuur en het gebruik van het Grieks als bestuurstaal. Na de dood van Alexander was het afgelopen met de meest uitgesproken vorm van democratie. De volksvergaderingen bleven wel bestaan, maar mochten alleen nog aan de heerser welgevallige besluiten nemen. In feite was de Atheense democratie veranderd in een oligarchie.

Een ander aspect van het Hellenisme was dat de steden een Grieks uiterlijk kregen, vooral in Egypte en Azië, een rechthoekig stratenplan. Er kwamen theaters, gymnasia en tempels en de Griekse beeldende kunst werd verspreid.

Maar niet ontkent kan worden dat de oosterse ideeën en opvattingen ook in de Griekse cultuur doordrongen.

2.3 De Romeinse Republiek

Het ontstaan en de uitbreiding van het Romeinse Rijk

Het ontstaan van het Romeinse Rijk is nooit een vooropgezet plan geweest en kwam door een aaneenschakeling van gebeurtenissen. De behoefte aan veiligheid en de wens naar macht en roem stimuleerden de opeenvolgende generaties om gebieden te veroveren.

De veroveringsoorlogen:

# kosten veel geld

# vroegen om veel soldaten

# leverden belastinginkomsten op

# leverden veel landbouwgrond op

# leverden veel krijgsgevangenen op die tot slaaf werden gemaakt

rome cartago 265 v chr

De geschiedenis van de Romeinse veroveringen beliep eeuwen. Rome was in de 5e eeuw voor Chr. nog een dorp en al in de 3e eeuw voor Chr. had Rome al een groot deel van Italië onder controle. Daarna werden ook Spanje, Griekenland, Noord Afrika, Gallië en delen van het Midden-Oosten eraan toegevoegd. Daarbij hoorden uiteindelijk ook nog delen van de Britse eilanden en Midden Europa. Zie kaartje.

De Romeinen maakten bij de uitbreiding van hun rijk gebruik van diplomatie en het leger. Men sloot bondgenootschappen waarbij men in ruil voor bescherming gehoorzaamheid verlangde en levering van soldaten. Lukte dat niet dan trad men militair op.

Oorspronkelijk was het Romeinse leger een leger bestaande uit boeren, maar ontwikkelde zich later tot een beroepsleger. Via goed aangelegde heerwegen kon men troepen snel verplaatsen en soldaten kregen na afloop van de dienstijd stukjes grond als beloning. Verslagen volken werden edelmoedig behandeld en kregen soms het Romeinse burgerrecht. Op die manier slaagden de Romeinen erin hun wereldrijk eeuwen bijeen te houden.

Het bestuur van de Republiek

In tegenstelling tot andere wereldrijken werd het Romeinse Rijk niet bestuurd door een erfelijke dynastie maar door magistraten, mensen die tijdelijk een hoog ambt vervulden. Deze magistraten werden benoemd door vergaderingen van burgers. Deze burgers vervulden ook een rol in de wetgeving. Een Republiek dus die door burgers gemeenschappelijk werd bestuurd

De Senaat was het belangrijkste orgaan, bestaande uit 300 leden, die afkomstig waren uit de machtigste families. Uit hun midden koos men twee consuls die de vergaderingen voorzaten en de hoogste burgerlijke en militaire macht uitoefenden. De consuls konden elkaars beslissingen met een veto treffen, dit om het ontstaan van alleenheerschappij te voorkomen. Hoewel heet bestuursysteem niet democratisch was moesten wetten van de senaat aan de twee volksvergaderingen worden voorgelegd waarin iedere Romeinse burger stemrecht had.

Daarnaast was er nog de volkstribuun, er waren er een tiental, die namens het lagere volk onderzochten of besluiten voldeden aan de wet.

Oorspronkelijk noemde men de bestuurders Patriciërs en de gewone burgers Plebejers. Door de groei van het Romeinse Imperium kwamen er steeds meer nieuwe rijke burgers bij die ook politieke invloed wilden. Deze verkregen uiteindelijk dezelfde rechten en zo ontstond er een nieuwe elite: de nobiles (edelen) ook wel 'optimaten' (de besten) genoemd.

Dit susteem werd nog versterkt door patronage, ook wel cliëntensysteem genoem. In ruil voor gunsten van een machtig man verkreeg men allerlei gunsten en stemde men op de patroon bij verkiezingen. Dit cliëntensysteem breidde steeds meer uit en werd een manier om los van de Senaat macht naar zich tot te trekken. Uiteindelijk overleefde de Romeinse Republiek het niet.

2.4 Het Romeinse Keizerrijk

Het ontstaan en bestuur van het keizerrijk

De twee laatste eeuwen v. Chr. werd Rome verscheurd door conflicten en burgeroorlogen. De burgeroorlogen bedreigden uiteindelijk de republikeinse staatsvorm. Het probleem was dat beroepslegers steeds loyaler werden aan de bevelhebbers in plaats van aan het bestuur van Rome. Een van hen Julius Caesar slaagde er in om de alleenheerschappij te bereiken, nadat hij eerst Gallië tussen 58 en 50 v. Chr. had onderworpen (midden en noorden van Frankrijk en het huidige België).

rome caesar

Uiteindelijk liet Caesar zich uitroepen tot dictator voor het leven, daarmee werd de Senaat buitenspel gezet. Verdedigers van de Republiek besloten daarom om Caesar in 44 v. Chr. te vermoorden. Caesar had zijn aangenomen zoon Octavianus, tot diens opvolger benoemd. In de daaropvolgende burgeroorlog won Octavianus en noemde zichzelf Augustus ('de verhevene') en werd daarmee de eerste keizer van het Romeinse keizerrijk (27 v. Chr. - 14 n. Chr.). De keizer trok veel macht naar zich toe: hij was de opperbevelhebber van het leger en benoemde alle belangrijke bestuurders.

rome

Vanaf keizer Augustus spreken we over de Pax Romana. Deze duurde tot de dood van keizer Marcus Aurelius (180 n. Chr.). Er waren in feite toch grensoorlogen en zeker na de dood van keizer Nero ontstond er een opvolgerstrijd. We noemen het toch 'vrede' omdat de Republiek niet in gevaar is geweest.

De Romeinse elite legde zich uiteindelijk neer bij de heerschappij van één man. Dat kwam ook omdat de keizers de republikeinse instellingen en functies lieten voortbestaan, althans in naam. De keizer oefende invloed uit op de senaat en beïnvloede door het gunnen van erebaantjes de elite.

De verspreiding van de Grieks - Romeinse cultuur

Politiek maar ook cultureel was het Romeinse Rijk een eenheid. Dat was duidelijk te zien aan de bouwwerken en ook aan de toepassing van het Romeinse Rijk. Uitingen van Romeinse macht complimenteerden het geheel.

De Romeinse cultuur was duidelijk beïnvloed door de Griekse cultuur. Dat begon al toen de Grieken zich vestigden in het zuiden van Italië. De Romeinen namen Griekse goden over en bewonderden de Griekse architectuur, de beeldende kunst, literatuur en filosofie. Naast Latijn werd ook Grieks gesproken. De Grieken vonden de Romeinse gladiatorenspelen maar wreed. We zijn de Grieks -Romeinse cultuur de klassieke cultuur gaan noemen en deze spreekt nog steeds tot de verbeelding.

De grote verspreiding van de Grieks -Romeinse cultuur was mogelijk door de militaire veroveringen van de Romeinen. Daar waar al hoogontwikkelde culturen bestonden was de invloed echter minder. In het westen van het Romeinse Rijk was die echter groot. Bijvoorbeeld door de invoering van het schrift, het bouwen in steen, het gebruik van glas en muntgeld. Ook de aanleg van verwarmde badhuizen en woningen maakten indruk. Daar nam men dus veel over van de Romeinen. Dit noemen we Romanisering en leidde tot verdere culturele eenwording van het Romeinse Rijk.

2.5 Joden en Christenen

Het christendom was ontstaan in een Joodse omgeving. Het Jodendom werd vooral beoefend in Palestina en onderscheidde zich op drie manieren van de omringende religies.

1) Het was een monotheïstische godsdienst, in plaats van meerdere goden (polytheïsme) te vereren. De joden beschouwden zich als 'het uitverkoren volk'.

2) Joden hechten belang aan heilige boeken, een verzameling heilige teksten De christenen zouden die later overnemen in het eerste deel van de bijbel: het Oude Testament.

3) Joden hielden zich aan allerlei religieuze voorschriften.

Binnen het Jodendom ontwikkelden zich verscheidene stromingen. Een van die stromingen verwachte een nieuwe Messias, een nieuwe Joodse koning. Tegen deze achtergrond ontstond er rond 30 n. Chr. een nieuwe beweging die geleid werd door Jezus. Door zijn optreden sloten velen zich bij hem aan maar de Joodse elite zagen in hem een lastpost die zich uit zou geven als de nieuwe koning der Joden. Jezus werd door Herodus, gouverneur van de Romeinen, tot de dood door kruisiging veroordeeld en terechtgesteld in 33 n. Chr.. Volgelingen waren ervan overtuigd dat Jezus zou herrijzen uit de dood. Jezus, die de Griekse bijnaam 'Christos' kreeg werd zo de stichter van het christendom.

Van sekte tot staatsgodsdienst

Het christendom zou de volgende eeuwen uitgroeien van een sekte tot de enig toegestane godsdienst in het Romeinse Rijk. Dat kwam vooral door de goede organisatie van de kerk. Apostel Paulus en anderen verspreiden het geloof in het Middellandse Zeegebied en stelden 'oudsten' en 'opzichters' aan. deze zouden uitgroeien tot priesters en bisschoppen. Aan het hoofd kwam uiteindelijk de Paus te staan, die regelmatig kerkvergaderingen, concilies, bij elkaar riep waar over geloofszaken werd gesproken en het Nieuwe Testament werd samengesteld. Geloofszaken leidde ook tot conflicten en zo ontstond de kerk van de Arianen die stelden dat God niet mens en God tegelijkertijd kon zijn. Het concilie van Niccaea besliste uiteindelijk dat God een 'drieeenheid' of 'trinitas' vormt. Hij is Vader, Zoon en heilige geest ineen.

Ook de manier waarop de Romeinen met het Christendom omsprongen bevorderde het christendom. Christenen werden vervolgd en gemarteld en deze martelaren werden vereerd. Het christendom groeide tegen de verdrukking in en keizer Constantijn maakte in 313 een einde aan de vervolgingen en stelde het christendom gelijk aan andere religies. Het was keizer Theodosius die uiteindelijk het christendom tot staatsgodsdienst uitriep, de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk.

2.6 Het einde van het Romeinse Rijk

Het einde van het West- Romeinse Rijk

Het Romeinse Rijk had in de 2e eeuw na Chr. zijn maximale omvang bereikt. Het bleek met de middelen van dat moment niet meer te besturen.

rom emp ad 116

Na de periode van de Pax Romana begon een periode van wanorde, machtsgrepen en machtsverdelingen. In feite was het Rijk al in 285 n. Chr. min of meer opgedeeld in en oostelijke en westelijk deel. Toen keizer Theodosius in 395 overleed, liet hij zijn zoon het westelijk deel na en zijn andere zoon het oostelijke. Het Rijk zou daarna nooit meer worden verenigd. Het Grieks-talige deel werd het Oost-Romeinse Rijk met als hoofdstad Constantinopel (Istanbul). Het Latijn sprekende deel werd het West-Romeinse Rijk.

rom emp 400 ad

Dit West-Romeinse Rijk was moeilijk bij elkaar te houden door:

- Interne verdeeldheid aan de top.

- De grote druk op de buitengrenzen van het Rijk

- het op drift raken van volkeren waar de keizers niet in staat waren dat te beheersen

invasies in het rom rijk

Het gevolg van een en ander was dat het West-Romeinse Rijk verbrokkelde en dat Rome de opbrengsten niet meer als belasting op kon eisen. De Germaanse huurlingen onder leiding van Odoaker kwamen in 476 in opstand en zetten keizer Romulus Augustules af. Het betekende het einde van het West-Romeinse Rijk.

wce 476

Het Oost-Romeinse Rijk

In tegenstelling tot het westen slaagden de keizers in het Oost-Romeinse Rijk er nog zo'n duizend jaar in het rijk bijeen te houden. Het oosten blek economisch al zo belangrijk dat keizer Constantijn al in 330 n. Chr. besloot de hoofdstad van Rome te verplaatsen naar de oude Griekse stad Byzantium, die al snel Constantinopel werd genoemd.

Constantinopel moest ook de nieuwe hoofdstad van het christendom worden, met de Hagia Sophia als middelpunt.

Het christendom in het oosten was wel anders dan in het westen omdat er fellere theologische discussies plaatsvonden waardoor groepen zich gingen afscheiden zoals de nestorianen en de koptische christenen. Er waren in het oosten ook meerdere kerkleiders, die elkaar in een onderlinge strijd om de macht ervan beschuldigden dat zij de christelijke leer verkeerd interpreteerden. Zo ontstonden er verschillende kerken die zich orthodox noemden, letterlijk 'volgens het ware geloof'. In 1054 keerden deze kerken zich af van Rome en zo ontstond het oosters schisma.

Het Oost-Romeinse Rijk probeerde in de 6e eeuw het oude rijk in ere te herstellen, maar dat mislukte. Zelf moest het gebieden afstaan aan een nieuwe grootmacht in het oosten: het islamitische rijk van kalief Omar I. In de 9e eeuw kon men enig gebed terugveroveren.

De macht van het Oost-Romeinse Rijk was gebaseerd op:

- Grote welvaart door het feit dat Constantinopel lag aan belangrijke handelsroutes, waardoor belastingopbrengsten toenamen.

- Met dit geld konden de Byzantijnse keizers een leger samenstellen, ambtenaren belasting laten innen en konden aanvallen van buitenaf worden omgekocht.

- Een stevige greep op de organisatie van de kerk.

In 1453 kwam er een einde aan het Oost-Romeinse Rijk toen de Turkse sultan Mehmet II Constantinopel innam. Constantinopel werd nu de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk.

Zie voor Hoofdstuk 3 De Vroege Middeleeuwen MeMo VWO 4e dr Hoofdstuk 3 De Vroege Middeleeuwen