We hebben 171 gasten online

SV deel 3 Havo-Vwo Hoofdstuk 6 5e dr. Walburg pers educatief

Gepost in Onderbouw 5e druk Walburg pers educatief

6 Nederland en zijn Koloniën

gs indonesie

1 Het ontstaan van Indonesië

De natuur en de mensen

Welke beeld hadden de Nederlanders vroeger van de natuur in Indonesië?

Men sprak in Nederland van 'de gordel van smaragd', een uitdrukking van de schrijver Multatuli, die Indië vergeleek met en keten van heldergroene edelstenen. Dit beeld van de natuurlijke omgeving is ontstaan uit exotische reisverhalen en afbeeldingen uit de 19e eeuw en uit literaire werken zoals van Multatuli, Couperus en Hella Haasse.

De natuurlijke omgeving had en heeft een grote invloed op de ontwikkeling van Indonesië.

indonesie administatief 1949

De ligging van de eilanden, het klimaat en de daarmee gepaard gaande kwaliteit van de grond bepalen het soort staten wat ontstond:

  • Langs de kusten ontwikkelden zich meestal staten die leefden van handel en visserij.

  • In de binnenlanden van de grote eilanden Java en Sumatra ontstonden landbouwnaties.

  • In de junglegebieden in de binnenlanden van Kalimantan, Soelawesi en Irian Jaya (vroeger Borneo, Celebes en Nieuw Guinea) leefden volken van jacht en van het verzamelen van bosproducten, lange tijd zonder iets af te weten van de buitenwereld.

De verspreid liggend eilanden herbergen als gevolg daarvan enige honderden volken, met verschillende cultuuruitingen, zoals verschillende talen. Een nationaal gevoel bijbrengen was en is dus moeilijk.De godsdiensten van IndonesiëDe oudste godsdienst vertoont veel gelijkenis met de traditionele godsdienst in Zwart-Afrika. De mensen geloofden in een groot aantal goden en geesten. Zichtbare en onzichtbare dingen hebben een ziel en kunnen worden aanbeden.Vanaf de 7e eeuw brachten handelaren uit India het hindoeïsme en later ook het boeddhisme mee. Zij lieten grote tempels bouwen. de Boroboedoer op Midden- Java is daar een voorbeeld van.

Ook de Islam kwam via handelaren uit India maar ook uit Perzië(oude naam Iran). De heersers die tot de islam overgingen, legden een grotere bekeringsijver aan de dag dan de hindoestaanse-boeddhistische.. Maar de moslims namen daarbij onderdelen uit de traditionele godsdienst, het hindoeïsme en het boeddhisme over.De laatste jaren groeit echter de groep van de moslimfundamentalisten.

Tot de 10% Indonesiërs die niet islamistisch zijn, behoort de bevolking van Bal'; deze is nog steeds hindoe. Ook zijn er christenen, in het bijzonder op de Molukken(vooral Ambon), de kleine Soenda-eilanden(vooral Flores en Timor) en Noord-Soelwawesi.

De gelaagdheid van de bevolking

De mensen leefden in dorpen(desa's). Binnen een dorp ontstonden tussen de inwoners verschillen in gelaagdheid op grond van afkomst en van bezit van veel, weinig of geen grond. Er waren grote verschillen afhankelijk war de dorpen lagen.

Slavernij kwam op Sumatra, Kalimantan en Soelawesi veel voor. In de koloniale tijd zouden ook de Nederlanders gebruik maken van slaven, als huisbedienden en handwerkslieden. In 1860 werd de slavernij in Nederlands-Indië afgeschaft.

De VOC maakt van Indonesië een kolonie(1602-1799)

In 1602 werd de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht en kreeg het alleenrecht op de handel op Azië.

De VOC vestigde zich het eerst op de Molukken, de eilanden waar de specerijen vandaan kwamen(1605). Maar pas na drie langdurige oorlogen waren alle Molukse eilanden aan het Nederlands gezag onderworpen(1683).

Onder leiding van gouverneur-generaal Jan Pietrszoon Coen werd in 1621 een groot deel van de bevolking van de Banda-eilanden(ten zuiden van de Molukken)) gedood of gedeporteerd. Batavia werd het centrum van het bestuur van de VOC in Indonesië.

Het belangrijkste doel van de VOC was het behalen van winst dor specerijen(en later ook andere producten) uit Azië op de Europese markt te verkopen. Zolang de VOC maar handel kon drijven. Zo niet, dat trad men handelend op.

Voor de Indonesische bier bleef veel hetzelfde. Er was echter een belangrijk verschil. Hij moest niet alleen een deel van zijn opbrengst aan de inheemse vorst afstaan maar hij moest ook voor de vorst werken omdat die een handelscontract met de VOC had gesloten(leveranties van b.v rijst, hout en specerijen).

De Nederlandse staat neemt het bewind over

In 1799 werd het bezit van de VOC door de Nederlandse staat(Bataafse Republiek) overgenomen. In de loop van de negentiende eeuw vond een snelle Nederlandse gezagsuitbreiding plaats. In 1910 waren de grenzen van het huidige Indonesië bereikt.

'In werkelijkheid heeft de Nederlandse kolonie die Nederlands Oost-Indië heette, niet meer dan 30 tot 35 jaar bestaan. de laatste onafhankelijke Indonesische staat, Atjeh, werd pas in 1913 door de Nederlanders overwonnen. Het Batak-gebied op Noord-Sumatra werd pas in 1907 veroverd. Het grootste gedeelte van de koloniale macht was slechts in de omgeving van de kust aanwezig.

Het Cultuurstelsel

In de jaren tussen 1830 en 1870 werd een stelsel van overheidsmonopolie gevolgd, waarbij de Javanen verplicht werden op een vijfde deel van hun grond producten te verbouwen die de Nederlandse overheid in Europa met winst kon verkopen, zoals koffie, thee, suikerriet, indigo en tabak. Dit werd het Cultuurstelsel genoemd. De boeren moesten ook belasting betalen over hun grond en arbeidsdiensten verrichten.

Rond 1860 kwam eenderde van de Nederlandse staatsinkomsten rechtstreeks uit Indonesië. het stelsel werd dan ook beschouwd als 'de kurk waarop Nederland drijft'. De Javaanse vorsten beken bereid met de Nederlandse koloniale ambtenaren mee te werken.

Afschaffing Cultuurstelsel, meer invloed van privéondernemers

In 1870 werd het Cultuurstelsel afgeschaft. In Nederland vonden de liberalen dat niet alleen de staat, maar ook privé-ondernemers mochten profiteren. Vanaf 1870 kregen ze daarvoor parlementaire steun en kregen de Indonesiërs steeds meer met Nederlandse ondernemers te maken. Men pachtte nu grond waarop men plantages begon. Deze verandering bracht voor de Javaanse boeren geen verbetering. de belastingen bleven en wat ze niet meer voor de overheid moesten doen, moesten ze nu voor de beheerder van de plantage. Het betalen van belasting had ook tot gevolg dat het gemeenschappelijk bezit van de grond in de desa's weer opkwam. Men moest nu gemeenschappelijk grondbelasting gaan betalen.

Invoering van de Ethische politiek

Rond 1900 ontstond het idee dat Nederland een 'ereschuld' aan Nederlands-Indië had. Daarmee bedoelde men dat de Nederlanders niet alleen maar grondstoffen en producten uit de koloniën moesten halen, maar er ook iets moest brengen. Dat leidde tot de invoering door de Nederlandse regering van de 'ethische politiek'. de inheemse bevolking moest 'uit haar primitieve staat van ontwikkeling worden opgeheven'.

Men nam daarvoor de volgende maatregelen:

  • De gezondheidszorg werd verbeterd;
  • Er kwamen bestuursorganen zoals de gemeenten, waarin ook enkele zorgvuldig geselecteerde Indonesiërs zitten hadden. In 1918 werd de Volksraad ingesteld. Had alleen een adviserende stem.
  • De mogelijkheden om onderwijs te volgen werden vergroot. Onbedoeld gevolg was een toename van het nationalisme.

Verzet van de Indonesiërs

Aan het begin van de 19e eeuw is het koloniaal bezit in Indonesië korte tijd in handen geweest van de Engelsen. Toen de Nederlanders na de val van Napoleon hun bezit weer terug kregen, kregen zij te maken met opstanden in verschillende delen van het rijk.

  • Op de Molukken werd een opstand geleid door Matoelesia(later Pattimoera genoemd). Uiteindelijk werden ze in 1817 verslagen.
  • Ook op Java brak een opstand uit geleid door Dipanagara. deze Java-oorlog duurde van 1825 tot 1830.

In 1873 begon Nederland een oorlog om Atjeh te veroveren. de oorlog duurde veel langer dan de Nederlanders hadden gedacht. De Nederlanders besloten verschillende partijen tegen elkaar uit te spelen. Toen generaal Van Heutsz opperbevelhebber werd, keerde het tij. Men trad nu hard op. Aan Atjehse kant vielen ruim 100.000 doden, aan Nederlandse kant ruim 12.000.

Ontstaan van Nationalistische organisaties

Zij die onderwijs volgden kwamen ook in aanraking met westerse waarden als vrijheid, gelijkheid, democratie, nationalisme, communisme en socialisme. De westers geschoolde Indonesiërs ergerden zich aan de bevoogdende houding van de Nederlanders.

In 1908 werd Boedi Oetomo opgericht. Hield zich voornamelijk bezig met het bevorderen van de Javaanse cultuur. deze beweging kan als een voorloper worden beschouwd van de latere meer politiek gerichte nationalistische organisaties, omdat het de eerste organisatie van en voor Indonesiërs was.

De eerste nationalistische partij met een massale aanhang was de Sarekat Islam(Islamitische Unie). De partij was oorspronkelijk door Javaanse handelslieden opgericht om grotere invloed van Chinezen in Indonesië tegen te gaan(1912). Toen de Sarekat Islam zich tot een politieke partij begon te ontwikkelen, traden tegenstellingen op tussen moslims en communisten binnen de partij.

Ook in 1912 werd door progressieve moslims de Muhammadiyah(de weg naar Mohammed) opgericht. deze organisatie spande zich in op de gebieden van onderwijs en welzijn, predikte de islam en bestreed het christendom en plaatselijk 'bijgeloof'.

In 1920 organiseerden communisten de Partai Kommunis Indonesia(PKI) en in 1923 voegden de communisten uit de Sarekat Islam zich daarbij.

De eerste jaren stond het koloniale gezag de opkomst van deze partijen toe. Toen in 1926 de PKI echter ene opstand begon werden de nationalistische partijen verboden en leiders ervan verbannen naar Boven Digoel op Nieuw Guinea.

Toch werd in 1927 de Partai Nasional Indonesia(PNI) gevormd. Voorzitter werd Soekarno, later de eerste president van de republiek Indonesië. De PNI probeerde alle nationalisten in één partij onder te brengen. Het lukte niet. Hoewel een andere partij er zich wel bij aansloot de Pendikan Nasional met de later zeer bekend geworden leiders Hatta en Sjahrir. Maar ook deze leiders werden naar Boven Digoel verbannen.

Onafhankelijkheid versneld door de Japanse bezetting

  • De Indonesische nationalisten werden uit de gevangenis of het verbanningsoord bevrijd door de Japanners.
  • Tijdens de Japanse bezetting was alles wat westers en Nederlands was verboden. Op school werd de jeugd ervan doordrongen dat het einde van de macht van het Westen in Azië was aangebroken.
  • Aan het einde van de oorlog kregen de Indonesische nationalisten de kans zich goed voor te bereiden op de tijd na de Japanse capitulatie.
  • Vóór 1940 werd in de wereld nog de toon aangegeven door de West--Europese koloniale mogendheden. Na de oorlog waren de VS en de SU, beide antikoloniaal, hun opvolgers.

De Japanners bleken echter een nieuwe bezetter. Indonesië werd geplunderd ten behoeve van de Japanse oorlogvoering. verzet werd wreed onderdrukt. Pas aan het eind van de oorlog kwamen de Japanners enigszins aan de eisen van de Indonesische nationalisten tegemoet. Kort na de Japanse capitulatie riepen Soekarno en Hatta in Jakarta(het vroegere Batavia) de onafhankelijkheid uit(17 augustus 1945). Soekarno werd president; Hatta vice-president; Sjahrir werd kort daarop premier.

Nederland probeert vergeefs gezag te herstellen (1945-1949)

De meeste Nederlanders dachten kort na de Tweede Wereldoorlog, dat de vooroorlogse verhoudingen zouden kunnen worden hersteld. Achteraf lijkt het vreemd dat Nederland, pas bevrijd van een bezetter, nu zelf een land wilde gaan bezetten.

Veel Nederlanders waren ook bevreesd voor de economische gevolgen, als de kolonie verloren zou gaan.' Ïndonesië verloren, rampspoed geboren' was een bekende uitspraak. Toch waren er toen ook Nederlanders voor onafhankelijkheid.

Ook aan Indonesische kant waren er tegenstellingen maar aan Indonesische kant wonnen zij die voor de onafhankelijkheid wilden vechten.

In de jaren 1947 en 1948 probeerde Nederland tweemaal zijn gezag te herstellen door middel van zogenaamde politionele acties. In werkelijkheid was het oorlog. de Verenigde Naties riep twee keer spoedig op tot een staakt het vuren en traden op als bemiddelaar. De VS dreigde zelfs de Marshall hulp stop te zetten als Nederland zou doorgaan.

Op 27 december 1949 werd Indonesië door Nederland als een onafhankelijke(soevereiniteitsoverdracht) erkend. Nieuw Guinea(Irain Jaya) werd hierbij uitgezonderd. Maar in 1962, zou het eveneens na een militaire strijd, bemiddeling van de VN en druk van de VS aan Indonesië worden afgestaan.

Democratie en dictatuur in een onafhankelijk Indonesië

Indonesië wordt een eenheidsstaat

Tegen de zin van de Indonesische leiders was bij de overdracht van de soevereiniteit bepaald dat Indonesië een federale staat zou worden, bestaande uit deelstaten. De deelstaten kregen een grote mate van zelfstandigheid. dat duurde maar kort. Ruim een half jaar na de soevereiniteitsoverdracht verving de Indonesische regering de federatie door een eenheidsstaat, bestuurd vanuit Jakarta.

De regering kreeg daardoor te maken met verschillende opstanden:

  • Op de Zuid-Molukken brak in 1950 een opstand uit. men rekende daar op steun van Nederland, die niet kwam.
  • ook in het noorden van Soelawesi(1950), op Java(1950) en in Atjeh(1953) braken opstanden uit. In 1958 werd er zelfs een tegenregering gevormd in Midden-Sumatra.

De opstanden werden onderdrukt en onder leiding van generaal Nasoetion werd van het leger een eenheid gemaakt.

In 1999 liet Indonesië echter toe dat Oost-Timor onafhankelijk werd. Maar dat gebied was geen Nederlandse(maar Portugese) kolonie geweest.

Parlementaire democratie 1950-1957

Van 1950 tot 1957 was Indonesië een parlementaire democratie. de parlementsleden werden echter niet gekozen maar benoemd. In 1955 werden de eerste verkiezingen gehouden maar men was politiek zeer verdeeld.

'Geleide democratie' 1957-1966

Om politieke chaos te voorkomen besloot de regering in 1957 de geleide democratie uit te roepen. In de praktijk kwam het er op neer dat de macht in handen kwam van president Soekarno en het leger. Soekarno was te zwak om het op te nemen tegen het leger en knoopte betrekkingen aan met de Indonesische Communistische Partij(PKI). Door het bondgenootschap tussen de PNI en de PKI hoopte hij de generaals de baas te blijven. Maar in 1965 werden zes generaals gekidnapt en gemarteld en vermoord. Opperbevelhebber Nasoetion ontsnapte ternauwernood. De overgebleven legerleiders waren ervan overtuigd dat de moorden een poging waren van de PKI om samen met Soekarno de macht in Indonesië in handen te krijgen. Het gevolg was dat het leger naar schatting een half miljoen echte en vermeende communisten in heel Indonesië vermoordde en ruim honderdduizend in concentratiekampe onderbracht.

Indonesië een militaire dictatuur

In 1966 trad Soekarno als president af. generaal Soeharto volgde hem op. vanaf 1966 tot 1999 werd Indonesië bestuurd door een militair bewind. In de jaren '90 ontstond er steeds meer verzet tegen het bewind van Soeharto. Vooral de corruptie was een doorn in het oog.

soeharto

Indonesië weer een parlementaire democratie

Soeharto werd opgevolgd door Habibie. Deze gaf toe aan de oppositie en organiseerde in 1999 de eerste vrije verkiezingen sinds de militairen aan de macht waren gekomen. Winnaar van de verkiezingen werd de partij van Megawati Soekarnopoetra, een dochter van Soekarno.

Toenemen van nationaal gevoel

De Indonesische regering probeert het nationaal gevoel aan te wakkeren:

  • Er bestaat een officiële staatsleer;
  • Het onderwijs vindt alleen plaats in de nationale taal (Bahasa Indonesia);
  • De lessen geschiedenis op school worden gebruikt om de leerlingen op het verleden te wijzen en aan te tonen hoeveel de Indonesiërs gemeenschappelijk hebben.

Het gaat echter wel om een eenheid onder Javaanse leiding.

Belangrijke huidige problemen:

  • De overbevolking op Java; op 7% van het rondgebied woont 65% van de bevolking.
  • De overgang van een militair bestuur naar een democratisch bestuur gaat niet altijd even makkelijk.
  • De verdeling van de inkomsten van het land Rijkdom vooral bij kleine groep mensen.
  • De afscheidingsbewegingen in de verschillende delen van het land.
  • De godsdienstige tegenstellingen tussen fundamentalistische en gematigde moslims, tussen moslims en christenen.

2 Suriname

suriname

Suriname komt in Nederlandse handen

antillenSuriname is een deel van Guyana, de oude naam voor het gebied tussen de mondingen van de Amazone en de Orinoco. Fransen, Brtitten en Nederlanders vestigden zich als eersten aan de 'Wilde Kust'van Guyana(de kust en de riviermonden waren door zandbanken moeilijk toegankelijk, vandaar de term 'wild'). Zeeuwen stichtten aan de kust van de hedendaagse staat Guyana enkele kolonies. Suriname werd als kolonie gesticht door de Britten. Zij vestigden zich in 1651 aan de Suriname-rivier en legden suikerplantages aan. Een Zeeuwse vloot bezette tijdens een oorlog tussen de Republiek en Engeland het Britse fort te Paramaribo en gaf het de naam: fort Zeelandia.

Bij de vrede van Breda(1667) werd bepaald dat Suriname Nederlands bezit werd. Suriname werd geruild tegen de Nederlandse kolonie Nieuw-Amsterdam, waaraan de Engelsen de naam New York gaven.

Vanaf 1667 bleef Suriname, met een kleine onderbreking in de Franse Tijd(1795-1815), bijna drie eeuwen Nederlands bezit. In 1682 verkocht Zeeland de kolonie aan de West Indische Compagnie(WIC). Uiteindelijk kwam Suriname in handen van de Geoctroyeerde Sociëteit waarin de WIC, de stad Amsterdam en een rijke particulier, Cornelis van Aersen van Sommelsdijck vertegenwoordigd waren.. De Staten Generaal gaven het bestuur in handen van deze Sociëteit. Van Sommelsdijck werd de eerste gouverneur. De WIC zorgde voor de aanvoer van slaven die te werk werden gesteld op de plantages.

De landbouw wordt in plantages georganiseerd.

Aanleg van plantages

De plantages weken sterk af van de Europese boerenbedrijven:

  • Een plantage was veel groter, soms wel honderden hectare.
  • Het werk werd verricht door grote aantallen slaven.
  • Er werd slechts één product verbouwd.
  • Het doel was het maken van winst met het geïnvesteerde kapitaal.

Toen de Zeeuwen Suriname veroverden waren daar al zo'n 170 plantages. ze lagen bijna allemaal aan rivieren, op enige afstand van de kust. Later ook in het moerassige kustgebied. Omstreeks 1770 was het aantal plantages opgelopen tot zo'n 500.

Achteruitgang van de plantages

Na 1770 begon de achteruitgang van de plantages. De voornaamste oorzaak was dat inmiddels veel plantages waren verkocht aan geldbeleggers die niet zelf de plantage bestuurden. Het financieel beheer lieten ze over aan administrateurs in Paramaribo. De administrateurs en directeuren hadden belang bij winst op korte termijn. Daar kwam nog bij dat in de 19e eeuw de prijzen door overproductie in de wereld sterk daalden. In de loop van de tijd werden veel plantages opgeheven. In 1863(afschaffing slavernij) waren er in Suriname nog maar 219 plantages.

De slavenhandel naar Suriname

slavenroutes

De aanvoer en aankoop van slaven was tot 1734 een monopolie van de WIC. De WIC voerde echter lang niet altijd het afgesproken aantal slaven(2500 per jaar) aan. Daarom mochten vanaf 1734 ook andere handelaren en ondernemingen slaven gaan aanvoeren.

Van alle slavenschepen die naar Suriname voeren, kwam zo'n 75% uit Zeeland. Van de Middelburgse Commercie Compagnie is de administratie bewaard gebleven. Daaruit blijkt dat de slaven niet meer winst opleverden dan de 'gewone' producten. Men schat dat in totaal ruim 300.000 slaven uit West-Afrika naar Suriname zijn gebracht. Tijdens de zeereis stierf gemiddeld 12%. Van de zeelieden stierf gemiddeld 18%, maar zij moesten gemiddeld ruim tweemaal reizen.

Slaven, slavinnen en hun meesters

De meeste slaven moesten op de plantages werken. Op de plantages, maar vooral ook in de stad Paramaribo waren er ook ambachtsslaven en huisslaven. De slaven waren niet geheel rechteloos.

De planters en de blanke plantage-opzichters kwamen uit allerlei landen: Britten, Portugese Joden, Nederlanders, Fransen en Duitsers. Zij traden tegen iedere vorm van verzet streng op. Het totale aantal blanken bedroeg hoogstens enkele duizenden. Tegen het einde van de 18e eeuw waren er 45.000 slaven.

Vrije gekleurden en vrijgelatenen

Seksuele omgang tussen blanken en slaven was officieel verboden.. Maar veel blanken hielden zich niet aan dat verbod. Slavinnen en kinderen uit deze verhoudingen geboren kregen soms de vrijheid. De meesten van deze vrijgelatenen trokken naar Paramaribo om te werken als kantoorbediende, winkelier of ambachtsman.

Zo ontstond tussen de bovenlaag van de blanken en de benedenlaag van de slaven een middenlaag van vrije gekleurden. In 1830 waren er ruim 2000 blanken, 5000 vrije gekleurden en ruim 48.000 slaven en slavinnen.

Marrons leven in vrijheid

Er waren ook slaven die de vrijheid namen door weg te lopen. Deze vluchten naar de moerassen van het kustgebied of trokken via de rivieren landinwaarts naar het binnenland. Deze gevluchte slaven werden marrons genoemd. Ruim 10% van de slaven in de 18e eeuw werd marron. Aan het eind van de eeuw werd het aantal marrons op 7000 geschat verdeeld over drie groepen de Djoeka's, Saramaccaners en de Matoeari's. Deze organiseerden overvallen op de plantages.. Uiteindelijk sloten blanke kolonisten in 1761,1762 en 1767 vrede met de marrons. De Boni's echter, genoemd naar hun leider Boni, voerden een langdurige guerrilla(1765-1777 en 1789-1793). Hoewel ze klein in aantal waren (600) was hun dreiging toch groot. Pas in 1793 gaven de Boni's de strijd op, nadat hun leider was gedood door Djoeka's. Marrons met wie vrede werd gesloten werden voortaan Bosnegers genoemd.

Afschaffing van de slavernij en de gevolgen daarvan

In Suriname zou pas in 1863 de slavernij worden afgeschaft. Omstreeks 1840 kwam er in Nederland een actie tegen slavernij op gang. Maar pas in 1862 was er in de Tweede kamer een meerderheid voor de wet tot afschaffing van de slavernij. Volgens deze wet werden de 33.000 slaven op 1 juli 1863 vrijgelaten. Volgens de wet kregen de slavenhouders voor iedere vrijgelaten slaaf een schadevergoeding van 300 gulden. Ook kwamen de ex-slaven tien jaar onder Staatstoezicht te staan. Dat hield in dat de ex-slaven verplicht waren met werkgevers een arbeidscontract af te sluiten. Men had nu tien jaar de tijd om voor andere arbeidskrachten te zorgen. Rond 1900 nam de werkgelegenheid toe door de vestiging van Europese ondernemingen die zich bezig hielden met de exploitatie van bosgebied.

De komst van Hindoestanen

Om aan de vraag naar goedkope arbeidskrachten te voldoen sloot de Nederlandse overheid een overeenkomst met Groot-Brittannië om in Brits-Indië arbeiders te werven. Dat verplichtte deze om voor vijf jaar op een plantage te werken tegen een vast laag loon. Heen en terugreis waren gratis. In 1873 kwam het eerste schip met Brits-Indiërs aan. Velen stierven binnen enkele maanden na aankomst. Ook kwamen arbeiders soms in opstand tegen de directeuren en opzichters van de plantages. De contractarbeiders werden Hindoestanen genoemd. De meesten waren inderdaad hindoe(80%), maar een minderheid(20%) was moslom. In de periode 1873-1916 kwamen 34.000 Hindoestanen naar Suriname waarvan er 11.700 terugkeerden naar Brits-Indië.

De Hindoestanen vormden in Suriname een gesloten groep. Ze woonden vooral in West-Suriname(Nickerie) en ze spraken hun eigen taal, het Sarnami. Uiteindelijk werd de afzondering doorbroken.

De komst van de Javanen

De geschiedenis van de Javanen lijkt veel op die van de Hindoestanen. ook zij kwamen als contractarbeiders op de plantages werken en leefden lang in afzondering als een gesloten groep. Tussen 1890 en 1939 kwamen er 32.956 Javanen naar Suriname waarvan er 8.500 terugkeerden. Anders dan de Hindoestanen bleven ze na afloop van hun contract op de plantages werken. De grote meerderheid van de Javanen was moslim(97%). Na de Tweede Wereldoorlog werd ook de afzondering van de Javanen minder. De meeste Javanen werkten echter in lagere functies dan de Hindoestanen.

Suriname wordt onafhankelijk

Suriname zelfstandig binnen het Koninkrijk der Nederlanden

In Suriname was van nationalisme minder sprake dan in Indonesië. Het gevoel Surinamer te zijn kwam echter bijna alleen voor bij creolen(afstammelingen van Afrikaanse slaven), vooral onder mensen die een goede opleiding hadden doorlopen: studenten, leraren en journalisten. Creolen, Hindoestanen en Javanen richtten wel allemaal hun eigen politieke partijen op. Hun doel was niet onafhankelijkheid, maar zelfbestuur. In de periode 1948-1950 kreeg Suriname zelfbestuur in binnenlandse aangelegenheden. Het had de vorm van een parlementaire democratie: de bevolking koos met algemeen kiesrecht een parlement ('Staten"genoemd); de regering moest verantwoording afleggen aan dat Parlement. Deze nieuwe verhouding tussen Nederland en Suriname werd officieel vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk(1954).

Suriname wordt een onafhankelijke Republiek

In de jaren ' 60 en ' 70 werd bij de Creolen het streven naar zelfstandigheid groter. De Hindoestanen en Javanen waren tegen de onafhankelijkheid. Zij waren bang dat de Creolen dan Suriname zouden overheersen. De leider van de grootste Creoolse partij, Joop Pengel, hield rekening met deze angst. samen met de leider van de grootste Hindoestaanse partij, Jagernath Lachmon, streefde hij nar 'verbroedering' tussen de bevolkingsgroepen. Na de dood van Pengel(1970) kwam er een eind aan deze verbroederingspolitiek.

Premier Henck Arron verklaarde in 1974 dat Suriname eind 1975onafhankelijk moest worden. Het Nederlandse Kabinet-Den Uyl was ook vóór onafhankelijkheid op korte termijn. In oktober 1975 stemde de Tweede Kamer met 106 stemmen vóór en 5 tegen, in met de onafhankelijkheid. Op 25 november 1975 was de onafhankelijkheid een feit. In december werd Suriname toegelaten tot de VN en in 1977 tot de Organisatie van Amerikaanse Staten(OAS).

Een revolutie die mislukt

Militairen grijpen de macht

De economische vooruitzichten voor Suriname waren na de onafhankelijkheid goed. De bauxietindustrie draaide goed en zorgde voor bijna 75% van de export en voor 30% van de inkomsten. Daarnaast had Nederland 3,5 miljard gulden ontwikkelingsgeld toegezegd over een periode van vijftien jaar.

Toch bleek na een aantal jaren de praktijk een heel andere. Veel Surinamers vonden bijvoorbeeld dat hun regering de industriële ontwikkeling verwaarloosde, net zoals de Nederlanders in de koloniale tijd hadden gedaan.

Op 25 februari 1980 voerde een groep ontevreden onderofficieren een staatsgreep uit. De revolutionaire militairen benoemden een burgerregering. Maar hielden in werkelijkheid de macht. Sterke man was sergant-majoor Bouterse.

De Decembermoorden

slachtoffers decembermoordenIn Suriname werd verzet tegen Bouterse vooral gevoerd door de grootste vakbond, de Moederbond, geleid door Cyril Daal. Bouterse brak het verzet door hard ingrijpen op 8 december 1982. Vijftien tegenstanders, onder wie Daal, werden naar fort Zeelandia gebracht, mishandeld en tenslotte doodgeschoten.

Nederland stopte, als reactie op de Decembermoorden, met het betalen van ontwikkelingshulp. Als gevolg daarvan ontstonden in Suriname economische problemen. Maar ook in de Bauxietindustrie ging het slechter. In augustus 1986 kwam daar nog bij dat Ronnie Brunswijk, leiding gaf aan een groep Bosnegers(Junglecommando), die een guerrilla ging voeren in Oost-Suriname wat schade toebracht aan de bauxietindustrie. Het leger van Bouterse kon het junglecommando niet verslaan.

Terugkeer naar de democratie

Bouterse was bereid om enigszins terug te keren naar de democratie. In november 1987 liet hij vrije verkiezingen houden. Hij deed er zelf met zijn eigen partij, de Nationale Democratische Partij, aan mee. Winnaar werd echter het Front voor Democratie en Ontwikkeling. In dit front werkten de drie oude partijen van Creolen, Hindoestanen en Javanen samen.

Met Kerstmis 1990 werd de regering opnieuw door Bouterse afgezet en hij liet opnieuw in mei 1990 verkiezingen houden. Ook deze verkiezingen werden gewonnen door het Nieuwe Front waarin opnieuw de drie oude partijen van Creolen, Hindoestanen en Javanen samenwerkten. President werd Ronald Venitiaan. Hij was de eerste president die echt in de praktijk ook macht had. Bouterse trad in 1992 af als legerleider en het junglecommando hield ongeveer tegelijk op te bestaan.

Van Juli 1996 tot 2000 was Jules Wijdenbosch, een aanhanger van Bouterse, president. De economische situatie werd echter steeds slechter waardoor het Nieuwe Front opnieuw een grote verkiezingswinst maakte.

Verschillen tussen de bevolkingsgroepen

Grote economische problemen

Weinig mogelijkheden voor industrie

Door de economische wereldcrisis van de jaren zeventig in de 20e eeuw was er weinig vraag naar Bauxiet op de wereldmarkt waardoor de export en de inkomsten van de overheid terugliepen. Er werd dus ook niet in geïnvesteerd

Industrie moeilijk op te bouwen

Door het geringe aantal inwoners is het ook moeilijk een industrie op te bouwen die voor eigen binnenlands gebruik produceert.

Mogelijkheden op het gebied van de landbouw te weinig benut

Na afschaffing van de slavernij bleef het aantal plantages dalen. Het aandeel van de landbouw in de export daalde van 80% in 1863 tot 6% in 1939. In de jaren 80 van de 20e eeuw liep dat weer op tot 20%. dat kwam door de opbrengst van een groot aantal moderne landbouwbedrijven, grotendeels betaald met ontwikkelingshulp. Rijst is het belangrijkste exportproduct. Maar er is echter maar 2% van het beschikbare landbouwgebied ook daadwerkelijk in gebruik.

Moeizame economische samenwerking tussen Suriname en Nederland

Door de politieke problemen zijn de economische relaties tussen beide landen, ondanks een gesloten 'raamverdrag' in 1982 moeizaam.

Verschillen tussen de bevolkingsgroepen

Het besef Surinamer te zijn is gegroeid en de bevolkingsgroepen werken goed samen. Toch is er sprake van een groot saamhorigheidsgevoel binnen elke groep wat nogal eens leidt tot kliekvorming en vriendjespolitiek. In de bovenlaag van de bevolking zijn de Creolen en Hindoestanen oververtegenwoordigd. In de benedenlaag bevinden zich naast Creolen veel Javanen en bijna alle Bosnegers en Indianen. De middenlaag bestaat grotendeels uit Creolen en Hindoestanen. Op cultureel gebied zijn er grote verschillen tussen de bevolkingsgroepen. Elke bevolkingsgroep heeft zijn eigen moedertaal.

Suriname en Latijns Amerika

Contacten tussen Suriname en Brits-Guyana

eilanden en venezu

In 1799 veroverden de Britten het Nederlands bezit in Latijns- Amerika, omdat Nederland als Bataafse Republiek bondgenoot was van Frankrijk. Suriname werd na de nederlaag van Frankrijk aan Nederland, in 1815, teruggegeven. De rest van Guyana behielden de Engelsen en werd samengevoegd tot één kolonie Brits-Guyana. Er zouden altijd contacten tussen de gebieden blijven bestaan. De rassenonlusten in Brits-Guyana in het begin van de jaren zestig van de 20e eeuw hadden ook invloed in Suriname. Brits-Guyana werd als Guyana in 1966 onafhankelijk. Daarna ontstond er een conflict met Suriname over de loop van de grensrivier Corantijn.

Contacten tussen Suriname en Frans-Guyana

Deze ontstaan vooral in de jaren zeventig van de 20e eeuw. Toen werd in Kourou(Frans-Guyana) een Europees ruimtecentrum gebouwd. Veel Surinamers, Bosnegers en anderen, trokken erheen en vonden werk in de bouw. Ook met Frans-Guyana bestaan onopgeloste grensproblemen.

Contacten tussen Suriname en de andere landen in de regio

Pas na de onafhankelijkheid van Suriname zijn de contacten met verschillende andere landen in de regio goed op gang gekomenzoals met Venuzuela en Brazilië. In 1995 werd Suriname lid van de CARICOM(Caribean Community, een organisatie voor samenwerking tussen Caribische staten). Tussen Suriname en Curacao bestaan al contacten sinds het begin van de olie-industrie op Curacao(1918).

3 Curacao, Aruba, Bonaire, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten

De natuur en de mensen

De Nederlandse Antillen en Aruba bestaan uit twee groepjes van ieder drie eilanden in de Caribische Zee. De Benedenwindse eilanden Bonaire en Curaçao zijn tezamen ongeveer 700 vierkante kilometer groot. het eiland Aruba is ongeveer 190 vierkante kilometer. Vanwege de geringe neerslag groeit er bijna niets op. Door het onverantwoorde omhakken van verf- en brandhout en door de vele loslopende geiten is er ernstige bodemerosie.

De drie Bovenwindse eilanden, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten, liggen 900 km ten noorden van de Benedenwindse eilanden. de helft van Sint-Maarten is Frans gebied. Tezamen zijn de eilanden ongeveer 70 vierkante kilometer groot.

Op Curaçao, Bonaire, Sint Eustatius en Sint maarten zijn de meeste mensen van Afrikaanse afkomst, op Aruba van Indiaanse; op Saba wonen blanken en kleurlingen.

West-Europeanen veroveren de eilanden

De oorspronkelijke bewoners van de Bovenwindse eilanden behoorden tot de Caraïben, een Indiaans volk. Die van de Bendenwindse eilanden behoorden tot een ander Indiaans volk, de Arowakken. Al aan het einde van de 15e eeuw veroverden de Spanjaarden de eilanden. Ze werden weggevoerd naar de plantages op Haïti. Omdat de Spanjaarden de eilanden nauwelijks verdedigden kon de WIC ze ongeveer 1630 makkelijk veroveren. De eilanden hadden goede natuurlijke havens.

Na het einde van de opstand tegen Spanje (1648) ging de WIC zich vooral met de slavenhandel tussen Afrika en Amerika bezighouden. Curaçao werd de belangrijkste slavenmarkt in Amerika. Maar er werden ook veel producten verhandeld. Ook werden er plantages op de eilanden zelf gesticht. Men verbouwde er, tabak, suiker en citrusvruchten een deed men aan veeteelt(fokken van paarden). Op Bonaire en Sint Maarten werd zout gewonnen.

De slavernij en de gevolgen ervan

De komst van slaven bracht grote veranderingen in de blanke samenleving. Er ontstond een bovenlaag van plantagehouders, ambtenaren en kooplieden. Ze waren blank, protestants of joods. De middenlaag bestond uit een klein aantal vrije ambachtslieden. Zij waren kleurling of indiaan en meestal katholiek. De benedenlaag bestond uit Afrikaanse slaven. De slaven moesten wel christen worden. De slaven werden wel katholiek maar behielden ook veel van de traditionele godsdienst. het is opmerkelijk dat de protestantse heren de slaven tot het katholieke geloof lieten bekeren. Ze deden dat omdat ze niet met de slaven in één kerkgebouw wilden zitten.

De blanken voelden zich superieur aan de andere bevolkingsgroepen. Slaven moesten zich onderdanig gedragen. Ondanks de afschaffing van de slavernij. Zwarten en kleurlingen keken nog steeds tegen de blanken op. Dat is tot in onze tijd voelbaar. Dor de acteis van de zwarten in de VS nam echter het zelfbewustzijn toe('black is beautiful'). De moeder is bij de zwarten de spil van het gezin. Slavinnen hadden vaak(gedwongen) verschillende mannen als partner. De man kwam hierdoor in het gezin op de tweede plaats. Daarin is dor de afschaffing van de slavernij geen verandering gekomen.

Perioden van bloei en neergang op economisch gebied

Het smokkeleiland Eustatius was in de 18e eeuw erg rijk. vooral het smokkelen met de Britse koloniën leverde veel winst op. Door de Amerikaanse Vrijheidsoorlog(1776-1783) verloor Groot-Brittannië de koloniën in Noord-Amerika. de VS ontstonden en lieten de handel vrij.

De handel werd ook getroffen werd ook getroffen doordat de Britten de slavenhandel verboden(1808) en door de opstand in de Spaanse koloniën(1810). Koning Willem I(1815-1840) probeerde de koloniale handel weer te herstellen. De economische positie van de Antillen bleef slecht.

De komst van de olie-industrie

Tot het begin van de 20e eeuw ging het niet goed met de economie op de Nederlandse Antillen. Dit veranderde in 1914, want toen werd er in Venuzuela , bij het meer van Maracaibo, olie gevonden. Door de zandbanken konden daar geen grote zeeschepen komen. Daarom werden de havens van Curaçao en Aruba gebruikt om ruwe olie over te laden in grote tankers. Spoedig ging men echter op Curaçao(1918) en Aruba(1928) olieraffinaderijen bouwen. De oliemaatschappijen hadden daarvoor de volgende redenen:

  • De goede havens op de eilanden;
  • De verwachting dat er op de eilanden minder sprake zou zijn van sociale en politieke spanningen;
  • De belastingvoordelen die de Nederlandse regering bood.

De landbouw verdween grotendeels, door het steeds lagere grondwaterpeil en door de trek van arbeiders naar de olie-industrie. Er ontstond een 'postwisselindustrie'. Mannen van Bonaire werkten bijvoorbeeld op Curaçao of Bonaire en stuurden iedere maand postwissels(geld) naar hun gezin. Dit bleven ze doen totdat ze op Aruba of Curaçao een andere vrouw vonden.

Gevolgen van de inkrimping van de olie-industrie

Na de Tweede Wereldoorlog begonnen de problemen. In de jaren '50 ging men in Europa en Venezuela ook olieraffinaderijen bouwen. Op de Antillen moest men inkrimpen met als gevolg massaontslagen en arbeidsonrust. Op 30 mei 1969 kwam het op Curaçao tot een opstand van stakende arbeiders(schade 100 miljoen). De regering trad af en er kwam een voorlopige regering. Er kwam een onderzoek maar dat leverde niet veel op. Wel werden de sociale voorzieningen iets verbeterd: in 1972 werd een minimumloon ingevoerd en in 1974 kwam er een ontslagwet mar geen werkeloosheidsuitkering. Veel Antilianen vertrokken naar Nederland.

Verschillen tussen de Boven- en en Benedenwindse eilanden

Op de Bovenwindse eilanden wordt Engels gesproken. De Benedenwindse eilanden hebben al eeuwenlang economische en andere betrekkingen met Venezuela. Men spreekt er Papiaments, een op Spaans lijkende taal. Door de ligging zijn er veel Venezolaanse invloeden op de Benedenwindse eilanden. De olieraffinaderij op Curaçao is door Venezuela gehuurd.

Insularisme en staus aparte

De mensen op de Antillen voelen zich in de eerste plaats bewoner van hun eigen land dan Antilliaan(insularisme). Aruba was het eerste land dat dit tot uiting liet komen. Men wilde een status aparte(een apart land binnen het Koninkrijk). De andere eilanden, eind 1993, kozen voor het behoud van de Nederlandse Antillen. In 2000 sprak de bevolking van Sint-Maarten zich uit voor een status aparte.

De banden met Nederland

In 1791 werd de WIC opgeheven en de bezittingen en schulden werden door de Nederlandse staat overgenomen. De Antillen werden vanaf dat moment vanuit Nederland bestuurd.

In 1954 kwam de Nederlandse regering met een Statuut voor het Koninkrijk. Daarin werden de banden tussen de drie delen van het Koninkrijk(Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen) opnieuw vastgelegd. De drie delen zouden zichzelf besturen. Alleen defensie, buitenlandse zaken en mensenrechten zouden gezamenlijk worden geregeld. De gouverneur van Suriname en de Antillen vertegenwoordigden de koningin als staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. Ze kregen ook dezelfde bevoegdheden en mochten Nederlandse soldaten inzetten bij moeilijkheden. Dat gebeurde op 30 mei 1969 op Curaçao. Suriname werd in 1975 een onafahankelijk land.

In 2000 sprak de bevolking van Sint Maarten zich uit voor een status aparte, om dezelfde reden als Aruba. In 2010 werden Sint Maarten en Curacao zelfstandige landen binnen het Koninkrijk. Bomaire, Sint Eustatius en Saba werden bijzondere Nederlandse gemeenten.

4 Zuid-Afrika

De kaapkolonie wordt gesticht

Voor de komst van de Europeanen woonden in het zuiden van Afrika twee volken: de San(leefden van jagen en verzamelen) en de Khoikhoi(leefden van veeteelt). samen werden ze aangeduid als Khoi-san. De Hollanders o.l.v. Jan van Riebeeck vestigden zich in 1652 aan de Kaap om de VOC-schepen van verse proviand te voorzien. Maar al spoedig vestigden zich ook andere Hollanders, hugenoten en Duitsers in de Kaapkolonie. Deze kolonisten werden Boeren genoemd.

De San werden deels uitgemoord en deels verdreven. Afstammelingen van de San leven nu in de Kalahariwoestijn. Veel Khoikhoi werden slaaf van Europeanen.

De Boerenoorlogen

In de tijd van Napoleon veroverde Engeland de Kaapkolonie. Veel boeren wilden niet onder de Engelsen leven. Omstreeks 1835 begon de Grote Trek van Boeren naar het noorden(zie kaart). Tijdens die tocht kwamen ze in botsing met andere Afrikaanse volken, de Xhosa en de Zoeloes. De Boeren vestigden zich uiteindelijk in Natal. Ze raakten echter ook in oorlog met de Engelsen die aanspraak maakten op Natal. In 1852 en 1854 sloten de Boeren vrede met de Engelsen. Die stemden in met de stichting van twee Boerenrepublieken: Oranje Vrijstaat en Transvaal. Engeland kreeg Natal.

In 1867 werden diamanten ontdekt in Oranje Vrijstaat en in 1871 goud in Transvaal. De Boeren waren niet geïnteresseerd in mijnbouw de Engelsen wel. Engeland besloot Oranje Vrijstaat en Transvaal in te lijven bij de Kaapkolonie en Natal. Er ontstonden twee oorlogen van 1880-1881 en 1899-1902. Vooral de Tweede oorlog was gruwelijk. Om de guerrillaoorlog van de Boeren te bedwingen gingen de Engelsen er toe over om boerderijen en oogsten te vernietigen en hun vrouwen en kinderen in concentratiekampen op te sluiten( 25.000 van hen kwamen om).De Nederlandse regering trachtte tevergeefs te bemiddelen. De Boeren verloren, hun republieken werden ingelijfd.

De Apartheid wordt ingevoerd

In 1910 kwam er een grondwet voor de nieuwe republiek Zuid-Afrika. De Boeren, vanaf nu Afrikaners genoemd, kregen de meerderheid in regering en parlement. Tussen 1911 en 1923 voerden zij wetten in die segregatie en discriminatie van niet-blanken ten doel hadden.. Alleen in de Kaapkolonie mocht een beperkt deel van de niet-blanken stemmen. Tot de niet blanken behoorden naast zwarten ook Aziaten en kleurlingen.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de Nationale partij aan de macht(1948). Die besloot tot het invoeren van de Apartheid (volledige scheiding etnische groepen) in Zuid-Afrika. Daarmee hoopte de partij het tijdens de oorlog toegenomen verzet van de zwarten te beteugelen en de blanke overheersing veilig te stellen. Elke groep kreeg eigen woongebieden. De zwarten 70% van de bevolking kregen 13% van het land(economisch de minst aantrekkelijke).

Verzet tegen de Apartheid

Geweldloos binnen- en buitenlands verzet

Op den duur was de Apartheid niet in stand te houden. dat kwam door:

1) Omstandigheden van buitenaf

  • Het voorbeeld van de dekolonisatie van andere Afrikaanse landen;
  • Zuid Afrika werd getroffen door een internationale boycot.

2) Omstandigheden van binnenuit

  • In veel sectoren van de Afrikaanse samenleving werd actie tegen de Apartheid gevoerd(Steve Biko, Beyers-Naudë Helen Suzman, Cyril Ramaphosa);
  • Van de vele anti-Apartheidsorganisaties werd het in 1912 opgerichte African National Congress(ANC) de belangrijkste, onder leiding van Nelson Mandela. Zij zage geen andere oplossing dan met geweld hun doel te bereiken.

In 1962 werd Mandela gearresteerd en tot levenslang veroordeeld. Mandela zou tot 1990 op Robben eiland gevangen blijven.

Einde aan de Apartheid

Minster president Botha en zijn opvolger De Klerk zagen in dat er iets moest veranderen. Na geheime gesprekken met Mandela en andere ANC leiders hief De Klerk in 1990 het verbod op het ANC op en liet alle politieke gevangenen vrij. In 1992 keurde 68,6% van de blanke kiezers in een referendum de hervormingen goed. In 1993 werd de rest van de Apartheidswetgeving afgeschaft.

De Klerk had gehoopt te kunnen profiteren van verdeeldheid onder de zwarte organisaties. Maar hij onderschatte Nelson Mandela die alle bevolkingsgroepen met elkaar wilde verzoenen. De verdraagzaamheid van Mandela maakte diepe indruk en hij wist De Klerk ervan te overtuigen dat hij niets anders kon dan volledig gelijke rechten te geven aan alle Zuid-Afrikanen.

Democratie en verzoening

In 1994 werden de eerste algemene verkiezingen gehouden. Het ANC won en Nelson Mandela werd de eerste zwarte president. Als teken van verzoening benoemde hij tot vice-presidenten De Klerk en de leider van een zwarte partij die tegen het ANC was.

de klerk en mandela

Om de bevolking het verleden vol geweld te laten verwerken werd een Waarheidscommissie ingesteld, onder leiding van bisschop Tutu. Die commissie was geen rechtbank maar moest de waarheid over gewelddaden tegen de Apartheid achterhalen: Tutu: ' Want alleen door de waarheid te kennen, kunnen we beginnen met vergeven, onszelf te vergeven en ons te verzoenen'.