We hebben 139 gasten online

SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 3

Gepost in Tweede Fase 4e druk

De Middeleeuwen

3.1De De verbreiding van het christendom in Europa

Na het uiteenvallen van het West-Romeinse rijk bleef in Spanje en Italië de christelijke kerk bestaan. De Germaanse volken die daar binnenvielen waren al eerder christelijk geworden.

Onder Clovis worden de Franken gekerstend

In 481 werd Clovis koning van één van de Frankische stammen. Toen hij in 511 stierf bestond zijn rijk uit het merendeel van het huidige Frankrijk. Omdat Clovis zich tot het christendom liet bekeren gingen de inwoners van zijn rijk ook over tot de christelijke kerk. Na de dood van Clovis viel het rijk weer uiteen. De hofmeiers bestuurden de verschillende delen.

De Saksen met harde hand bekeerd

franken

In 768 kwam Karel de Grote aan de macht. Hij had grote moeite om de Saksen en de Friezen te onderwerpen. Het gebied van de Saksen strekte zich uit tot aan de Elbe. Karel de Grote dwong de Saksen het christendom aan te nemen.

Kloosters worden steunpunten om het christendom te verbreiden

Enkele Frankische monniken trokken naar het zuiden van Nederland om de 'heidense' Franken te bekeren. De bekendste is Amandus.

Twee kernpunten van zijn strategie, die door Ierse monniken al waren toegepast waren:

  • de monniken stichten kloosters om van daar uit het geloof te verkondigen;

  • men streefde er naar eerst de leiders te bekeren. Het volk volgde dan in de regel wel.

De machthebbers zagen in het christendom een stabiliserende factor die eenheid en rust onder de bevolking tot stand kon brengen.

De Engelse monniken Willibrord en Bonifatius

Willibrord en Bonifatius kwamen uit Ierland, Schotland en Engeland om een groot deel van het Europees vasteland te bekeren. Zo ook het noorden van Nederland. Het centrum werd Utrecht, waar Willibrord bisschop werd. Bonifacius trok naar Duitsland en Luxemburg en daarna naar de Friezen waar hij in 754 werd vermoord te Dokkum, omdat ze hem als een handlanger van de Franken zagen.

Germaanse gebruiken bleven bestaan

De Franken en later andere Germaanse volken namen veel van de christelijke rituelen over. Maar Germaanse gebruiken en tradities bleven er naast gewoon bestaan zoals de midwinter- en Lentefeesten. De namen woensdag, donderdag en vrijdag zijn ontleend aan de Germaanse goden Wodan, Donar en Freia.

Vanuit het Byzantijnse rijk wordt het (orthodoxe) christendom in Oost- Europa verspreid

Het prestige en overwicht van het christendom werd zo groot dat ook Slavische vorsten (op de Balkan en in Rusland) het christendom in de 8e - 10e eeuw doorvoerden. Er ontstonden echter tegenstellingen tussen de christelijke kerken in West- en Oost-Europa. Slavische volken werden tot het christendom gebracht vanuit het Byzantijnse rijk. dat was vooral het werk van de Griekse missionarissen. de Griekse broers Methodius en Cyrillus. Cyrillus ontwierp voor de Slavische talen een schrift: het cyrillisch, gebaseerd op het Griekse schrift. De kerk in het Westen (katholieke) erkende de paus als hoogste gezag en behield het Latijn als kerktaal. De kerk in het Oosten (orthodoxe) erkende de patriarch in Constantinopel als hoogste gezag en de landstaal als kerktaal. In 1054 verbraken de kerken hun onderlinge banden.

3.2 Karel de Grote

Nadat hij koning was geworden kreeg hij te maken met verschillende problemen:

  • De grote verdeeldheid in zijn rijk;

  • De armoede en de geringe ontwikkeling van zijn onderdanen;

  • De dreiging van invasies vanuit het noorden en het westen (Friezen en Noormannen), het oosten (Saksen en Avaren), en het zuiden (Arabieren).

Karels klerken

De verdeeldheid werd veroorzaakt door een lappendeken van stammen, talen, gebruiken en eigengereide edelen die delen van zijn rijk bestuurden. Daarom besloot Karel een bondgenootschap aan te gaan met de christelijke kerk. Karel verhief de taal van de kerk, het Latijn, tot bestuurstaal en de taal van de wetgeving. En liet een nieuwe letter ontwerpen de Karolingische minuskel. Karel zorgde er voor dat een edelman een geestelijke kreeg (Clerici in het Latijn), die dan voor hem kon lezen en schrijven en zo het contact kon leggen met het centrale bestuur. Hij deed er alles aan om de verdwenen kennis uit de Grieks-Romeinse tijd zoveel mogelijk te redden en liet boeken uit die tijd overschrijven.

Karels krijgers

Door de invallen was er een goed getrainde ruiterij nodig. Een krijger kreeg een bepaald gebied in leen waarvan de boeren een deel van de oogst aan hem moesten afdragen in ruil voor bescherming en het verrichten van bepaalde diensten. Die groep krijgers werd adel genoemd.

Karel leidt een reizend leven

Het hof van Karel de Grote trok rond door Karels landen. Dat had twee redenen:

  • Het was moeilijk om een grote groep bestuurders te onderhouden;

  • Voor de samenhang van het rijk was het noodzakelijk dat men de koning regelmatig in levende lijve zag.

Karel sprak recht, verrichte benoemingen, luisterde naar de specifieke problemen van de streek, beloonde dapperen, gaf geschenken en vertrok naar enige tijd.

Karel en de Paus

Karel trok evenals zijn vader naar Italië om de paus te helpen tegen aanvallen van de Longobarden. Als beloning kroonde de paus hem in 800 tot keizer. De opvolger van de Romeinse keizers. Maar na de dood van Karel de Grote (814) viel zijn rijk weer uiteen. De oorzaken daarvan waren:

  • De gewoonten onder de Germanen om het rijk te verdelen onder alle zonen van de vorst;

  • De oorlogen die de opvolgers van Karel de Grote tegen elkaar voerden;

  • Aanvallen van de Noormannen, moslims en Hongaren.

weu 890

3.3 De Boeren

Romeinse steden lopen grotendeels leeg

Bijna iedereen leefde op het platteland. De meeste Romeinse steden liepen in de Vroege Middeleeuwen grotendeels leeg. Dat had te maken met het uiteenvallen van het Romeinse rijk:

  • Toen de soldaten en bestuurders wegtrokken verviel de functie van een stad;

  • De wegen raakten in verval waardoor de handel stopte en handelaren weer boer werden;

  • Veel handswerklieden werden, door de afnemende vraag, weer boer.

Alleen de bisschoppen bleven hun bisdom besturen vanuit de stad. Dankzij de geestelijken bleef er voor en aantal mensen werk in de stad.

Het leven van de meeste mensen gekenmerkt door schaarste

Omdat men in de eigen levensbehoeften moest voorzien was er sprake van schaarste, zeker na misoogsten. Het gevolg was dat in de Vroege Middeleeuwen bijna iedereen voortdurend bezig was, voor voldoende voedsel te zorgen. De kans om oud te worden was daardoor heel klein omdat men vaak ziek en meestal ondervoed was.

Het hofstelsel (domeinstelsel) ontstaat

Het Romeinse rijk was een agrarisch-urbane samenleving. De bevolking woonde zowel op het platteland als in steden. In de Vroege Middeleeuwen werd het weer een agrarische samenleving. Germaanse machthebbers, bisschoppenen en kloosters slaagden er in grote landbouwgebieden te verwerven. Het grondgebied werd in grote delen georganiseerd volgens het hofstelsel, ook wel domeinstelsel genoemd. Hier betekent 'hof' landgoed. Het domein is een meer gebruikelijk woord. Kenmerken van het hofstelsel zijn:

  • De kern wordt gevormd door de versterkte boerderij, het kasteel of klooster en de bijbehorende landerijen van de grootgrondbezitter. Daaromheen wonden de horige boeren die grond in pacht hadden;

  • Op het domein zorgden de mensen voor bijna alles wat ze nodig hadden(autarkisch).

Grootgrondbezitters hadden vaak meer domeinen in bezit.

De meeste boeren leven als horigen op een domein

Ruim 90% van de bevolking leefde op een domein. Vrije boeren bezaten eigen grond. Soms woonden ze op een domein.

De meeste mensen waren horigen. Horigen hoorden tot de grond die zij bewerkten en mochten niet verhuizen. Horigheid was, evenals slavernij, erfelijk. Men werd als horige geboren en bleef dat levenslang.

Verplichtingen van een horige:

  • Ze moesten als pacht een deel van wat hun boerderij voortbracht, aan de heer afstaan.

  • Ze moesten herendiensten verrichten, waarvan de belangrijkste was het bewerken van het land van de heer.

Binnen de groep van horigen was er sprake van gelaagdheid door drie verschillen onder de horigen:

  • De hoeveelheid land die men had gepacht.

  • De hoeveelheid diensten die men moest verrichten.

  • De hoeveelheid pacht die men moest betalen.

Als men er in slaagde iets over te houden had men de kans zich vrij te kopen.

De slavernij verdwijnt in de Vroege Middeleeuwen

Omdat er in de Vroege Middeleeuwen nauwelijks nog grote steden waren, konden de grootgrondbezitters dus ook geen grote hoeveelheden producten meer aan de steden leveren. Hun inkomsten gingen achteruit. Het werd voordeliger de slaven een deel van het land in pacht te geven. Zo werden steeds meer slaven horige.

3.4 De edelen

De leefwijze van de edelen verschilde sterk met die van de boeren. Ze waren wel eigenaars van de grond, maar ze werkten er niet zelf. De edelen verrichtten de volgende taken:

  • Ze bestuurden hun domeinen;

  • Spraken recht;

  • Voerden zonodig oorlog.

Hoge en lage edelen

De meeste edelen behoorden tot de lage adel. Zij beheerden maar één of enkele domeinen en woonden op kleine kastelen. Ze hadden maar weinig meer te eten dan hun horigen. Hun wapenuitrusting kostte veel geld.

In heel Europa waren er maar enige honderden hoge edelen, zoals de graaf van Vlaanderen. Ze woonden in grote burchten en leefden in enige luxe.

Het begrip leenstelsel

boeren

De hoge edelen bezaten vaak honderden domeinen. Omdat ze niet alle producten konden opeten of verhandelen hadden ze er niet zo veel aan. Maar ze hadden wel behoefte aan trouwe en goed bewapende volgelingen om hun bezittingen te beschermen. Daarom gaven ze een deel van hun domeinen in leen aan de lagere edelen. In ruil moesten ze de hogere edelen helpen ten tijde van oorlogen.

Degene die het leen geeft heet leenheer, degene die het krijgt leenman. Sommige leenmannen hadden zoveel domeinen in leen dat ze zelf een deel doorgaven aan achterleenmannen. Het leenstelsel wordt ook wel feodalisme genoemd. Het leenstelsel is een vorm van bestuur, waarbij een leenman een groot deel van zijn macht uitleent aan leenmannen. Deze leenmannen werden in de Middeleeuwen vazallen genoemd. Leenheer en leenman sloten een verdrag waarin het volgende werd vastgelegd:

  • De leenheer leende de leenman land;

  • De leenheer gaf de leenman bescherming;

  • De leenman beloofde de leenheer trouw te zijn;

  • De leenman beloofde de leenheer te hulp te komen met gewapende mannen in een oorlog;

  • De leenman gaf zijn leenheer raad en hielp bij het uitvoeren van besluiten;

  • De leenman sprak recht volgens de aanwijzingen van de leenheer;

  • De leenheer kon de leenman zijn leen afnemen als de leenman zich niet aan de afspraken hield.

  • Stierf de leenheer of leenman dan was het contract geëindigd.

In de 9e eeuw echter werden de lenen steeds meer erfelijk waardoor een leenheer zijn bezit kwijtraakte. Hoge geestelijken konden ook domeinen in eigendom hebben en dus als leenheer optreden.

3.5 De Geestelijken

Naast de boeren en edelen was er nog een derde groep de geestelijken. De geestelijken zijn onder te verdelen in twee soorten: de priesters die in de wereld leven: de seculiere geestelijken. Daar behoren de paus, bisschoppen en de priesters toe. Daarnaast was er nog een groep die in het klooster leefde: de reguliere geestelijken. Volgens bepaalde regels leefden ze in een klooster. Aan het hoofd van zo'n klooster stond een abt of abdis. De orde van de Benedictijnen was in de 6e eeuw door Benedictus gesticht en had in allerlei landen kloosters opgericht die leefden naar de regels van Benedictus.

De seculiere geestelijken

Deze leefden in de wereld. De lagere geestelijkheid bestond uit de dorpspriesters. deze waren van boerenafkomst en hadden weinig of geen opleiding. Zij werkten in een parochie. Dat is een groep gelovigen, die meestal samenviel met een dorp of domein. Boven de dorpspriesters stonden de bisschoppen. deze gaven leiding aan een bisdom, een kerkelijke provincie. Veel bisschoppen waren leenman van de koning. Boven de bisschoppen stonden de aartsbisschoppen. Naast hun eigen bisdom oefenden ze ook het toezicht uit op andere bisdommen. Bovenaan stond de paus in Rome. Hij was de door de Kerk gekozen leiding en wordt gezien als de plaatsbekleder van Christus op aarde.

De reguliere geestelijken

Dat zijn geestelijken die in een klooster wonen, afgesloten van de buitenwereld. Ze leggen daar drie geloften af. De belofte van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid (niet trouwen).Zo ontstonden kloosterorden zoals de Benedictijnen. Een hoofd van een mannenklooster heet abt, van een vrouwenklooster abdis. Kloosters legden zich toe

  • op het verspreiden van het geloof;

  • ontginning van land;

  • gaven onderdak aan pelgrims;

  • verzorgden zieken;

  • gaven onderwijs;

  • hielden kronieken en annalen bij; bestudeerden Griekse en Romeinse boeken en schreven die over (de boekdrukkunst bestond nog niet).

Geestelijken hebben en geven de meeste informatie

In de middeleeuwen was er in West-Europa maar één Kerk, de christelijke, waarvan iedereen lid was. Tot in de Late Middeleeuwen waren de geestelijken de enigen die konden lezen en schrijven. Omdat zij ook de enigen waren die contact met andere streken hadden konden ze via de preekstoel iedereen bereiken en beïnvloeden.

Geestelijke leiders op veel gebieden als leidsman aanvaard

Zij waren dus onmisbaar in het bestuur en hielpen bij het opstellen van wetten en verdragen. Bij het toedienen van sacramenten waren ze onontbeerlijk en hadden grote invloed op het leven van de mensen.

De paus kan zelfs koningen en keizers in de ban doen

Omdat de Kerk ook gerechtshoven had konden koningen en keizers ook door de kerk ter verantwoording worden geroepen. Hield men zich niet aan de geboden van de Kerk dan kon men worden 'geëxcommuniceerd' of in de 'ban worden gedaan'. Men mocht dan geen sacramenten meer ontvangen. Niemand mocht zo iemand eten of onderdak geven en na de dood kwam men in de hel.

De Kerk bezit grote rijkdommen

Omdat de Kerk ook belastingen kon opleggen, zogenaamde tienden, en doordat men grote bezittingen had was de Kerk rijk geworden. Daarnaast kon men via aflaten een plaats in de hemel kopen.

Geestelijke hadden grote invloed op literatuur, kunst en wetenschap

Zij bepaalden tot in de Late Middeleeuwen wat er werd geschreven. Kunstenaars werkten vooral voor de Kerk. Denk aan afbeeldingen van godsdienstige voorstellingen. Ook kerkelijke gebouwen werden veel gebouwd.

romaanse stijl olv mstrgotische stijl

De Romaanse bouwstijl                                      De Gotische bouwstijl

Kenmerken Romaanse stijl:

  • ronde bogen

  • kleine ramen

  • dikke muren en zuilen

Kenmerken Gotische stijl:

  • spitse bogen

  • hoge en smalle ramen met glas in lood

  • weinig muren en slanke zuilen

De Geestelijken deden als enigen aan wetenschap. Ze hielden zich alleen bezig met vakken die godsdienstig nut hadden.

3.6 Opkomst van de Islam in de Arabische wereld

Profeet Mohammed stichtte de Islam

De cultuur van het Midden-Oosten en van grote delen van de rest van de wereld wordt voor een groot deel bepaald door de islam.

De islam is ontstaan op het Arabisch schiereiland. In Mekka werd Mohammed geboren rond 570. Hij werd koopman en kreeg interesse in godsdiensten die slechts één God kenden: het jodendom en christendom. Via een engel van Allah (het Arabische woord voor God) kreeg Mohammed opdracht om het bestaan en de wil van Allah aan de mensen te vertellen. Mohammed wordt daarom profeet (boodschapper) genoemd. De koran is het heilige boek van de Islam. Islam betekent letterlijk 'onderwerping aan Gods wil'.

Arabieren veroverden grote gebieden

De aanhang van Mohammed nam snel toe. Het gehele schiereiland werd al voor zijn dood (632) door zijn volgelingen veroverd.

verbreiding van de islam

De moslims veroverden in de eeuw na de dood van Mohammed grote delen van het Midden - Oosten en Noord - Afrika. Aan het hoofd van het Arabische rijk stond een kalief ( opvolger van de profeet Mohammed).

Met de naam Arabieren werd eerst alleen de bewoners van het Arabische schiereiland bedoeld. Later werd iedereen die moslim was en Arabisch sprak Arabier genoemd. De Arabieren staken ook over naar Europa via Gibraltar en trokken het Frankische rijk binnen. In 732 werden ze in Poitiers verslagen. In de 9e eeuw bezetten ze ook Sicilië en een deel van Italië om er echter in de 11e eeuw weer uit te worden verdreven.

Christenen en Joden mochten hun godsdienst behouden, in de veroverde gebieden, maar moesten wel extra belasting betalen.

Betrekkelijke verdraagzaamheid ten aanzien van andersdenkenden

De islam is noot afgedwongen. Omdat de Arabieren in de veroverde gebieden maar een minderheid waren lieten ze de mensen hun godsdienst behouden. De meeste volken echter namen de islam over. Dat kwam naast de inhoud van de islam door de volgende factoren:

  • Niet-moslims werden door de Arabieren als tweederangsburgers beschouwd;

  • Ze mochten geen wapens dragen en niet trouwen met moslim-vrouwen;

  • Niet-moslims moesten een speciale belasting betalen;

  • Men kon op een eenvoudige wijze moslim worden. Het uitspreken van de geloofsbelijdenis was voldoende.

In de Middeleeuwen hadden andersdenkenden in de islamitische wereld een grotere vrijheid dan in de meeste West-Europese staten. De verdraagzaamheid gold echter niet voor afvalligen van de islam. Zij moesten worden gedood.

3.7 Het Arabisch-Islamitische wereld- en mensbeeld

Dat vertoont grote overeenkomst met het joods-christelijke. Allah heeft de mens en de aarde geschapen. Mohammed was volgens de Islam niet de enige profeet. Voor hem hadden andere profeten zoals Abraham, Mozes en Jezus dat ook gedaan. Hun woorden werden echter door hun volgelingen (de joden en christenen) in de loop van de eeuwen verkeerd doorgegeven. Mohammed was zowel een wereldlijk als geestelijk leider. Hij stichtte een staat waarin hij zelf staatshoofd was. Voor moslims is staat en godsdienst dus sterk met elkaar verbonden. De moslims delen daardoor de bewoonde wereld in twee delen in: de dar al-islam (het gebied van de islam) en de dar al-harb ( het gebied van de oorlog).

Het wereldbeeld van Ptolemaeus , met de aardbol als centrum van het heelal, werd door de Arabieren overgenomen. De Kaäba in Mekka werd op kaarten voorgesteld als het centrum van de wereld.

De vijf zuilen van de Islam beïnvloeden het leven.

Elke moslim moet vijf hoofdplichten uitvoeren:

  • uitspreken van de geloofsbelijdenis;

  • vijf maal per dag, op vaste tijden, bidden

  • vasten tijdens de Ramadan;

  • geven van aalmoezen;

  • minstens een maal in het leven een bedevaart maken naar Mekka(de hadj).

Godsdienst en wetgeving zijn met elkaar verweven

Alle overgeleverde handelingen en uitspraken van Mohammed staan opgeschreven in de soenna. Uit de koran en de soenna hebben moslimgeleerden in later eeuwen de sharia (islamitische wetten) afgeleid. De inhoud van de wetgeving komt sterk overeen met de wetgeving in het Oude Testament.

Iedere moslim heeft de plicht de Islam te helpen verspreiden

Men noemt dat de djihad. Daarmee wordt bedoeld dat moslims verplicht zijn zich in dienst van de overheid te stellen om de islam te verbreiden. Eeuwenlang hebben ze dat uitgelegd als plicht tot 'heilige oorlog', de verovering van gebied in naam van de islam. Later is men het gaan zien als: het weren van invloeden van niet-moslims.

Strenge regels voor voedsel en drank

Alcohol is verboden en vlees is alleen toegestaan van goedgekeurde schapen,geiten, kamelen en wild. Maar niet iedere moslim houdt zich daaraan.

Een eigen kijk op kunst

De Arabische kunst kende een grote bloei van de 8e tot de 12e eeuw. Belangrijke steden waren Bagdad, Damascus, Caïro en Cordoba. De bouwkunst van de Arabieren heeft mooie paleizen en moskeëen opgeleverd. Beroemd zijn ook de verhalen uit Duizend-en-een-nacht, Aladin en Sindbad de Zeeman.

Grote waardering voor onderwijs en wetenschap

De Arabieren hadden op wetenschappelijk gebied een grote voorsprong op de Europeanen. Zij blonken uit in geografie, sterrenkunde, wiskunde, geneeskunde en filosofie. de beroemdste Arabische geleerden waren Ibn Sina, in het westen bekend als Avicenna, en Ibn Roesjd, in het westen bekend als Averroës. Zij waren thuis in veel takken van wetenschap.

In de Arabische wereld bestonden gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van onderwijs en wetenschap:

  • Geleerden stonden open voor kennis en kunde van geleerden uit vroegere tijden en uit andere landen;

  • De islamitische wereld onderhield contacten met Zuid-Oost-Azië, Afrika en Europa. Vooral de contacten met India en China leverden veel kennis op (rekenkunde en alchemie). In India leerde men het getallensysteem kennen dat ze verder ontwikkelden.

  • De Arabische geleerden deden meer aan wetenschappelijke experimenten dan de Europese in de Middeleeuwen.

  • Geleerden stonden in hoog aanzien.

Spanje, voor een groot deel door de moslims veroverd in de 8e eeuw, zorgde voor de brug tussen Europa en het Midden-Oosten. Daar werden veel Arabische geschriften in het Latijn vertaald en waren universiteiten. Ook werden de Arabische cijfers ingevoerd en door de arabieren het getal 0 toegevoegd aan het getallenstelsel.

3.8 Kruistochten tegen de moslims

Waarom gingen ze?

In de 8e eeuw kregen de Arabieren onderling ruzie en hun rijk viel in vier delen uiteen. In de 11e eeuw werd een groot deel van het door de Arabieren veroverde Midden-Oosten veroverd door de Seldsjoeken, een islamitisch volk uit Azië. Pogingen van de Seldsjoeken om ook Europa binnen te vallen mislukten.

In 1095 riep Paus Urbanus de II in Clermont (Frankrijk) op tot het houden van en kruistocht om het 'heilige land Palestina' te veroveren op de moslims.

Motieven van de kruistochten: Misschien de vraag van de Oost-Romeinse keizer tot militaire steun aan de Paus tegen de moslims?

Waarom namen zoveel mensen deel?

  • uit godsdienstig enthousiasme om Palestina te veroveren op de 'ongelovigen'

  • edelen zagen de mogelijkheid roem, rijkdommen en land te verwerven

  • het avontuur

  • vergeving van zonden en kwijtschelding van schulden en straffen van misdadigers was door de Paus beloofd

Het verloop van de Kruistochten

Tussen 1096 en 1270 werden er zeven kruistochten gehouden waarvan alleen de eerste eigenlijk een succes was. In 1099 viel Jeruzalem en werd er een kruisvaarderstaat opgericht welke maar een kleine 100 jaar zou bestaan.

3.9 Herleving van handel, ambachten en steden vanaf de 11e eeuw

De handel herleeft

De handel in West Europa was sinds de 5e eeuw bijna verdwenen. De handel herleefde in de 11e en 12e eeuw:

  • In de stad gingen de kooplieden samenwerken in gilden. Een gilde diende de belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.

  • Kooplieden gingen samenwerken met kooplieden in andere steden. Het eerst in Italië.

  • In de tweede helft van de 13e eeuw gingen Noord Europese steden samenwerken in de Hanze. Hanze kooplieden maakten afspraken om dezelfde munten, maten en gewichten te gebruiken. In ons land deden dat bijvoorbeeld Groningen, Bolsward, Stavoren, Deventer, Zwolle, Kampen, Harderwijk, Arnhem en Zutphen.

  • De kooplieden kregen de steun van de koningen. De koningen hielpen de kooplieden tegen rovers en piraten en zorgden voor verbetering van wegen en bruggen. De koningen zorgden ook voor het opheffen van tollen en voorden een muntstelsel in voor hun rijk.

De Europese handel herleefde het eerst in Italië. Kooplieden uit steden als Venetië en Genua wisten door samenwerking goede handelsbetrekkingen met het Byzantijnse rijk en de moslimgebieden op te bouwen. Vooral Italiaanse kooplieden profiteerden van het door de Kruistochten toegenomen contact.

De Hanze gaat de handel in Noord-Europa beheersen

Kooplieden in Noordwest-Europa gingen samenwerken in de Hanze, een verbond van Noord-Europese steden. Samen probeerden ze zoveel mogelijk handelsbelemmeringen weg te nemen. Ze maakten afspraken om dezelfde munten, maten en gewichten te gebruiken. De Hanze werd zo in de 13e en 14e eeuw op het gebied van de handel oppermachtig in Noord-Europa. De Hanze was voornamelijk een Duitse organisatie, maar er deden ook steden mee uit de Nederlanden, de Baltische staten, Noorwegen en Polen. In ons land onder andere Deventer, Kampen, Zutphen, Tiel, Zwolle en Doesburg.

Oude steden herleven, nieuwe ontstaan

Nieuwe steden ontstonden op voor handel goed gelegen plaatsen. Door de handel groeiden oude steden en ontstonden er nieuwe. De steden boden aan veel mensen werk en vrijheid en een boeiender leven. Er was bijvoorbeeld een regel, dat een horige die een jaar en een dag in een stad had geleefd, niet langer door zijn heer kon worden opgeëist. 'Stadslucht maakt vrij' was een uitspraak in de Middeleeuwen. De boeren op de domeinen waren zelfvoorzienend: alles wat ze nodig hadden produceerden of vervaardigden zij zelf. Dat werd anders in de steden. Doordat men niet meer zelf alles vervaardigde waren er ambachtslieden nodig. En zo ontstond weer een agrarisch-urbane samenleving.

Vooral in de grote steden ontstaan bedrijven

De meeste steden bleven echter klein en hadden minder dan 5000 inwoners. Het leven in die kleine steden was rustig en er veranderde niet veel in de loop van de eeuwen.

Anders ging het in de grote steden. daar woonden tienduizenden mensen, in Parijs in de 14e eeuw bijvoorbeeld 60.000. In de grote steden groeide het aantal arbeiders sterk toen handelaars er toe over gingen om producten op grote schaal te maken. De grootste tak van nijverheid was die van textiel. Verder kwamen er ook brouwerijen, glasblazerijen, metaalbedrijven en zeepziederijen. Kooplieden hadden contact met steden in heel Europa. En eenmaal in het jaar hield men een jaarmarkt waar duizenden bezoekers uit andere streken op af kwamen.

3.10 Zelfstandigheid van de steden neemt toe

Stedelingen krijgen stadsrechten

Stedelingen hadden net zoals de boeren allerlei plichten tegenover de heer van een domein. Vooral handelaars konden deze verplichtingen niet goed combineren met hun beroep. De stadsbewoners gingen daarom hun koning om meer vrijheid vragen. Zij vroegen om stadsrechten.

Die stadsrechten verschilden van stad tot stad maar in de regel hielden ze in:

  • geen verplichtingen meer tegenover de grootgrondbezitter;

  • zelf mogen regelen van bestuur en rechtspraak;

  • zelf mogen bepalen wie stadsburger is en wie niet

De steden buitten erfopvolgingskwesties uit om zo meer zelfstandigheid en invloed op het landsbestuur te krijgen.

Gilden

De ambachtslieden werden per beroep verenigd in gilden. Bepaald werd dat men alleen een beroep mocht uitoefenen als men lid was van een gilde. Er werden reglementen gemaakt waaraan gildeleden zich aan moesten houden. Zo'n reglement werd gildebrief genoemd. Iedereen had daardoor als gildelid ongeveer een even groot inkomen. Voordeel voor de burgers was dat ze garant stonden voor goede kwalitatieve producten. In het gilde vormden de Meesters de topvaklieden.

Verschillen tussen stads- en plattelandscultuur

Stad en platteland waren aan het eind van de Middeleeuwen nauw verbonden. het platteland leverde voedsel en grondstoffen, de stad nijverheidsproducten. Aanvankelijk waren alle inwoners van de stad gevluchte horigen. Langzamerhand voltrok zich een verandering en de stad werd groter, anders, rijker. In de steden ontstond een mengeling van vele talen, culturen, goederen en munten. Het platteland kwam op de tweede plaats, werd achterlijk genoemd. Het begrip boer kreeg in de 16e eeuw een negatieve betekenis. Pas in de 17e eeuw ging de stedeling zich weer aangetrokken voelen tot het platteland.

3.11 Opstanden en ketterijen werden onderdrukt

Arbeiders komen tevergeefs in opstand

De arbeiders profiteerden niet van het toenemen van de welvaart in de steden. Toen in de 14e eeuw de welvaart niet meer groeide, raakte een groot aantal werkloos. Er braken opstanden uit en in sommige steden slaagde men er zelfs in korte tijd de macht over te nemen. De bovenlaag van de stedelijke bevolking slaagde er echter in, met hulp van de officiële kerk, de vorst en de adel de opstand bloedig neer te slaan.

Geloof, ketterij en discipline

Macht corrumpeert zegt men wel. Dat gebeurde ook binnen de enige christelijke Kerk. Geld en macht kwam bij veel bisschoppen en abten en pausen voorop te staan. Daar kwam steeds meer kritiek op. Die kritiek leidde tot grote spanningen en werd door de Kerk niet geaccepteerd (op uitzonderingen na). Die mensen die kritiek uitoefenden werden ketters genoemd omdat ze een andere mening hadden dan de leiders van de Kerk. Het kon niet uitblijven dat de kritische gedachten leidden tot een beweging. Een van die bewegingen waren de Katharen. Ze werden dan ook door de Kerk vervolgd en op de brandstapel ter dood gebracht. Ketterijen waren vooral populair die leerden dat verschillen tussen rijk en arm onrechtvaardig was.

Nieuwe kloosterorden bestrijden ketterijen

Twee nieuwe kloosterorden hadden een belangrijk aandeel in de bestrijding van de ketterijen: de Dominicanen en de Franciscanen. Zij wilden terug naar de oorspronkelijke normen en waarden. Zij probeerden door hun preken de mensen van ketterij te weerhouden.

De geestelijken vielen in de Middeleeuwen niet onder de gewone rechtspraak, maar onder speciale kerkelijke gerechtshoven. Ook gewone mensen konden met de kerkelijke rechtspraak te maken krijgen. Men kon in de ban worden gedaan. Veel Dominicanen namen deel aan de kerkelijke rechtbanken namens de kerk. Die rechtbanken waren rechtbanken der inquisitie. Veel ketters die hun geloof niet wilden verloochenen kwamen op de brandstapel terecht.

3.12 Het conflict tussen de christelijke Kerk en de vorsten

Godsdienst in het Romeinse rijk en in de Vroege Middeleeuwen staatszaak

In het Romeinse rijk was godsdienst staatszaak. Toen er christelijke keizers kwamen, vonden die dat ook vanzelfsprekend. De keizers benoemde voortaan de bisschoppen en de abten van de kloosters toen het christendom staatsgodsdienst werd. Ook de Frankische vorsten zagen de christelijke kerk als staatskerk, zo ook Karel de Grote. Maar wie nu het hoogste gezag bezat, de paus of de keizer, werd niet omschreven.

Vanuit het klooster Cluny begint de strijd tussen Kerk en staat om de hoogste macht.

In de 11e eeuw begonnen Benedictijner monniken vanuit het klooster Cluny zich te verzetten tegen de macht van de vorsten over de Kerk. Zij vonden, en dat is niet verwonderlijk, dat het hoogste gezag toekwam aan de geestelijke macht: de paus en de bisschoppen. Daar legden de vorsten zich natuurlijk niet bij neer. Zo ontstond de zogenaamde investituurstrijd (benoemingsstrijd). Paus Gregorius VII verbood het benoemen van kerkelijke functionarissen door vorsten. De koning van het Duitse rijk wilde zijn recht niet afstaan. Dus deed de paus hem in de kerkelijke ban. Zijn Duitse leenmannen echter moesten nu kiezen: voor de koning of voor de paus. Ze kozen voor de paus, want ze waren bang dat de koning te lastig zou worden. Hendrik de IV reisde naar Rome (gang naar Canossa) om de paus vergiffenis te vragen. Maar hij benoemde toch weer zelf bisschoppen. Uiteindelijk kozen die bisschoppen een 'tegenpaus'. Deze kroonde Hendrik IV tot keizer.

Machtsstrijd tussen paus en vorst uiteindelijk door de vorst gewonnen

In de praktijk bleven vorsten invloed uitoefenen op de kerkelijke benoemingen. Op den duur echter moest de paus erkennen dat hij niet genoeg macht bezat om vorsten af te zetten. Toch zouden de vorsten vaak rekening blijven houden met de wensen van de Kerk. Aan het einde van de Middeleeuwen was er maar gedeeltelijk een scheiding tussen Kerk en staat.

3.13 Begin van staatsvorming: nationalisme en centralisatie

Staatsgrenzen zijn in de loop van de geschiedenis steeds veranderd. Zeer recent nog door het uiteenvallen van de Sovjet Unie. Deze wijzigingen hebben veel te maken met nationalisme.

Een algemene definitie van nationalisme is: het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen. Daarvoor zijn wel enkele voorwaarden noodzakelijk:

  • Het besef over gemeenschappelijke ervaringen te beschikken;

  • Het besef gemeenschappelijke belangen te hebben;

Omstandigheden die gunstig zijn voor het ontstaan van het nationalisme zijn dezelfde taal, godsdienst erkenning van een vorstenhuis.

Het ontstaan van nationale staten

In de Middeleeuwen ontstonden de staten Frankrijk en Engeland. Dat nationalisme groeide vooral tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen deze landen. Waarin vooral de trouw aan de koning een rol speelde. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw ontstonden ook nationale gevoelens in de Republiek, waar de oorlog tegen Spanje een gemeenschappelijke ervaring werd(maar men voelde zich toch in de eerste plaats inwoner van een gewest).

Willem de Veroveraar begint met de centralisatie in Engeland

Centralisatie is het samen trekken van het bestuur naar één centrum. Dat gaat samen met staatsvorming. In 1066 veroverde de Normandische koning Willem de Veroveraar Engeland bij de slag van Hastings.

Hij slaagde erin zelf de macht in Engeland in handen te houden:

  • Hij gaf het grootste deel van het land in leen aan zijn Normandische ridders (kleine gebieden gaf hij als leen);

  • Het bestuur en rechtspraak kregen ze echter niet.

  • Deelde het land in county 's (graafschappen) in, maar de werkelijke bestuurder was een koninklijke ambtenaar, de sheriff;

  • Willem liet ambtenaren zo veel moegelijk gegevens verzamelen in het Domesday Book. Dat diende als basis voor de op te leggen belastingen.

De opvolgers van Willem de Veroveraar kregen te maken met groeiende invloed van de adel, geestelijkheid en de burgerij. In 1215 werd de Engelse koning Jan zonder land gedwongen de Magna Charta ('Grote Oorkonde') te ondertekenen. de belangrijkste bepaling er uit was dat de koning geen belastingen kon opleggen zonder toestemming van de adel, geestelijkheid en burgerij. De Magna Charta wordt beschouwd als het begin van een grondwet. Het Hogerhuis ontstond in de 14 e eeuw uit het gebruik dat leenmannen hun leenheer raad mochten vragen. Het Lagerhuis ontstond omdat de lagere adel en de burgerij samen gingen overleggen. Beide Huizen worden nu parlement genoemd. Een vorm van volksvertegenwoordiging dus.

Filips Augustus begint met de centralisatie van Frankrijk

 

frankrijk 1176

Willem de Veroveraar bezat grote gebieden in Frankrijk(zie het kaartje). In gebieden van machtige leenmannen, zoals de hertog van Bourgondië, had de Franse koning weinig zeggenschap. Pas twee eeuwen later, na de Honderdjarige oorlog (1453), werden de Engelsen definitief uit Frankrijk verdreven. De Franse koningen zochten steun bij de steden om de macht van de hoge adel, hun leenmannen, te breken. Ze stelden ambtenaren aan die vanuit een centraal punt in Parijs ( Louvre) controle uitoefenden.

De Honderdjarige Oorlog ( 1337-1453)

Na de dood van de Franse koning in 1328 ontstond er een strijd tussen twee familieleden die hem wilden opvolgen. Hij had namelijk geen kinderen. De oorlog verliep in het begin slecht voor de Fransen. Toen in 1429 Jeanne d' Arc verscheen begonnen de successen voor de Fransen. Jeanne d' Arc werd uiteindelijk door de Engelsen gevangen genomen en veroordeeld tot de brandstapel. Maar in 1453 gaven de Engelsen al hun Franse bezit terug behalve de stad Calais. In Frankrijk en Engeland was zo wel een nationaal gevoel ontstaan.

laatste fase 100e jarige oorlog

 

Kaart van de laatste fase (1422-1453) van de Honderdjarige Oorlog

weu 1483

3.14 Het Joods-christelijke wereld- en mensbeeld

Geografische kennis in Europa in de Middeleeuwen zeer beperkt

De middeleeuwer kende weinig buiten de eigen directe omgeving, behalve natuurlijk de geleerde monniken. Wat men wist was vaak gevormd door geruchten en fantasieverhalen. Buiten Europa hield men alleen contact met de islamitische wereld. Alle land- en zeeroutes naar Azië en tussen Azië en Afrika waren in islamitische handen.

Joods-christelijk wereldbeeld in de Vroege Middeleeuwen overheersend

God heeft de wereld en de hemellichamen geschapen ten behoeve van de mens. De aarde is het centrum van het heelal. Een aantal geleerden zagen de aarde als een platte schijf zoals Isidorius van Sevilla (560-636). De meeste middeleeuwse wereldkaarten hadden, net als de Romeinse, de vorm van een cirkel. Jeruzalem was daarbij het middelpunt van de wereld. Men noemt die kaarten OT kaarten. O geeft aan dat de kaart cirkelvormig is en T geeft het water aan dat de drie continenten van elkaar gescheiden houdt. De Kerk had een voorkeur voor de OT kaarten.

In de Late Middeleeuwen meer aandacht voor Grieks-Romeinse en Arabische wereldbeeld

De Ideeën van Aristoteles en Ptolemaeus over het heelal, waren in het middeleeuwse christelijke Europa lange tijd onbekend. Men leerde die pas kennen door contacten met de islamitische wereld. De Ideeën van Aristoteles en Ptolemaeus werden in de 13 e eeuw in het Latijn vertaald. Nieuwe kennis van aardrijkskunde begon in de 14e eeuw door te dringen in kaarten van zeelieden en handelaars. Omstreeks 1350 was het idee dat de aarde een bol was in West-Europa algemeen aanvaard.

Het joods-christelijke middeleeuwse wereldbeeld

God heeft alles geschapen. En zijn belangrijkste schepsel is de mens.

De mens is onvolmaakt maar heeft toch kans op de hemel

De mens is geneigd tot het kwade. Bij Adam en Eva ging het al mis. Doordat Jezus voor de mens zich opofferde aan het kruis werd men verlost van het kwade en verzoende de mens zich met God. De mens moet een voorbeeld zien in het leven van Jezus. Daarbij gaat het om christelijke waarden en deugden.

De mens heeft een vrije wil, maar wordt gestraft als hij zich niet houdt aan Gods wil

Wat de mens doet is zijn eigen keuze. Het leven op aarde in de Middeleeuwen was een voorbereiding op het leven na de dood. Leefde men niet volgens de wil van God dan kon men zelfs in de Late Middeleeuwen door de kerkelijke rechtbanken (inquisitie) zwaar worden gestraft.

3.14 Andere uitingen van Middeleeuwse cultuur

In de steden werden scholen opgericht

In de Vroege Middeleeuwen was het onderwijs verbonden aan kloosters en kerken. In de Late Middeleeuwen werden in de steden scholen opgericht. Dat was nodig omdat het aantal ambtenaren steeg en de handel steeds meer toe nam.

Universiteiten ontstaan

Vanaf de 13e eeuw ontwikkelden zich uit scholen universiteiten. Tot de oudste behoren Parijs, Oxford en Cambridge. Een van de beroemdste geleerden was Abélard.

Teruggang van de invloed van de Kerk

De Kerk moest het monopolie op lezen en schrijven langzamerhand delen met edellieden en burgers. Ook op de universiteiten beperkte men zich niet meer tot dat wat de Kerk voorschreef. Rechtsgeleerden gingen het Romeinse recht bestuderen. dat leidde tot de invoering van de bekentenis en getuigenverklaringen als bewijsmateriaal. Overheden probeerden nu door middel van marteling een bekentenis te verkrijgen. De pijnbank werd veelvuldig toegepast. Ook werden in de 12e en 13 e eeuw geschriften van grote Griekse denkers herontdekt. Onderzoekers vonden dat de Bijbel niet te verenigen was met de wetenschap. Onderwijs echter was slechts voor een klein gedeelte van de bevolking weggelegd.

Kerken zijn de belangrijkste bouwwerken in de middeleeuwen

. Zoals we al gezien hebben waren er twee middeleeuwse bouwstijlen: de Romaanse en de Gotische. Bisschoppen lieten grote kerken, kathedralen bouwen. Die bouw duurde soms meer dan een eeuw.

Door de opkomst van de steden veranderde in de Late Middeleeuwen ook veel in de bouwkunst en de beeldende kunst. Naast de geestelijken gingen nu ook rijke burgers opdrachten geven aan bouwmeesters en kunstenaars.

Schilder- en beeldhouwkunst

Veel kerken werden versierd met afbeeldingen en beeldhouwwerken. Omdat de meeste mensen niet konden lezen en schrijven waren de afbeeldingen in de kerken vaak bedoeld als een soort stripverhaal. Bijvoorbeeld bij de ingang van de kerk.

Literatuur

Latijn was de enige geschreven taal tot ongeveer 1300, en hield stand tot ver na de Middeleeuwen, vooral in de wetenschap. Dit vond vooral zijn toepassing in de heiligenlevens. Literatuur in de volkstaal werd in hoofdzaak voor - en soms door- de adel geschreven en ging meestal niet over godsdienst.

Een van de bekendste soorten literatuur in de volkstaal was het epos (heldendicht, meestal een ridderroman). Waarschijnlijk onder invloed van de vrouwen ontstond een ander soort literatuur, de lyriek. Het zijn korte gedichten over vreugde en verdriet, vaak ook over liefde. de meeste gedichten waren gezongen en kunnen dus ook liederen worden genoemd.

In de 13e eeuw kwam tenslotte nog een derde soort literatuur op: korte spotdichten, novelles, fabels en leerdichten, waarin kritiek werd geuit op de samenleving en aan de hand van voorbeelden werd duidelijk gemaakt hoe de mensen zich moesten gedragen.

Zie voor hoofdstuk 4 SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 4