We hebben 96 gasten online

SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 5

Gepost in Tweede Fase 4e druk

 

Industrialisatie van het Westen (vanaf 1800)

5.1 Het ontstaan van een industriële samenleving

first industrialisationToen de mensen overgingen van jagen en verzamelen overgingen op akkerbouw en veeteelt als belangrijkste middelen van bestaan, bracht dit grote veranderingen in de samenleving met zich mee. Dat was ook zo toen in West Europa steeds meer mensen van de landbouw als middel van bestaan over gingen naar de industrie.We spreken van de industriële revolutie. Hoewel een revolutie altijd snel plaatsvindt is dat hier niet het geval. In werkelijkheid gaat het om een langdurig proces dat in Europa begon en dat in de wereld nog steeds plaatsvindt. En de veranderingen betroffen niet alleen de industrie maar ook de landbouw en de dienstensector. Door de Industriële Revolutie ontstond er een industriële samenleving. Met een industriële samenleving bedoelen we een samenleving waarin de meeste goederen in fabrieken worden gemaakt en waarin de meeste mensen in steden wonen. Als een agrarische samenleving door het toenemen van het aantal industrieën verandert in een industriële samenleving, wordt deze verandering industrialisatie genoemd.In Engeland ontstond het eerst een industriële samenleving halverwege de 18e eeuw. Op het vasteland volgde rond 1800 eerst België en later in de 19e eeuw ook de andere West Europese landen en de Verenigde Staten. Aan het einde van de 19e eeuw begon ook de industrialisatie in Oost Europa en Japan. In de 20e eeuw kwam de industrialisatie in de andere landen van de wereld op gang maar is daar nog steeds niet het belangrijkste middel van bestaan.In het koloniale tijdperk waren de koloniën belangrijke leveranciers van grondstoffen en afzetgebieden voor de westerse industrieën. Ook na de onafhankelijkheid van de koloniën bleef dat vaak zo.

 

5.2 Veranderingen in het gebruik van arbeid

Pas de laatste tweehonderd jaar maakt de mens, op grote schaal, gebruik van machines. Pas in die tijd zijn mensen gebruik gaan maken van gas, olie, elektriciteit en atoomenergie. Dat werd pas mogelijk door een groot aantal uitvindingen vanaf het einde van de 18e eeuw.  
Aan die uitvindingen is nog steeds geen einde gekomen. De uitvindingen maakten het ontstaan van industrieën mogelijk. Maar daar was meer voor nodig:

  • energiebronnen: zoals gas, olie,elektriciteit en atoomenergie.
  • grondstoffen: deels uit Europa deels uit de koloniën.
  • zeer veel kapitaal: werd in de beginperiode verschaft door rijke kooplieden en banken.
  • voldoende arbeidskrachten: vanaf de 18e eeuw groeide de bevolking sneller dan voorheen en door uitvindingen waren er in de landbouw steeds minder arbeidskrachten nodig.

De groei van de fabrieken werd ook mogelijk door massaproductie, waarbij gebruik werd gemaakt van arbeidsverdeling en de lopende band. Massaproductie is een productiesysteem waarmee grote aantallen van precies hetzelfde product worden gemaakt. Arbeidsverdeling is het maken van producten in verschillende stappen. Een lopende band brengt een product in wording van arbeider naar arbeider, zodat elke arbeider zijn handeling zonder tijdverlies kan verrichten.Nadelen massaproductie:

  • het werk werd veel eentoniger.
  • er kwamen meer spanningen want iedereen moest aan een bepaald tempo voldoen.
  • veel minder aandacht voor de arbeider als mens.

Voordelen massaproductie:

  • er kon sneller en goedkoper worden geproduceerd.
  • massaproducten werden nu betaalbaar voor veel mensen.
  • kapotte onderdelen van producten konden nu worden vervangen.

Een verdergaande automatisering en robotisering van het productieproces werd in de tweede helft van de 20e eeuw mogelijk.

5.3 Veranderingen in het gebruik van de natuur

De natuur wordt benut voor nieuwe vormen van energie

Tot in de 18e eeuw werd het meeste werk door middel van de handen verricht. Tevens benutte men de kracht van trekdieren, stromend water en wind. Als brandstof gebruikte men vooral hout, houtskool en turf. Daarna ging men steenkool gebruiken, gebruikte stoom (opgewekt door verbranding van steenkool of hout) en verbranding van olie en gassen, elektriciteit en kernenergie.

Het was James Watt die omstreeks 1770 een bestaande stoommachine verbeterde waardoor stoom machine wattdeze voor verschillende doeleinden worden gebruikt.

Uitvindingen maken uitbreiding van de mijnbouw mogelijk

De mijnbouw had met twee grote problemen te maken: het grondwater en het mijngas. Voor het wegpompen van het mijnwater vond men in het begin van de18e eeuw een stoommachine uit. Voor het mijngas vond men pas een eeuw later een oplossing, de veiligheidslamp. In Engeland nam de productie van steenkool in de periode 1770-1861 toe van 6 miljoen ton per jaar tot 57 miljoen, die van ijzer van 50.000 ton tot 3,8 miljoen.

Elektriciteit wordt een nieuwe bron van energie

Pas in de 19e eeuw slaagden uitvinders erin elektriciteit te benutten als bron van energie. De uitvinding van de dynamo door de Duitser Siemens maakte het mogelijk grote hoeveelheden elektrische energie op te wekken. De eerste elektriciteitscentrale in Nederland werd in 1883 in Rotterdam geopend. De gloeilamp was een belangrijke toepassing van elektriciteit., uitgevonden door de Amerikaan Edison (1879). Anton Philips begon in 1891 in Nederland met de massaproductie. De toepassing van elektriciteit als energiebron breidde zich daarna uit.

Nieuwe 'grondstoffen' uit aardolie en steenkool

Proeven met aardolie en steenkool leidde tot de uitvinding van o.a. plastic en nylon. Plastic en kunststofvezels worden gebruikt in zeer veel producten. Door het feit dat men in 1859 ontdekte (Amerikaan Edwin L. Drake) dat aardolie in grote hoeveelheden kon worden ontgonnen door middel van boorinstallaties, ontstonden nieuwe mogelijkheden voor toepassing als brandstof en grondstof voor andere producten en nieuwe industrieën.

5.4 Veranderingen in het gebruik van de techniek

Naast de vervaardiging van machines waren er ook technische ontwikkelingen bij de communicatiemiddelen en bij het vervoer.

Mensen kunnen veel sneller contact met elkaar krijgen

Het overdragen van berichten tussen mensen (communicatie) is voor de economie heel belangrijk. Tot in de 18e eeuw regelde men zaken mondeling of men schreef brieven. Het vervoer van berichten gebeurde te voet, per paard en wagen of per schip. Door de industrialisatie kreeg men behoefte tot snellere communicatie.

telefoon bellCommunicatie uitvindingen:

  • Samuel Morse vond in 1837 de telegraaf uit. In de VS werd in 1844 de eerste lijn aangelegd. In 1865 kwam er een telegraaflijn tussen de VS en Europa;
  • Alexander Graham Bell vond in 1876 de telefoon uit.

Mogelijkheden om te amuseren en informeren nemen enorm toe

De grammofoon werd uitgevonden, Marconi ontwierp de draadloze telegrafie en de volgende stap was de draadloze radio. Rond 1900 werd de film voor het eerst aan het grote publiek vertoond. eerst stomme films, later met geluid. Televisie werd in de 20 eeuw uitgevonden. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de TV een massaproduct.

Computer en internet integreren bestaande mogelijkheden tot communicatie en breiden deze uit

Vanaf 1955 deden computers hun intrede bij grote bedrijven en instellingen. De pc deed vanaf 1980 zijn intrede. Door de steeds toenemende technologische revolutie is men in staat chips steeds kleiner te produceren, en daardoor met meer mogelijkheden. De informatietechnologie is niet meer uit onze samenleving weg te denken, zoals internet en mailverkeer. En denk maar eens aan deze site www.blikopdewereld.nl. De site trekt honderdduizenden bezoekers per jaar en miljoenen hits.

Nieuwe vervoermiddelen: spoorwegen, stoomboten, auto's en vliegtuigen.

In vergelijking met nu verliep het vervoer vroeger traag. Ook de hoeveelheid goederen en het aantal mensen dat vervoerd kon worden, was in vergelijking met nu zeer beperkt. Het zoeken naar steeds nieuwe markten vroeg om een oplossing. Daarvoor was verbetering van de vervoersmiddelen een noodzaak.

Vanaf het midden van de 18e eeuw werden bestaande verkeerswegen uitgebreid en nieuwe aangelegd. Bovendien werden allerlei nieuwe vervoermiddelen in gebruik genomen en telkens verbeterd. Het verkeer te land, ter zee en te water breidde zich in de 19e eeuw enorm uit. In de 20e eeuw kwam daar het luchtverkeer nog bij. Dit alles droeg sterk bij tot het toenemen van de productie in landbouw en industrie.

  • Spoorwegnetten werden aangelegd; vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden vooral in West-Europa en de VS dichte spoornetten.
  • De stoomboot wordt langzaam ontwikkeld in de loop van de 19e eeuw. Deze maakten het mogelijk dat - zware en omvangrijke goederen - over grote afstanden konden worden vervoerd; overal waar grondstoffen werden gevonden of afzetgebieden waren, kwamen havensteden tot grote bloei; het contact tussen verschillende werelddelen nam toe.
  • De auto werd vanaf eind 19e eeuw het vervoermiddel over de weg doordat de eerste benzinemotor eind 19e eeuw werd ontwikkeld. In de 20e eeuw werd de auto een massaproduct.
  • Het vliegtuig werd in de 20e eeuw steeds belangrijker. Pas na de Eerste Wereldoorlog kreeg het vliegtuig economische betekenis. Het werd aanvankelijk vooral gebruikt als vervoer voor post en goederen van beperkte omvang. Vanaf ongeveer 1930 bouwde men grotere vliegtuigen en werd het vervoer van personen belangrijk.
Zie voor de ontwikkeling van de spoorwegen in Duitsland

Klik daarna op driehoekje boven map 064 rechtsboven . Er verschijnt dan een nieuwe kaart. enzovoort. Dan krijg je een goed overzicht van de ontwikkeling van de spoorwegen in de negentiende eeuw in de Duitse landen.

5.5 Verandering in het Kapitalisme: Van Handelskapitalisme naar Industrieel Kapitalisme

Sinds de Late Middeleeuwen ontwikkelde zich een nieuwe vorm van economie, het kapitalisme. We noemen het tot in de 18e eeuw Handelskapitalisme. In die tijd waren de ondernemingen in hoofdzaak:

  • Handels- en nijverheidsbedrijven. Deze waren in handen van meesters of van kooplieden-ondernemers;
  • Min of meer grote landbouwbedrijven, grotendeels in handen van grootgrondbezitters.

Ontstaan van het industrieel kapitalisme

In de 19e eeuw maakte het handelskapitalisme plaats voor het industrieel kapitalisme.

Kenmerken industrieel kapitalisme:

  • Fabrieken en mijnen worden de belangrijkste bedrijven; de huisnijverheid verdween;
  • De productie komt in handen van fabrikanten en grootindustriëlen. Aanvankelijk waren de fabriekanten ook de eigenaars van de fabrieken. Vanaf 1870 kwam daar verandering in. Men kon door middel van het kopen van aandelen mede eigenaar worden. Grootindustriëlen bleven er wel zoals enkele voorbeelden In Nederland Frits Philips, in Duitsland Alfred Krupp en in de VS John D. Rockefeller en William Randolph Hearst. Deze hadden grote invloed op de samenleving.
  • Vanaf 1870 waren de meeste ondernemingen n.v's. Tot omstreeks 1870 waren de meeste ondernemingen nog in handen van één eigenaar. Dat veranderde door de groei van het aantal NV's . In een NV (Naamloze vennootschap) bezitten mensen gezamenlijk een bedrijf door een of meer aandelen in dat bedrijf te kopen. Het was een goede manier om aan geld voor investeringen te komen. De groot - industriëlen kregen grote invloed op de samenleving. Vooral ook omdat ze de prijzen van hun producten zelf vast konden stellen. Ze beïnvloeden ook verkiezingen, kochten kranten waardoor die schreven wat de grootindustriëlen wilden.

Vanaf eind 19e eeuw inmenging van de overheid op beperkte schaal

Oorspronkelijk vond men, onder invloed van het liberalisme, dat de overheid zich afzijdig moest houden van de economie. Op het einde van de 19e eeuw kwam men tot het inzicht dat de overheid ook in een kapitalistische samenleving bepaalde taken op zich moest nemen.

5.6 Veranderingen in de gelaagdheid en het bezit van mensen

Rond 1800 was de bevolking in West Europa in drie lagen verdeeld:

  • Een kleine bovenlaag van zeer rijke mensen, de bourgeoisie en de adel.
  • Een kleine middenlaag van mensen met enig bezit, de kleine burgerij.
  • De onderste laag van arme boeren, landarbeiders en arbeiders in de steden.

Door de opkomst van het industrieel kapitalisme traden er in de gelaagdheid veranderingen op:

  • Opkomst van rijke kapitalisten: de fabrikanten,rijke bankiers en groothandelaars. Zij werden de belangrijkste groep van de bovenlaag.
  • Minder landarbeiders, meer fabrieksarbeidersDoor de opkomst van de industrie konden de landarbeiders en zij die afkomstig waren van de huisnijverheid naar de industrie.
  • De middenlaag breide zich sterk uit. Personeel in de dienstensector nam sterk toe. De mensen in de dienstensector 'maken' niets. Zij verrichten diensten voor andere mensen. Het zijn mensen als doktoren, verpleegsters, leraren, ambtenaren.
  • Sterke uitbreiding van de middelste laag van de bevolking. Er kwamen steeds meer arbeiders werken in de fabrieken die steeds groter werden. Fabrikanten konden het werk nu niet meer alleen af. Men nam toen mensen in dienst die meer verdienden dan de arbeiders, maar minder dan de rijke bovenlaag. Ook in de dienstensector nam het aantal beter betaalde werknemers toe.
  • Grotere mogelijkheden om van de ene laag in de andere laag terecht te komen. Tijdens de Industriële revolutie kwamen er veel nieuwe beroepen bij. De indeling van de samenleving in bevolkingslagen werd minder duidelijk. Het ging nu niet meer om afkomst en bezit, maar ook om wat men presteerde. Men begon arbeiders en werknemers naar prestatie te belonen. Veel hardwerkende mensen uit de benedenlaag slaagden erin zich op te werken naar de middenlaag. Omgekeerd kon het nu ook. Men maakte veel meer kans dan vroeger om in een lagere bevolkingsgroep terecht te komen.

5.7 Snelle groei van de bevolking en van de steden

Productie in de landbouw nam sterk toe

Door de stijging van de productie van de landbouw, sinds de tweede helft van de 18e eeuw steeg de Europese bevolking. Toch waren er soms ook problemen zoals de aardappelziekte in de jaren 1845 en 1846. Pas omstreeks 1880 werd het voedselprobleem voor West-Europa volledig opgelost door de mechanisering en het gebruik van kunstmest. Ook werd er meer grond in gebruik genomen. Men sprak van een agrarische revolutie. In de niet-westerse wereld zijn er nog steeds voedselproblemen.

Grote vooruitgang in de geneeskunde

Heel belangrijk was het ontdekken van ziekteverwekkers en de wijze waarop die konden worden bestreden. Zo ontdekte de Engelse geneesheer Jenner in 1796 de inenting tegen pokken. Die ziekte zorgde in 1750 voor dat er in Europa 12 tot 15 % van de mensen er aan stierven. De Fransman Louis Pasteur ontdekte in 1864 dat bacteriën ziekten veroorzaakten. Het belang van een goede hygiëne werd nu vooropgesteld. Er vond ook een uitbreiding van het aantal ziekenhuizen plaats en er kwamen betere verdovings - en ontsmettingsmiddelen. De overheid had hierin ook een taak.

De invloed van de bevolkingsgroei op de industrialisatie

De toename van de bevolking leidde tot grotere afzetmogelijkheden als gevolg van de stijgende vraag naar producten. Om aan de vraag te kunnen voldoen gingen fabrikanten zoeken naar snellere productiemethoden (mechanisatie). Door een overaanbod van arbeidskrachten konden de fabrikanten de lonen laag houden. De hoge winsten boden ruime investeringsmogelijkheden en droegen zo bij tot de groei van de industrialisatie.

Snelle groei van steden

In 1750 leefde in Engeland ongeveer 15% van de bevolking in de steden. Honderd jaar later was dat ruim 50%. Zie onderstaand voorbeeld van de ontwikkeling van de steden Liverpool en Manchester

 

Liverpool

Manchester

1700

6.000

8.000

1750

22.000

18.000

1800

83.000

84.000

1850

376.000

303.000

De woonomstandigheden waren bijzonder slecht. Er was geen toilet, geen waterleiding en men leefde soms met twaalf personen in één kamer. Water haalde men uit pompen, rivieren en beken in de omgeving. Deze werden ook als open riool gebruikt. Ook de onveiligheid in de steden was groot. In de loop van de 19e eeuw kwam er een geleidelijke verbetering:

  • er kwam straatverlichting, eerst gas later elektriciteit, en openbaar vervoer.
  • er kwamen meer uitgaansmogelijkheden.
  • er kwam een ondergronds riolenstelsel.
  • er werden waterleidingen aangelegd.
  • er kwam meer politie.
  • het aantal scholen, ziekenhuizen en bibliotheken werd uitgebreid.
  • de arbeiders gingen eigen activiteiten organiseren.

5.8 Discussies over de 'sociale kwestie'

Met de 'sociale kwestie' wordt de vraag bedoeld hoe een einde moest worden gemaakt aan de armoede van een groot deel van de bevolking. Lange tijd vond men dat het gewoon dat arme mensen door particulieren werden geholpen. Maar de industrialisatie ging lange tijd gepaard met grote armoede onder een deel van de bevolking in de steden.

Sociale kwestie leidt tot sociale wetgeving

De vraag was of de overheid een taak had in de verbetering van de leefomstandigheden. De liberalen waren lange tijd tegen een rol van de overheid. Radicale liberalen veranderden echter eind 19e eeuw van mening. De aan het eind van de 19e eeuw ontstane confessionele partijen waren ook voorstanders van gematigd overheidsingrijpen. Daarentegen vonden de socialistische partijen dat de overheid een sturende rol op zich moest nemen.

In de meeste West-Europese landen werden er aan het eind van de 19e eeuw wetten aangenomen die de kinderarbeid en werktijden beperkten. Pas vanaf 1900 kwamen er maatregelen voor verbetering van het onderwijs, ziektegeld, betaalde vakantie en uitkeringen in geval van werkloosheid.

Arbeiders organiseren zich in vakverenigingen en politieke partijen

De eerste sociale wetten losten niet alle problemen op. Arbeiders en anderen besloten daarom zelf voor de belangen van de arbeiders op te komen. Zij richtten vakverenigingen op om zo het lot van de arbeiders te verbeteren. Deze vakverenigingen werden eerst door de regeringen verboden.

Aan het einde van de 19e eeuw werden de wetten tegen de vakverenigingen in enige West-Europese staten ingetrokken en mocht men weer stakingen organiseren. Staken is het weigeren te werken om een bepaalde eis af te dwingen.

In het begin weigerden de werkgevers met de vakverenigingen te onderhandelen maar tenslotte zagen ook de werkgevers in dat ze niet langer om de vakverenigingen heen konden. Voortaan sloot men overeenkomsten voor een bepaalde periode. Zo'n overeenkomst wordt een CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) genoemd.

Sommige arbeiders vonden vakverenigingen niet voldoende. Zij wilden ook invloed kunnen uitoefenen op het bestuur van een land en besloten politieke partijen op te richten. Zij streefden naar een nieuwe en rechtvaardige samenleving.

5.9 Het modern Imperialisme

Wat is Imperialisme?

De ontdekkingsreizen en hun gevolgen wordt wel eens de eerste fase van de kolonisatie of kolonialisme genoemd. Daarmee wordt bedoeld het streven van Europese landen om in andere werelddelen gebieden te veroveren.

In de tweede helft van de 19e eeuw begon de tweede fase van het West-Europese kolonialisme, meestal imperialisme genoemd. Een imperium is een groot rijk dat is ontstaan door andere volken te onderwerpen.. Met imperialisme wordt bedoeld: het streven van een staat om een groot rijk op te bouwen door al het land van andere volken te veroveren. In korte tijd werden grote delen van Azië en bijna geheel Afrika tot koloniën van Europese staten gemaakt.

Zie bijvoorbeeld Afrika in het begin van de twintigste eeuw.

afrika 1914

 

Het moderne imperialisme kwam voort uit politieke, economische en culturele motieven

  • Politieke motieven: Kenmerk van macht en het nationalisme speelde daarbij ook een rol een groot koloniaal rijk droeg sterk bij tot nationale trots.
  • Economische motieven: Er was veel voordeel te behalen. Grondstoffen en afzetgebieden.
  • 'Beschavingsopdracht' als motief. Veel Europeanen dachten dat zij de taak hadden om in de rest van de wereld beschaving te brengen. Zij beschouwden dat als vooruitgang. Het sloot aan bij de Europese superioriteitsgedachte. In veel Europese ogen waren de niet westerse volken onontwikkeld en primitief.