We hebben 142 gasten online

SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 6

Gepost in Tweede Fase 4e druk

Democratie en Ismen: begrippen blijven, hun inhoud verandert

6.1 Wat is democratie?

Democratie is als begrip al 2500 jaar oud. Pas in de 20e eeuw zijn echte democratieën ontstaan. En alleen in een

klein aantal landen. In die landen zijn burgers toch niet tevreden omdat ze te weinig invloed hebben op de politiek.

Deze paragraaf behandelt de volgende vragen:

  • Wat was en is democratie precies?
  • Wat wilden en wat willen democraten?

Wat wordt verstaan onder parlementaire democratie en democraten?

Het woord democratie is van oorsprong Grieks (demos = volk en kratos = macht) en betekent 'de macht aan

het volk'. Democratie is een regeringsvorm waarbij mensen de macht hebben hun eigen regering te kiezen en

hun staat naar eigen inzicht in te richten.

Essentiële kenmerken van een parlementaire democratie zijn:

  • Degenen die macht uitoefenen ontlenen de macht aan het volk en zijn daarom verantwoording schuldig aan het volk (volkssoevereiniteit);
  • De macht van de regering wordt beperkt doordat zij zich moet houden aan bepaalde grondrechten die zijn vastgelegd in de grondwet. Daarop wordt toegezien door onafhankelijke rechters;
  • Iedere burger heeft het recht om mee te beslissen. Er zijn geen voorwaarden aan verbonden. Iedere kiesgerechtigde mag zijn stem uitbrengen.

Democraten zijn mensen die ervan overtuigd zijn dat een juiste toepassing van de kenmerken van de democratie de beste manier is om politieke problemen op te lossen. De woorden democratie en democraten worden zowel zelfstandig als in samenhang gebruikt. Ze hebben in de loop van de geschiedenis een andere inhoud gekregen.

Aanvullende kenmerken van een parlementaire democratie

Vrijheid om uiting te geven aan alles wat men denkt, gelooft, meent of weet

  • Vrijheid van godsdienstkeuze en beleving;
  • Vrijheid van meningsuiting op allerlei manieren. Dit laat onverlet dat men een ander niet vals mag beschuldigen of beledigen;
  • In een democratie moeten burgeres zich een oordeel kunnen vormen over wat er in de staat gebeurt. Dat houdt journalistieke vrijheid in en geen censuur. Elke bevolkingsgroep heeft gelijke kansen om hun mening kenbaar te maken.
  • Iedereen is voor de wet gelijk ongeacht afkomst, geslacht, seksuele geaardheid of politieke overtuiging. Iedereen wordt op gelijke wijze bestraft en mag vanaf een bepaalde leeftijd kiezen of gekozen worden.
  • Recht op bescherming privé leven of bezit. Men kan niet zonder rechtszaak worden vastgezet, behalve bij een voorlopige hechtenis in afwachting van een strafzaak. De rechtsprekende macht is onafhankelijk van de overheid.
  • Vrije verkiezingen in een twee- of meerpartijenstelsel; In westerse democratieën wordt het als noodzakelijk gezien dat er meer dan één politieke partij is. Anders is er ook niet echt sprake van een democratie.
  • Recht op een menswaardig bestaan; Grote verschillen in inkomsten en bezit dienen door de overheid door sociale grondrechten te worden verminderd.

Naast de voorgaande grondrechten heeft een parlementaire democratie nog twee kenmerken:

  • Bereidheid compromissen te sluiten en rekening te houden met groepen die in de minderheid zijn;
  • Vertrouwen van de bevolking in de parlementaire democratie.

Vormen van democratie

Directe en indirecte (representatieve) democratie.

Hierbij worden de beslissingen genomen door alle burgers samen. Is alleen mogelijk met een beperkt aantal burgers. Bij indirecte (representatieve) democratie kiezen de burgers vertegenwoordigers die de beslissingen nemen.

Gemengde democratie

In sommige staten is een mengvorm van directe en indirecte democratie toegestaan. Bijvoorbeeld in Zwitserland.

Evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel

Bij evenredige vertegenwoordiging worden alle uitgebrachte stemmen bij elkaar opgeteld. Dat wordt dan gedeeld door het aantal zetels in het parlement. De uitkomst van deze deling noemt men de kiesdeler. Dat is het aantal stemmen dat nodig is om een zetel te behalen.

Bij een districtenstelsel wordt het land verdeeld in kiesdistricten. Er zijn evenveel districten als kamerzetels. Per district wordt een persoon afgevaardigd. Deze heeft de meeste stemmen gekregen.

Ook in een democratie is de macht ongelijk verdeeld.

Er is ongelijkheid op verschillende gebieden. Niet iedereen heeft de mogelijkheid en de wil om macht uit te oefenen.

De democraten raken verdeeld over verschillende stromingen en partijen

In de 19e eeuw raakten de democraten verdeeld over verschillende politieke stromingen en partijen. Dat kam door de industriële revolutie, de Franse revolutie en het ontstaan van nationale staten. Men verschillende onderling op welke wijze men de democratie in praktijk moest brengen. Zo ontstonden verschillende stromingen: conservatisme, liberalisme, socialisme, communisme en feminisme. Ook wel aangeduid als de 'ismen'. De namen zijn in onze tijd hetzelfde gebleven, alleen de inhoud is veranderd.

6.2 Conservatisme en radicalisme

In 1815 kwamen de overwinnende volken bijeen in Wenen, waar het Wener Congres werd gehouden (1814 - 1815), om over de toekomst van Europa te beslissen. De vorsten besloten de oude toestand van vóór de Franse Revolutie grotendeels te herstellen.

europa 1815

Maar de meeste vorsten werden geen absolute vorsten meer. Zij moesten zich houden aan de constitutie(grondwet) en waren dus constitutionele vorsten.

Veel mensen hadden kritiek op de Franse Revolutie en er ontstond een stroming die wilde voorkomen dat zoiets nog eens zou gebeuren: het conservatisme. Conservatisme is het proberen om veranderingen langzaam en voorzichtig door te voeren. Zodat alles wat van waarde is, bewaard blijft. De aanhangers van deze ideeën werden conservatieven genoemd('conserveren' betekent 'bewaren'). Conservatieven die iedere verandering afwijzen en alleen maar terugwillen naar het verleden, worden meestal ultra-conservatieven of reactionairen genoemd. Conservatieven hebben een pessimistische kijk op de mens. Zij geloven niet dat de mens van nature goed is en dat er een ideale samenleving zal ontstaan als de mens meer vrijheid heeft (de liberale visie) of gelijkheid (de socialistische visie).

De conservatieven gaan van het volgende uit:

  • De mensen hebben zowel het goede als het kwade in zich.
  • De overheid moet het algemeen belang beschermen.
  • Als de benedenlaag in armoede leeft, dan moet de overheid te hulp komen.
  • Kiesrecht moet er alleen zijn voor de bovenlaag.
  • Het is gewoon dat de mensen ongelijk zijn en dat de inkomens van de mensen verschillen.
  • Het is goed dat de samenleving verdeeld is in bevolkingslagen.
  • Grote en snelle veranderingen zijn verkeerd.

Conservatieven in de 19e eeuw

In de eerste helft van de19e eeuw was in veel landen de vraag: moet de macht in handen zijn van de vorst of van het parlement. De conservatieven verdedigden de macht van de vorst, de liberalen van het parlement. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden twee andere kwesties belangrijk: de uitbreiding van het kiesrecht en de sociale kwestie. Liberalen en socialisten waren voor uitbreiding van het kiesrecht. De conservatieven waren van mening dat het gezag 'van boven' (God) kwam en dus zo moest blijven.

In de sociale kwestie stonden de conservatieven ook tegenover de liberalen en om andere redenen tegenover de socialisten. De conservatieven vonden dat de overheid de arbeiders in bescherming diende te nemen door voor 'hen te zorgen' (paternalisme. Niet door hun rechten te geven. De maatschappijhervorming van de socialisten wees men af.

Conservatieven in onze tijd

Ze hebben nog steeds dezelfde opvattingen Maar ten aanzien van verschillende ontwikkelingen in de samenleving hebben de conservatieven hun opvattingen in de 20e eeuw gewijzigd:

  • Zij vinden de parlementaire democratie nu waardevol. De macht moet bij het parlement berusten;
  • Zij zijn ook voorstanders van het algemeen kiesrecht;
  • Zij erkennen de rechten van de arbeiders. Maar daaraan koppelen zij het begrip 'verantwoordelijkheid'.

Radicalisme

Tegenover het conservatisme staat het radicalisme. Onder radicalisme wordt verstaan het streven snel en grondig veranderingen aan te brengen als de ontwikkelingen in de samenleving daar aanleiding toe geven. Radicalisme kan zich naar twee zijden uiten. Ontwikkelingen in de samenleving stimuleren of zich er fel tegen keren. Het radicalisme komt voort uit een sterk ongenoegen over wat er in de samenleving gaande is. Radicalen zijn weinig beried tot compromissen, maar werken binnen democratische kaders. Er zijn ook ultra-radicalen. Zij geloven niet in de democratie.

6.3 Liberalisme

Er waren mensen die de ideeën van de 18e-eeuwse Verlichters wel goed vonden. Op economisch gebied was het liberalisme een reactie op het mercantilisme van de 17e eeuw en 18e eeuw. Maar er waren tijdens de Franse Revolutie ook fouten gemaakt. Maar dat wilde niet zeggen dat de ideeën op zichzelf verkeerd waren: ze waren alleen niet goed uitgevoerd. Ze waren het dus niet eens met de besluiten van het Congres van Wenen. Ze wilden vooral meer macht en vrijheden voor de burgers. Onder hen waren veel rijke burgers.

Op politiek terrein was het voornaamste liberale principe volkssoevereiniteit. Het liberalisme werd in de loop van de 19e eeuw de belangrijkste stroming. Liberalisme is het streven naar vrijheid voor het individu op alle gebieden. De overheid moest zich dus zo weinig mogelijk met de burgers bemoeien. De aanhangers worden liberalen genoemd.

Belangrijkste liberale ideeën:

vrije liberalen

1) De overheid moet maar weinig, beperken tot vier, taken hebben:

  • De burgers beschermen tegen buitenlandse vijanden.
  • Zorg voor rust en veiligheid in het land.
  • Openbare werken uitvoeren.
  • Zorgen voor de rechten van de mens

2) Politieke vrijheid voor steeds meer mensen:

  • De organisatie van de staat en de rechten van de mens moeten in een grondwet worden vastgelegd.
  • Niet een koning maar een parlement moet de macht hebben.
  • De burgers moeten dat parlement kunnen kiezen.

3) Grote economische vrijheid:

  • Vrijheid van handel, productie en arbeid.
  • Afschaffen beperkende regels.
  • Verschillen in inkomsten zijn normaal want als iedereen even veel verdient, doen mensen hun best niet meer

4) Volledige vrijheid van godsdienst:

  • De staat mag zich niet met de godsdienst bemoeien.
  • Een scheiding tussen Kerk en Staat.

5) Ook vrijheid op elk ander gebied:

  • Vrijheid van Onderwijs.
  • Vrijheid van meningsuiting.
  • Onderzoekers moeten kunnen onderzoeken wat zij willen.
  • Persoonlijke vrijheid voor iedereen, dus afschaffing van slavernij.

Liberalisme valt na 1870 uiteen in conservatief en radicaal liberalisme

Na 1870 ging een deel van de liberalen voor een aanpassing van de liberale ideeën voelen. Zo ontstonden er twee groepen: de radicale liberalen en de conservatieve liberalen

stem op de vrijzinnig democraten

Meningsverschillen over staatszaken

De slechte gevolgen van de industriële revolutie werden steeds meer merkbaar. Het liberale principe van vrijheid op economische gebied bleek te leiden tot uitbuiting en armoede van arbeiders. Binnen de liberalen kregen steeds meer mensen de overtuiging dat de overheid hier de helpende hand moest bieden door middel van zekere vormen van sociale wetgeving.

Meningsverschillen over het kiesrecht

Liberalen vonden dat alleen mensen die verstand van politiek hadden, kiesrecht moesten krijgen. Het was echter onmogelijk te bepalen wie dan wel verstand had van politiek. Daarom vonden de meeste liberalen dat iemands schoolopleiding de doorslag moest geven of iemand kiesrecht kreeg. Conservative en radicale liberalen verschilden van mening over de mate waarin en de snelheid waarmee het kiesrecht moest worden uitgebreid. In de 19e eeuw had men alleen bij een bepaald inkomen kiesrecht (Censuskiesrecht) en dan alleen de mannen.

Conservatieven en radicale liberalen in onze tijd

Beide zien dat de overheid een rol heeft ten aanzien van de zwakke groepen in de samenleving. Alleen de radicalen vinden dat de burgers meer gewezen moet worden op de eigen verantwoordelijkheid. Radicale liberalen vrezen dat dat ten koste zal gaan van de zwakke groepen. Zij hebben ook meer oog voor de milieuproblematiek en de verantwoordelijkheid van de rijke landen ten opzichte van de arme landen.

6.4 Socialisme

Wat is socialisme ?

Sommigen vonden dat het kapitalisme vervangen moest worden door het socialisme. Dat was een stroming die vooral gelijkheid belangrijk vond. En die wilde dat alle productiemiddelen in handen van alle mensen kwamen. Met productiemiddelen bedoelde men: alles wat nodig was om te kunnen produceren.

Wat was daar dan voor nodig?

Fabrieken, machines, maar ook grondstoffen als ijzererts of katoen. Om de machines te laten werken was er bovendien steenkool of olie nodig. En om dat alles aan te schaffen was er veel kaptaal(geld) nodig. Los daarvan waren er nog landbouwproducten waarvoor men grond en landbouwwerktuigen nodig had.

Marxisme en de geschiedenis

Het Marxisme is genoemd naar de man die het heeft bedacht: Karl Marx (1818-1883). Marx bestudeerde de geschiedenis van allerlei landen en volken. Hij constateerde dat overal en altijd een bepaalde bevolkingsgroep de productiemiddelen in handen had en dat die groep ook de macht had in de samenleving(economische verhoudingen bepalen de samenleving). De hele geschiedenis door bepaalde het bezit de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen(historisch materialisme).

Marx noemde de groep die de productiemiddelen bezat de heersende klasse en die liet de rest van de bevolking voor zich werken. Die noemde hij de onderdrukte klasse. Vaak was er in de loop van de geschiedenis een strijd tussen deze twee klassen de klassenstrijd.

Het tweede belangrijkste uitgangspunt van Marx was: als de economische verhoudingen veranderen, ontstaat er een klassenstrijd en komt er een nieuwe samenleving.

Daarom omschreef Marx het kapitalisme als het economische systeem waarbij de productiemiddelen in handen zijn van de bourgeoisie en waarbij de arbeiders de onderdrukte klasse(het proletariaat) vormen. Marx boek heet dan ook 'Das Kapital'.

marxisme

Het marxisme en de toekomst

Marx voorspelde een klassenstrijd tussen de bourgeoisie en het proletariaat.

  • Er zullen steeds minder kapitalisten komen(concentratie) die steeds rijker worden(cumulatie).
  • De arbeiders zullen het steeds slechter krijgen(verehlendung).
  • Dat zal dan uitlopen op een revolutie die de arbeiders zullen winnen.
  • De productiemiddelen zullen dan in handen komen van alle mensen(de gemeenschap).
  • Er ontstaat een nieuwe samenleving: de communistische.
  • Het proletariaat moet in die communistische samenleving eerst een dictatuur vestigen om de tegenstanders her op te voeden.
  • Uiteindelijk ontstaat dan een klasseloze samenleving waarin een ieder krijgt wat hij nodig heeft.

'Het Communistisch Manifest'

cpn 1922

verkiezingsaffiche CPN 1922

Marx noemde zijn leer zelf niet marxisme, maar communisme. In 1848 schreef hij samen met zijn vriend Friederich Engels een pamflet met als titel 'Het Communistisch Manifest'.

Daarin schreef hij dat de communistische revolutie tegelijk over de hele wereld zou kunnen gebeuren. Maar dan moesten de arbeiders zich wel internationaal organiseren. De marxisten vallen uiteen in socialisten en communisten

Alle marxistische partijen in Europa dachten dat het zo zou gaan als Marx voorspeld had. Het liep echter anders.

Tegen het einde van de 19e zagen de marxisten twee mogelijkheden:

  • De eerste mogelijkheid was gebruik te maken van de democratie door de meerderheid proberen te halen in het parlement. Deze verandering in de leer van Marx wordt revisionisme(herziening) genoemd. Evolutie(langzame verandering) in plaats van revolutie. De aanhangers worden socialisten genoemd. In Nederland heette hun partij Sociaal - Democratische Arbeiders Partij(SDAP in 1894 opgericht). Na de 2e wereldoorlog PvdA.
  • De tweede mogelijkheid was een revolutie organiseren. Dat moest natuurlijk in het geheim gebeuren. De marxisten zouden de regering afzetten en het socialisme invoeren. Slechts een kleine minderheid van de marxisten koos voor deze tweede mogelijkheid. In Rusland wist die minderheid, onder leiding van Lenin door een revolutie de macht in handen te krijgen. Zij gingen hun partij communistische partij noemen en de leer van hun partij marxisme-leninisme .

stem SDAP

Het marxistisch-leninisme

Kenmerken marxisme -leninisme;

  • De revolutie zou niet zelf ontstaan zoals Marx had geschreven, maar moest worden gemaakt;
  • Er moet geen massapartij komen zoals Marx wilde, maar een kleine goed georganiseerde partij;
  • Volgens Marx zouden de kapitalisten hun producten door de 'Verehlendung' niet kwijt kunnen. Maar volgens Lenin bood het imperialisme de kapitalisten uitstel. De onderdrukte koloniale volken zouden onder leiding van de marxisten-leninisten een einde maken aan het kapitalisme.

leninisme

De 20e eeuw liep anders dan de socialisten hadden verwacht

  • Het belangrijkste idee dat niet uit kwam was dat het kapitalisme zelf zijn eigen ondergang zou veroorzaken. De arbeiders kregen het langzamerhand iets beter in plaats van slechter;
  • De kleine middengroep is niet in armoede vervallen en opgegaan in het proletariaat. Is zelfs groter geworden;
  • Socialisten gingen deel uitmaken van regeringen;
  • Revoluties braken niet uit in het geïndustrialiseerde Europa, maar juist in staten die in hoofdzaak agrarisch waren;
  • De economie speelde niet zo'n hoofdrol als Marx had aangegeven. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleek van solidariteit tussen de arbeiders geen sprake. Men koos voor de eigen natie;
  • Marx had geen rekening ermee gehouden dat zijn leer later misbruikt zou worden door leiders die verantwoordelijk werden voor miljoenen doden. Mao en Stalin;
  • Daar waar communisten de alleenheerschappij verwierven slaagden ze er niet in een succesvol communistisch bewind te vestigen.

6.5 Confessionalisme

Ontstaan van confessionele partijen

In de eerste helft van de 19e eeuw hadden de Kerken nauwelijks behoefte aan een eigen politiek. De conservatieven zorgden ervoor dat de belangen van de confessionelen werden verdedigd. In de tweede helft van de 19e eeuw kreeg het conservatisme minder aanhangers. Daarentegen kwam steeg de aanhang van het liberalisme en socialisme. Als reactie daarop ontstonden tegen het eind van de 19e eeuw in een aantal landen confessionele partijen. Ze werden zo genoemd omdat ze zich baseerden op een bepaalde geloofsovertuiging (confessie).

Confessionalisme vóór de Tweede Wereldoorlog

De pausen van de Katholieke Kerk veroordeelden het liberalisme als een 'dwaling'. In de encycliek (pauselijke rondzendbrief) Rerum Novarum van Paus Leo XIII stelde hij dat de rijken en armen niet elkaars vijanden waren. Men had elkaar nodig. De paus drong aan op het oprichten van katholieke vakverenigingen. De staat moest zich altijd schikken naar de belangen van de bevolking. De pauselijke richtlijnen bevatten echter ook onderdelen die niet overeenkwamen met democratische kenmerken in onze tijd. Tot die richtlijnen behoorden:

  • De overheid ontleende haar macht niet aan het volk, maar aan God. Daarmee werd de volkssoevereiniteit verworpen;
  • De hele maatschappij moest doortrokken worden van christelijke opvattingen. Een belangrijk middel daartoe was het onderwijs. Dat leidde tot de schoolstrijd in Nederland. Men eiste het recht op eigen scholen te stichten op kosten van de staat;
  • De pauselijke opvattingen over de maatschappij werden nader uitgewerkt door Paus Pius XI in zijn encycliek Quadragesimo Anno ( 'Na veertig jaar") de maatschappij moest bestaan uit 'organische gemeenschappen' die in solidariteit (saamhorigheid) met elkaar samenleefden. In een corporatistische structuur van werknemers en werkgevers. Dus geen klassenstrijd. Iedereen had zijn vaste plaats in de gemeenschap, met vaste rechten en plichten, maar geen gelijke rechten en plichten. Dus geen stemrecht voor vrouwen.

Confessionalisme / christen-democratie na de Tweede Wereldoorlog

gegevens stemmenBron: Europa Digital

Er vonden een aantal belangrijke veranderingen plaats:

Katholieke partijen maakten zich geleidelijk los van het kerkelijk gezag;

  • Katholieken en protestanten versmolten tot één algemeen christelijke partij in Duitsland en Nederland;
  • De benaming christen-democraten werd veel meer gebruikt. Dat gaf aan dat men nu wel principieel voorstander van de democratie was;
  • In de dagelijkse politieke praktijk nemen de christen-democratische partijen gewoonlijk een middenpositie in tussen liberalen en socialisten.

chu 1948

6.6 Feminisme en andere emancipatiebewegingen

Socialisme, confessionalisme en feminisme waren emancipatiebewegingen. Emancipatie is het verkrijgen van gelijke rechten en/of het inhalen van een achterstand door bepaalde bevolkingsgroepen.

Feminisme

Tot rond 1900 hadden de vrouwen op veel gebieden van hun leven weinig in te brengen. De meeste mannen vonden vrouwen weinig intelligent, maar uitstekend geschikt om het huishouden en eenvoudig fabriekswerk te doen. Vrouwen kregen vooral ongeschoold werk en lagere functies. Voor het huishouden en lagere functies hoefde je weinig te leren dus was de basisschool genoeg. De mannen vreesden dat de gezinnen uit elkaar zouden vallen, als men de vrouwen gelijke rechten zou geven.

Waar haalden mannen het recht vandaan vrouwen geen gelijke kansen te geven?

Dat vroegen steeds meer vrouwen zich af en besloten te gaan strijden voor gelijke rechten. Zo ontstond het feminisme als stroming. De aanhangers zijn feministen. Femina betekent vrouw. In Nederland werden Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker de bekendste strijders voor de rechten van de vrouw. Ze streden op allerlei terreinen. Voorbeelden: Wilhelmina Drucker richtte in 1889 de Vrije Vrouwenvereniging op en Aletta Jacobs leidde de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (1894).

kvp 1946

Belangrijkste feministische ideeën:

  • Gelijke rechten in het gezin.
  • Voor meisjes dezelfde mogelijkheden voor onderwijs als voor jongens.
  • Voor vrouwen dezelfde beroepen als voor mannen.
  • Voor vrouwen hetzelfde loon als mannen voor hetzelfde werk.
  • Kiesrecht ook voor vrouwen.

Had het feminisme succes?

Er kwam een langzame vooruitgang. In de meeste West-Europese landen zijn wetten gekomen die het toestonden dat vrouwen bezit hadden(in Nederland in 1956). Ook werd overal kiesrecht voor vrouwen ingevoerd. Vanaf de jaren '60 in de twintigste eeuw werd het normaal dat vrouwen studeerden. Hoewel veel vrouwen hetzelfde werk doen als mannen worden ze nog vaak niet hetzelfde beloond. Links verkiezingsaffiche KVP 1946

Abolitionisme

Abolitionisme was eind 18e eeuw in Engeland ontstaan als een beweging die ijverde voor de afschaffing van de slavenhandel. Na het verbod op de slavenhandel aan het begin van de 19e eeuw richtten de abolitionisten hun aandacht op de afschaffing van de slavernij.

Socialisme en confessionalisme als emancipatiebewegingen

  • De socialisten streefden naar emancipatie van de arbeiders; o.a. via algemeen kiesrecht en verbetering van de arbeidsomstandigheden en hogere lonen.
  • De confessionelen voelden zich achtergesteld bij de liberalen en de katholieken weer achtergesteld in vergelijking met de protestanten. Door middel van het oprichten van politieke partijen, vakverenigingen, kranten en tijdschriften probeerde men het doel te bereiken.

6.7 Voortschrijdende democratisering

In de19e eeuw, toen overal liberalen aan de macht kwamen, bestond er een vorm van censuskiesrecht. Alleen de rijkste burgers konden zo stemmen. In Nederland werd dat in de grondwet van 1848 vastgelegd. in 1887 en 1896 werd het censuskiesrecht uitgebreid.

Pas aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd in de meeste Europese landen algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen ingevoerd.

6.8 Nationalisme

Het ontstaan van nationalisme

De staatsgrenzen in de wereld zijn de laatste twee eeuwen drastisch gewijzigd. In Europa zijn maar weinig landen die nog dezelfde grenzen hebben.

Met nationalisme wordt bedoeld het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen, of willen vormen. Voor dat gevoel van saamhorigheid zijn enkele voorwaarden noodzakelijk:

  • Het besef over gemeenschappelijke ervaringen te beschikken;
  • Het besef gemeenschappelijke belangen te hebben

In de Middeleeuwen ontstonden de staten Engeland en Frankrijk. In die staten groeide het nationalisme vooral toen deze landen onderling de tachtigjarige oorlog bevochten. Eerder dan in andere landen slaagden de koningen van Engeland en Frankrijk erin van hun land een eenheid te maken. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw ontstonden ook nationale gevoelens in de Republiek, waar de oorlog tegen Spanje een gemeenschappelijke ervaring werd. Maar men was op de eerste plaats inwoner van een gewest.

Nationalisme groeit sterk in de eerste helft van de 19e eeuw

In het begin van de 19e eeuw groeide in Europa het nationalisme sterk, doordat Napoleon veel landen veroverde en overheerste.

Een nationale staat is een staat waarin de mensen zich saamhorig voelen. En zich anders voelen dan in andere staten. Het gevoel van saamhorigheid kan ontstaan als zo'n volk veel overeenkomsten heeft. Bijvoorbeeld dezelfde taal, godsdienst, dezelfde belangen en ervaringen. Aanhangers zijn nationalisten. Met chauvinisme bedoelen we een overdreven liefde voor het eigen volk. Uit chauvinisme ontstond vaak haat tegen andere volken of etnische groepen met als gevolg oorlogen en moordpartijen. Het toenemen van nationale gevoelens sloot aan bij een nieuwe stroming die eind 18e eeuw was ontstaan, de Romantiek.

Belangrijke nationalistische ideeën:

  • Het zelfbeschikkingsrecht. Ieder volk moet het recht hebben een eigen staat te kunnen vormen. Het Congres van Wenen had de staten ingedeeld zoals de vorsten het wilden en niet zoals de volken (zie de kaart van Europa 1815).
  • De volkssoevereiniteit. De nationalisten vonden ook dat ieder volk het recht had zijn eigen bestuur te kiezen. Het nationalisme in het Turkije Rijk nam sterk toe. Op de Balkan waren de eigen talen en de godsdienst van groot belang voor het nationalisme.
  • Staatsnationalisme. In de eerste helft van de 19e eeuw slaagden slechts twee volken erin een eigen nationale staat te vormen: de Grieken en de Belgen. Later in de eeuw ontstonden er twee nieuwe nationale staten: Italië (1870) en het Duitse keizerrijk (1871). Met staatsnationalisme wordt het streven van staten bedoeld om een nationaal gevoel bij de bevolking van hun staat tot stand te brengen. Bijvoorbeeld door één taal verplicht te stellen of een bepaalde kijk op de geschiedenis in het geschiedenisonderwijs. 
  •  
  • Zie voor hoofdstuk 7 SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 7