We hebben 122 gasten online

SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 13 Deel G

Gepost in Tweede Fase 4e druk

6) Steeds meer economische samenwerking in Europa

vlag europa

Het Marshallplan (1947) maakt Europese samenwerking nodig

memo hfst 9 afb 10

In Europa was er een tekort aan alles. Een vlot economisch herstel werd echter mogelijk gemaakt door het Marshallplan. Volgens dit plan konden de Europse landen geld krijgen ( 85% als schenking, 15% als lening) voor de opbouw van hun economie.

De EGKS werd opgericht

De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werd in 1951 opgericht door zes West-Europese staten, Duitsland, Frankrijk, Italië en de Beneluxlanden. Er kwam een door hen benoemd supra-nationaal orgaan, dat gecontroleerd werd door een Europees parlement, dat werd samengesteld uit parlementsleden van de zes EGKS-landen.

Het gemeenschappelijk gezag over kolen en staal voorkwam ook een buitensporige bewapening van één of meer staten van de EGKS. Een nieuwe oorlog tussen deze landen kon zo worden voorkomen.

Succes van de EGKS leidt tot EG en daarna tot de EU

Het succes van de EGKS leidde tot een verdere samenwerking. In 1957 brachten de zes het volgende tot stand:

verdrag van rome

  • Het verdrag van Rome, waarbij de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht.

  • De oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), een organisatie voor het ontwikkelen van atoomenergie voor vreedzame doeleinden.

In 1967 werden de EGKS, EEG en Euratom samengevoegd tot de Europese Gemeenschappen (EG). In 1993 trad het in 1992 ondertekende verdrag van Maastricht in werking. Vanaf dat moment spreekt men van de Europese Unie (EU). In dat verdrag werd bepaald dat de EU in de toekomst een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid moest voeren. Ook werd besloten tot de invoering van de gemeenschappelijke munt, de 'ecu', later 'euro' genoemd.

In 1995 trad het verdrag van Schengen in werking: vrij verkeer van mensen en goederen tussen de lidstaten.

De landbouwpolitiek wordt een groot probleem

Om de productie in de landbouw te stimuleren werden in de EEG/EG/EU aan de landbouw garantieprijzen gegeven. Maar de garantieprijzen waren zo laag dat de boeren veel meosten produceren om een goed inkomen te hebben. Men ging zo meer produceren dan de markt nodig had. Daardoor ontstonden 'boterbergen' en 'melkplassen'. Deze overproductie kosten enorm veel geld, want ook voor de overschotten werd de garantieprijs betaald. Er moest dus een oplossing komen. Naast een beperkte verlaging van de garantieprijzen besloot men in 1990-1991 tot het intrekken van subsidies aan kleine en middelgrote boerenbedrijven en het financieel straffen van boeren die meer produceerden dan toegestaan.

Van 'zes' naar 'zeventwintig' en meer

In het begin van de jaren '60 zocht de Britse regering voorzichting toenadering tot de EG. Maar de Franse President Charles de Gaulle (1958-1968) was er tegen. Na het aftreden van De Gaulle verliep de toenadering soepeler. In 1973 was het zover. Samen met Engeland werd ook Ierland en Denemarken lid van de EG. In 1981 werd Griekenland lid, in 1986 Spanje en Portugal.

In 1995 brachten Finland, Oostenrijk en Zweden het aantal leden van de Unie op 15. In 2004 voegden zich tien nieuwe staten bij de Europese Unie: Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Hongarije, Malta en Cyprus; in 2007 Bulgarije en Roemenië. Er wordt onderhandeld met Kroatië, macedonië en Turkije.

Weinig politieke samenwerking

Dat kwam vooral door de Franse president De Gaulle. Voor hem was de nationale staat het belangrijkste. Na zijn aftreden kregen de voorstanders van politieke eenworing meer kans.

Naar buiten toe proberen de lidstaten van de EU steeds meer eensgezind op te treden. Maar dat blijkt in de praktijk toch vaak zeer moeilijk zoals bleek rond de crisis in voormalig Joegoslavië die in 1991 ontstond. Eigenlijk werd er op het gebied van politieke samenwerking nog weinig bereikt. In de wereld buiten Europa wordt de EU door velen nu reeds als eenheid gezien.

eu enlargement

De Organisatie van de EU

Europese Commissie

Dit is het dagelijks bestuur van de EU en bestaat uit 27 leden, commissarissen genoemd. Ze worden voor vijf jaar benoemd. De belangrijkste poltieke stromingen moeten erin zijn vertegenwoordigd. De voorzitter van de Europese Commissie wordt door de Europese Raad (de regeringsleiders van de lidstaten) gekozen. Het Europees Parlement keurt de samenstelling tenslotte goed of af.

De Raad van Ministers.

Deze bestaat uit vakministers van de verschillende lidstaten. Het voorzitterschap van de Raad rouleert per zes maanden tussen de lidstaten.

De Europese Raad.

De regeringsleiders van de EU-landen komen minimaal twee keer per jaar bijeen om over allerlei zaken te spreken.

Het Europees Parlement

Dat werd ingesteld in 1958, wordt sinds 1979 voor vijf jaar gekozen door de kiesgerechtigde bevolking van de EU-landen. De zetels zijn naar rato van het inwoneraantal over de lidstaten verdeeld. Het Europees Parlement heeft minder zeggenschap dan de parlementen van de lidstaten. De invloed ervan is wel toegenomen.

Het Hof van Justitie in Luxemburg

Dit controleert de Raad van Ministers en de Europese Commissie op uitleg en toepassing van de EU-regels. Elke lidstaat levert één rechter. Het Gemeenschapsrecht wordt gehandhaafd door het Hof van Justitie. Burgers kunnen bij hun nationale rechter rechtstreeks een beroep doen op de regels van het gemeenschapsrecht.

Heeft de natie-staat zijn tijd gehad?

Met een natie-staat wordt een staat bedoeld waarin de bevolking homogeen is en zich bezield voelt door dezelfde nationale gevoelens. In West-Europa wordt er in het algemeen van uit gegaan dat het niet mogelijk is de grenzen volledig te laten samenvallen met woongebieden van volken met dezelfde culturele achtergrond. Men ziet in deze opvatting een natie-staat als een politieke gemeenschap waarin de bevolking zich ongeacht haar culturele afkomst thuis voelt.

Verschillende uitwerkingen van de natie-staat in West-Europa

In sommige staten bestaan aanzienlijke verschillen. In die staten proberen de meeste regeringen door allerlei maatregelen aan de ene kant de identiteit, het eigen karakter van de verschillende groepen zoveel mogelijk recht te doen en aan de andere kant bij alle inwoners een nationaal gevoel te stimuleren.

In de ene staat gaat men verder met het verlenen van beperkte autonomie dan in de andere. Enkele voorbeelden:

  • In Zwitserland en later ook België hebben de belangrijke taalgroepen een zo grote mate van zelfbestuur dat zij bijna gescheiden van elkaar kunnen leven.

  • In Nederland hebben de Friezen slechts op enkele gebieden autonomie.

  • In Spanje leven verschillende etnische groepen. Sinds 1980-1981 is aan twee ervan, de Catalanen en de Basken een zekere mate van zelfbestuur verleend.

  • In Frankrijk leven van oudsher verschillende etnische en taalkundige minderheden. Aan hen wordt weinig of geen autonomie verleend.

De natie-staat verliest in Europa aan betekenis

Dat komt door twee ontwikkelingen:

  • Vanaf de jaren '60 wordft de natie-staat van onderop gedeeltelijk ondermijnd door het regionalisme. Met regio's worden gebieden binnen staten bedoeld waarin mensen leven die zich cultureel en etnisch met elkaar verbonden voelen.

  • De natie-staat wordt sinds het einde van de Tweede wereldoorlog van bovenaf ingeperkt door internationale organisaties als de EU, de VN en de NAVO.

Dit is het einde van Hoofdstuk 13

Zie verder hoofdstuk 14 A SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 14 Deel A