We hebben 161 gasten online

SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 14 Deel A

Gepost in Tweede Fase 4e druk

Kolonisatie en dekolonisatie

1) Oude culturen in Amerika, Afrika en Azië

belize maya

In deze paragraaf wordt kort ingegaan op die oude culturen.

Vanaf 1500 kregen die oude culturen in de niet-westerse wereld te maken met de expansie van Europa.

Oude culturen in Amerika

In Amerika leefden veel Indiaanse stammen of volken. Een stam is een groep mensen die zegt af te stammen van een gemeenschappelijke voorouder en die een eigen cultuur heeft.

Het woord 'stam' heeft ook de betekenis gekregen van een primitieve, onderontwikkeld egroep. Het wordt daarom vaak in Sprekend Verleden vervangen door 'volk'.

tzolkin kalender

Tzolkin, Kalender van de Maya's van 260 dagen(ze ontwikkelden er ook een van 365 dagen) De Maya's bedachten een kalender en kenden een beeldschrift. De Inca's bedachten een klok in de vorm van een zonnewijzer

Drie volken, de Maya's, Azteken en Inca's hebben voor de komst van de Europeanen prachtige bouwwerken, gebruiksvoorwerpen, sieraden en andere kunstvoorwerpen vervaardigd. De Maya's woonden in het tegenwoordige Honduras, Guatemala, en het Mexicaanse schiereiland Yucatan. De bloeitijd van hun cultuur duurde van de 4e tot de 10 eeuw.De Azteken drongen in de 13e eeuw vanuit het Noorden in Mexico door. In de volgend eeeuwen onderwierpen zij de meeste volken van Mexico en Midden-Amerika. Omstreeks 1200 stichtten de Inca's de stad Cuzco (Peru). Hun gebied omvatte toen echter niet meer dan 50 vierkante kilometer. In de 15e eeuw begonnen de Inca's veroveringstochten naar het noorden en het zuiden. Het rijk liep toen van Ecador tot het midden van Chili.

aztec imperium

De Azteken en Inca's werden de belangrijkste tegenstanders van de Europeanen toen die Amerika kwamen koloniseren. De volken hadden als belangrijkste middel van bestaan de landbouw. Men paste irregatie en bemesting toeen kend emeer dan twintig gewassen, waaronder een aantal in de rest van de wereld onbekende zoals, Mais, aardappelen, cacao, tomaten tabak . In Mexico hield men kippen en kalkoenen. Scapen, geiten, varkens, koeien en paarden kwamen in Amerika niet voor. Ook het wiel en d ewagen kenden ze niet. Alle vervoer van goederen moest door dragers gebeuren.

manchu picchu

Op deze afbeelding van de terrasvorming in Machu Picchu (van de Inca's in het Andesgebergte) is goed te zien hoe men het klaarspeelde hoog in de bergen landbouw te beoefenen.

Opvallend was de hoge graad van organisatie in de indiaanse samenleving:

  • Aan het hoofd stond een vorst die als een god werd vereerd.

  • Onder de vorst en zijn raad stonden bestuurders van steden en daaronder de wijken.

  • Ambtenaren regelden alerlei openbare taken.

De bovenlaag bestond uit bestuurders, legeraanvoerders, ambtenaren en priesters. Daaronder kwamen de kooplieden en handelslieden. De benedenlaag werd gevormd door de boeren. Bij de Azteken kwam daaronder nog de laag van de slaven, die grotendeels uit krijgsgevangenen bestond.

De godsdienst nam een zeer voorname plaats in. Daaardoor hadden de priesters grote invloed. De priesters zagen de Spanjaarden als afgezanten van de god Quetzalcoal, van wie voorspeld was dat ze over zee uit het oosten komen.

Oude culturen in Afrika

In het oude Afrika ten zuiden van de Sahara leefden ongeveer duizend volken merendeels in dorpen. De gelaagdheid kwam duidelijk tot uiting in het onderscheid tussen vrije mensen en slaven en vooral tussen mannen en vrouwen. Slavernij was de enige manier om iemand voor zich te laten werken. Slaven waren vaak krijgsgevangenen en ook wel misdadigers of mensen die hun schulden niet konden betalen. Binnen enkele generaties werden de nakomelingen van de slaven geheel in de familie opgenomen.

De grote verschillen in het dorpsleven bestonden tussen mannen en vrouwen. Vrouwen bewerkten het land en gingen naar de markt om te ruilen, kopen en verkopen, en waren vaak tamelijk zelfstandig. De mannen gingen op jacht en trokken ten strijde tegen verderop wonende vijanden en nomaden.

Er bestonden wel honderden politieke organisaties. Deze kunnen in drie groepen worden onderverdeeld: staatsloze samenlevingen, koninkrijken en imperia. In de staatloze samenleving leefde een volk verspreid in dorpen, die geheel los van elkaar functioneerden.

Na het jaar 1000 ontstonden en koninkrijken in gebieden die gunstig lagen voor de handel over lange afstand. Voorbeelden van bekende Afrikaanse koninkrijken zijn Ife en Benin (nu Nigeria), Asante (nu Ghana) en Ganda (nu Oeganda). Het oudste van de imperia is Ghana (vermoedelijk vanaf omstreeks 700). Toen het op het hoogtepunt van zijn macht was - halverwege de 11e eeuw - omvatte het imperium delen van de tegenwoordige staten Mauretanië, Senegal, en Mali. Ten oosten van Ghana kwam een ander rijk op, Mali. De bloeitijd van Mali viel in de periode 1250-1460. Mali beheerste de trans-Sahara-handel. De stad Timboektoe werd het belangrijkste eindpunt van de kameelkaravanen. Met die karavanen kwamen ook geleerden en theologen naar Mali. Timboektoe werd in de hele moslimwereld een bekend centrum van handel, godsdienst en wetenschap.

Enkele gemeenschappelijke kenmerken zijn:

  • het vereren van voorouders, geesten en goden;

  • het gebruik maken van magie tegen kwade geesten;

  • hekserij.

  • medicijmannen, regenmakers en toekomstvoorspellers stonden in hoog aanzien.

Oude culturen in Azië

Het Chinese kiezerrijk en het confucianisme

In de vlakte van de Gele Rivier ( Huang He) ontstonden de eerste staten. Een van die staten heette Chin. In 221 voor Christus veroverde de vorst van Chin bijna heel Oost-China en noemde zich voortaan Shih Huang-ti ( 'de eerste keizer'). Na diens dood stchtte Liu Pang de Han-dynastie, die 400 jaar zou regeren. Met een dynastie wordt een serie heersers bedoeld uit één familie.

De keizers regeerden als absolute vorsten. Ze gingen er van uit dat, de Hemel hun absolute macht verleende, het 'Hemels Mandaat'. Het rijk werd bestuurd vanuit het keizerlijke hof in Beijing vanaf 1421. Het rijk werd verdeeld in provincies, die weer in prefecturen en die weer indistricten. Aan het hoofd van elk stonden door de keizer benoemde ambtenaren. De hoogste ambtenaren werden mandarijnen genoemd. Men kon ambtenaar worden door deel te nemen aan een staatsexamen. De examens werden slechts eenmaal in de drie jaar gehouden en minder dan één procent van de kandidaten slaagde de eerste keer. Deze bureaucratie van ambtenaren heeft de uitoefening van het centraal gezag over het reusachtige rijk mogelijk gemaakt.

In de 6e eeuw voor Christus ontwierp een Chinese denker onder de naam Confucius een leer ter aanvulling op het bestaande geloof in een hemelse en aardse orde, het Confucianisme. Pas tijdens de Han-dynastie werd het Confucianisme langzamerhand de officiële leer van het keizerrijk. Het confucianisme legt de nadruk op het juiste persoonlijke gedrag. Confucius geloofde dat de aard van de mens goed was. Als mensen zich juist gedroegen, zouden alle problemen in de samenleving verdwijnen. Zijn leer van de 'Vijf Menselijke Relaties' gaf aan wat de juiste betrekkingen waren tussen een heerser en zijn onderdanen, tussen een vader en zijn zoon, tussen echtgenoot en zijn vrouw, tussen een oudere en een jongere broer. Van de hoger geplaatste werd welwillendheid en vriendelijkheid verwacht, van de lager geplaatsten toewijding en gehoorzaamheid aan de hoger geplaatsten. Als de keizer handelde in overenstemming met de confucianistsische leer, dan zouden zijn ambtenaren en volk dat ook doen. Zo onstonden er talrijke rituelen en vaste omgangsvormen.

De Chinezen beschouwden China als het middelpunt van de wereld: vandaar hun eigen naam van het toenmalige Chinese gebied: het Rijk van het Midden. Deze zienswijze van China wordt sinocentrisme genoemd.

Het oude Japan

In Japan ontstonden eerst kleine staten. In elke staat was een scherpe scheiding tussen een machtige bovenlaag, bestaande uit een adelijke clan ( groep van verwante families) en de rest van de bevolking. Elke staat stond onder leidng van een clanhoofd. Ieder clanhoofd was tevens hogepriester. Japan had een eigen godsdienst het sjintoïsme. Op den duur gingen de meeste clans het clanhoofd van de staat Yamoto als hun meerdere, tenno (keizer), erkennen. De leider van de Yamoto-clan werd als de afstammeling van de zonnegodin beschouwd. Clanhoofden die de keizer hadden geholpen bij het vergroten van zijn macht werden met belangrijke functies beloond.

Aan het eind van de 12e eeuw wist een clanleider Minamoto Yoritomo, de andere clans onder zijn gezag te brengen. De keizer verleende hem de titel Sjogoen (opperbevelhebber). In feite beschikte de Sjogoen over meer macht dan de keizer.

Er ontstond een nieuwe regeringsvorm in Japan, die overeenkomsten vertoonde met middeleeuws Europa. De Sjogoens stelden hoofden van machtige families aan om het land te besturen, daimyos genoemd en deze hadden aanvankelijk vooral een militaire taak. In de loop van de tijd gingen ze zich zelfstandiger gedragen.

De samenleving was in vier lagen verdeeld:

  • De bovenlaag werd gevormd door de Daiymo, ongeveer 270, en de Samoerai, ongeveer 400.000.

  • De tweede laag, ongeveer 80%, bestond uit de boeren.

  • De derde laag werd gevormd door de ambachtslieden.

  • De vierde laag bestond uit kooplieden (zij werden zo laag gewaardeerd omdat ze niets produceerden).

De Japanners voelden zich sterk verbonden met de groep (zoals familie, clan of dorp) waartoe zij behoorden. Buiten de eigen groep leek nauwelijks leven mogelijk.

Het oude India

Net als elders was jagen en verzamelen het middel van bestaan. Landbouw werd tussen 4000 en 3000 vóór Christus voor het eerst in India bedreven. In de Induscultuur, die omstreeks 3000 vóór Christus in het stroomgebied van de Indus ontstond, werd landbouw voor verreweg de meeste mensen het belangrijkste middel van bestaan. Vanaf de 4e de eeuw ontstonden in delen van het Indiase grondgebied grote en goed georganiseerde rijken. Er was opmerkelijk grote verdeeldheid op godsdienstig gebied. Wisselend heersten hindoeïstische, boeddistische en islamitische vorsten.

Rond 500 was het hindoeïstische Guptarijk op wetenscahppelijk gebied Europa de baas.Astronomen zagen al dat de aarde om zijn as draaide en ook rond de zon. Het decimale stelsel werd er uitgevonden en via de Arabieren bereikte dit het Westen. Medici ontdekten de functie van de ruggegraat en het beenderenstelsel, deden aan plastische chirurgie en voerden lang voor medici in het Westen de keizersnede uit.

Schrijvers produceerden een grote en gevarieerde hoeveelheid literatuur. er waren bibliotheken met duizenden boeken. aan de universiteit van Nakada studeerden duizenden studenten. gelelrden uit alle delen van azië kwamen erheen.

In de 6e eeuw viel het Gupta-rijk uiteen in een aantal kleine rijken. Aan het einde van de 12e eeuw vestigde een moslimvorst weer een groot rijk, het sultanaat van Delhi. Nadat dat rijk was uiteengevallen vestigden de Mogols een nieuw moslimrijk (1562-1858). een van hen was Akbar. Hij besteeg de troon in 1556 en zag in dat het rijk niet door tirrannie bijeengehouden kon worden. Hij maakte een einde aan de vervolging en achterstelling van Hindoes. Ook op andere tereinen bevorderde hij de eenheid van het rijk. Zo voerde hij een stelsel van regelingen in dat voor allen gold, ongeacht hun taal of godsdienst. Op den duur begon het Mogolrijk uit een te vallen in een groot aantal door hindoe- of moslimvorsten geregeerde gebieden.

Zie voor Deel B: SV Tweede Fase VWO Hoofdstuk 14 Deel B