We hebben 103 gasten online

SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 4

Gepost in Tweede Fase 4e druk

4.1 Het wereldbeeld verandert, Europese expansie overzee begint

Het grootste deel van de Middeleeuwen dachten de mensen dat de aarde plat was en alleen uit Europa en het Middellandse zeegebied bestond. Het middelpunt was Jeruzalem.

In de Late Middeleeuwen doorbraken Willem van Rubroek en Marco Polo door hun reizen naar Azië. Maar de meeste Europeanen wisten daar niets van. Dat was anders toen de Portugezen en Spanjaarden in de15e en 16e eeuw op zoek gingen naar Azië. De Portugezen waren de eerste die de kust van Afrika gingen verkennen. Dat deden ze omdat ze:

  • bondgenoten zochten tegen de moslims;

  • hoopten een zeeweg te vinden naar Azië.

Ontwikkeling:

  • 1488: de Portugezen bereikten de zuidelijkste punt van Afrika (Kaap de Goede Hoop);

  • 1498: Drie Portugeese schepen bereikten onder leiding van Vasco da Gama India;

  • 1519-1521: de Portugees Magelhaen zeilt om de zuidpunt van Amerika heen naar het Westen. Hij bereikte Azië waar ook Indië lag.

De Portugezen stichtten vooral aan de kusten van India factorijen. Een factorij is een handelspost die bestaat uit een fort, een haven, pakhuizen en woningen. Van daaruit dreef men handel met de inheemse bevolking.

Spanjaarden en Portugezen vestigen een koloniaal rijk in Amerika

columbus

De Spaanse koning gaf in 1492 opdracht aan de Italiaan Columbus (zie afbeelding) om in westelijke richting Azië te bereiken. Men ontdekte land na drie maanden maar niet Indië, alhoewel ze dat wel dachten. Ze noemden de inwoners Indianen. Pas in 1521 kwam men erachter (door Magelhaen), dat men een nieuw werelddeel ontdekt had.

De Spanjaarden veroverden het Caribisch gebied en de rijken van de Azteken (Mexico), en Inca's ( Peru, Bolivia en China). de Portugezen namen het tegenwoordige Brazilië in bezit. Ze stichtten geen factorijen en dreven geen handel met de inheemse bevolking, maar exploiteerden het land door het aanleggen van zilvermijnen en plantages.

early civalisations

 

Veel Indianen en Afrikanen slachtoffer van de Europese expansie

Veel Indianen werden gedood, verdreven of gedwongen te werken voor de Europeanen. Veel kwamen ook om door onbekende ziekten. Als arbeidsslaven werden slaven uit Afrika gehaald. Europese schepen waren sneller en tegen de Europese vuurwapens konden de Afrikanen, Aziaten en Indianen niet op.

portugese nederzettingen

Portugese nederzettingen rond 1600

De Europese expansie zou in de volgende eeuwen worden voortgezet. De Portugezen moeste hun vooraanstaande positie afstaan. In de 17e eeuw kregen de Hollanders de grootste invloed in Azië. In de 18e en 19e eeuw werden de Fransen en Engelsen het machtigst.

Ook het heelal wordt beter in kaart gebracht

Er werden steeds nauwkeuriger wereldkaarten gemaakt. Ook op het heelal begon men beter zicht te krijgen. De Oost-Pruisische astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543) schreef een boek 'De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen der hemelkringen). Copernicus wilde de visie van Ptolemaeus verbeteren.

Hij kwam tot de volgende bevindingen:

  • Dat de zon een vaste ster is, omringd door planeten die rond haar wentelen en waarvan zij het middelpunt en de fakkel vormt;
  • Dat er naast de hoofdplaneten nog secundaire planeten zijn die als satellieten rond hun hoofdplaneten draaien, en samen met hun rond de zon;
  • Dat de aarde een hoofdplaneet is;
  • Dat de ogenschijnlijke beweging van de sterren slechts een optisch illusie is, veroorzaakt door de werkelijke beweging van de Aarde en de schommelingen van haar as.

Zijn bevindingen waren revolutionair en in strijd met wat in de Bijbel over de Schepping stond. De aarde was nu niet meer het centrum van het heelal. Het duurde daarom lang voor de theorie van Copernicus werd aanvaard. De Katholieke en Protestantse kerken verzetten zich ertegen. De Katholieke Kerk verbood het boek in 1616. Pas in 1835 werd dat opgeheven.

4.2 De Christelijke Kerk valt uiteen

Groeiende kritiek op de Kerk rond 1500

Door de uitvinding van de boekdrukkunst nam het aantal mensen dat kon lezen en schrijven toe. Men kon de Bijbel nu zelf interpreteren. Kritiek werd nu ook geuit:

  • Sommigen wilden alleen aflatenhandel afschaffen, zoals Erasmus;
  • Anderen stichten een nieuwe kerk;
  • Anderen sloten zich bij een nieuwe kerk aan.

Luther en Calvijn waren hervormers en werden de leiders van de Hervorming of Reformatie. Omdat de nieuwe kerken ontstonden uit protest tegen de Katholieke Kerk, worden de Kerken protestants genoemd en de aanhangers protestanten.

De aflatenhandel als verwording

Als een christen zich niet hield aan de geboden kon hij in het hiernamaals gestraft worden. Op het einde van de Middeleeuwen maakte de Kerk het mogelijk om zonden af te kopen met geld, aflaten kopen, en te betalen voor Gods vergeving. Dit leidde tot de aflatenhandel. Dit werd o.a. door Luther gezien als het toppunt van verloedering en hij verweet de Kerk gewetenloosheid en een dubbele moraal.

Luther protesteert

Maarten Luther (1483-1546) was monnik geweest. Daarna professor aan de universiteit van Wittenberg in het Duitse Rijk. Volgens Luther stond de Bijbel niet dat christenen goede werken moesten doen om in de hemel te komen. Ook wilde Luther het pausschap, celibaat, veel sacramenten, de heiligenverering en kloosterorden afschaffen omdat er niets daarover in de Bijbel stond. Luther vertaalde de Bijbel in het Duits zodat de mensen kennis konden nemen van wat er in de Bijbel stond. Alleen God moest worden vereerd, niet de paus en de geestelijken

Hervorming: protestanten scheidden zich af van de katholieke Kerk

De Paus deed Luther in de ban. Maar Luther kreeg steun van Duitse vorsten. Maar de Duiste keizer wilde dat iedereen katholiek bleef. De vorsten stichtten eigen Kerken, die hervormd werden naar Luthers ideeën en maakten zichzelf hoofd van die kerken. Ook de Scandinavische vorsten volgden het voorbeeld van de Duitse.

Voor de vorsten was het lutheranisme aantrekkelijk:

  • Zij werden hoofd van die Kerk;
  • Ze konden kloosters sluiten en de bezittingen van de kloosters overnemen;
  • Het lutheranisme bevestigde de vorst in zijn macht, doordat men de vorst altijd moest gehoorzamen, ook als die zich slecht gedroeg.

Niet zo vreemd dus dat Luther het goed kon vinden met de vorsten. Dat bleek bij een boerenopstand in 1524-1525. Deze beriepen zich op de Bijbel, maar Luther koos voor de vorsten.

calvijn

In de Zwitserse stad Genève stichtte de Fransman Johannes Calvijn (1509-1564) een eigen Kerk. Zijn leer werd calvinisme genoemd en zijn aanhangers calvinisten. In ons land zou deze kerk het belangrijkste worden.

Enkele belangrijke verschillen tussen calvinisme en lutheranisme zijn;

  • Bij de lutheranen is de vorst het hoofd van de kerk. Bij de calvinisten bestuurt iedere gemeente zichzelf door een raad van gekozen ouderlingen;
  • Anders dam lutheranen mogen calvinisten tegen hun vorst in verzet komen, als deze handelt tegen Gods gebod.

In Engeland ontstond de anglicaanse kerk. Koning Hendrik VIII mocht van de paus niet scheiden. Daarop stichtte hij in 1532 zijn eigen kerk, de anglicaanse, en maakte zichzelf hoofd ervan. In 1563 werden het celibaat, de mis met Latijn als voertaal en de kloosters afgeschaft. Hij werd daarbij gesteund door de adel omdat deze een groot deel van het grootgrondbezit van de Kerk ontving.

reformatie contra reformatie

De reactie van de katholieke Kerk: de Contra-Reformatie

Door het succes van de hervormingsbewegingen moest de katholieke Kerk wel reageren. Dat deed men door op het concilie van Trente (Noord-Italië) tussen 1545 en 1563, bijeen te komen en besluiten te nemen. Alle geslaagde hervormingsbewegingen werden als ketters gebrandmerkt. Wel nam de Kerk een aantal maatregelen op het gebied van de discipline:

  • De Kerk stelde een lijst met verboden boeken op, de Index;
  • De Kerk verbood priesters andere inkomsten dan de Kerk verstrekte;
  • De Kerk verbood het verhandelen van kerkelijke ambten en aflaten;

De Kerk nam nog de volgende maatregelen:

  • Men aanvaarde een oude Latijnse vertaling van de Bijbel, waaruit (over)schrijffouten en toevoegingen van later tijd waren gezuiverd;
  • Stelde de kerkelijke leer op schrift in een leerboek, de catechismus;
  • Stelde voor priesters een gedegen opleiding voor en een verplicht celibaat;
  • Verplichtte priesters tot een vaste woon- en verblijfplaats.

Het uitvoeren van de nieuwe disciplinaire maatregelen werd aan de nieuwe orde der Jezuïeten toevertrouwd. kerkelijke rechtbanken (de inquisitie) gingen tuchtlozen binnen de Kerk en ketters daarbuiten vervolgen en veroordelen. Dit optreden van de katholieke kerk wordt de Contra-Reformatie genoemd.

Pas vanaf de Franse Revolutie komt er godsdienstvrijheid in West-Europa

Tot in de 18 eeuw vonden de vorsten dat al hun onderdanen hetzelfde geloof moesten hebben. Omdat:

  • Ze bang waren dat hun onderdanen anders elkaars vijanden zouden worden;
  • Een godsdienstig verdeelde bevolking nooit als één man achter de koning kon staan;

Dat leidde ertoe dat aan protestantse en rooms-katholieke kant mensen werden vervolgd en ter dood gebracht.

Scheiding tussen Kerk en Staat

Dit idee ontstond in de 18e eeuw tijdens de Verlichting. De kerk diende zich bezig te houden met godsdienstige zaken en de Staat met bestuur en rechtspraak. Als gevolg van de Franse Revolutie werden in veel Europese landen grondwetten ingevoerd. Daarin werd de scheiding tussen Kerk en Staat vastgelegd. Toch zou het nog tot in de 20e eeuw voorkomen dat mensen op grond van hun geloof ongelijk werden behandeld.

4.3 Westerse wortels in de Grieks-Romeinse wereld

De Italiaanse stadstaten van de 14e eeuw boden voldoende vrijheid aan individuen om nieuwe vindingen, denkvormen te ontwikkelen. De vernieuwers werden humanisten genoemd. Zij grepen terug op de Grieks-Romeinse cultuur voor hun denkbeelden. Deze verandering wordt Renaissance genoemd, letterlijk 'wedergeboorte' van de Grieks-Romeinse cultuur. Met de ontdekkingsreizen en de Renaissance begon de Nieuwe Tijd.

Veranderend mensbeeld.

In de Middeleeuwen zag men de mens als een nietig schepsel. In de Renaissance gingen mensen zich zien als nieuwe scheppers. Naar het voorbeeld van de Grieken en Romeinen vonden zij:

  • Dat een mens zichzelf niet op de achtergrond hoefde te plaatsen;
  • Dat het leven geen voorbereiding was op het leven na de dood, maar dat van het leven op aarde moest worden genoten;
  • Dat talenten en mogelijkheden van individuen niet door dwang, dogma's of ander gezag moest worden beperkt.

De ideale mens werd de 'uomo universale': de mens die zich ontplooide op een zo breed mogelijk vlak. de Italiaan Leonardo da Vinci (1452-1519) geldt als voorbeeld. Hij was schilder, beeldhouwer, anatomisch onderzoeker en tekenaar, architect, wiskundige en ontwerper van talloze mechanische werktuigen. Na Italië drong de Renaissance door in de Zuidelijke Nederlanden en daarna in de rest van Europa.

De Grieks-Romeinse invloed blijft, maar in verschillende vormen

Tijdens de Middeleeuwen stond in alles de godsdienst centraal. Tijdens de Renaissance vonden de mensen de godsdienst nog wel belangrijk maar er kwam nu ook de mogelijkheid om niet-godsdienstige kunst toe te passen. Kunstenaars kregen oog voor het precies uitbeelden van het menselijk lichaam, voor het perspectief en voor de natuur. Ook gingen ze een eigen stijl ontwikkelen.

De Contra-Reformatie ging gepaard met een verandering in de kunst. Er ontwikkelde zich een aparte kunststijl, de Barok. De macht en de grootheid van de Kerk werd door de overdadigheid benadrukt. De barok is vooral te vinden in katholieke endoor absolute vorsten geregeerde landen. In de Nederlanden bleef de Renaissance veel langer van invloed.

Het Classicisme

Deze ontstond in de tweede helft van de 18e eeuw. Kunstenaars streefden er naar de kunst van de Grieken en Romeinen te evenaren. De classicisten bewonderden vooral de harmonie in de kunst van de klassieke Oudheid. Dit kon met het verstand beredeneerd worden bijvoorbeeld door toepassing van wiskundige berekeningen. Wetten en regels werden toegepast in kunstwerken.

4.4 Wetenschappelijke revolutie

Veranderingen in wetenschappen sinds de Renaisssance

Geleerden in de Middeleeuwen waren geestelijken. Vanaf de Renaissance kwamen er steeds meer onderzoekers die geen geestelijke waren. Net als in de Grieks-Romeinse tijd gingen onderzoekers proeven doen, kijken wat er gebeurde, nadenken over wat ze zagen. Copernicus en Leonardo da Vinci waren daar voorbeelden van.

Zo ontstond er een Wetenschappelijke Revolutie. Kenmerken ervan zijn:

  • Een nieuwe manier van onderzoeken:observeren (waarnemen, kijken wat er gebeurt), experimenteren (proeven doen) en redeneren (nadenken over wat er is gebeurd, conclusies trekken uit observaties en experimenten).
  • Grote veranderingen in het leven van veel mensen. Bijvoorbeeld door de medische wetenschap en ontdekking nieuwe energiebronnen.
  • Met geweld gepaard gaand verzet van de Kerk en aanvankelijk ook van sommige overheden en sommige bevolkingsgroepen.

De onderzoekers wilden hun manier van onderzoek ook toepassen op de natuur. Dit noemen we de empirische methode: waarnemen, ervaren en experimenteren. de Vlaamse arts Vesalius legde zo in zijn boek : Over de bouw van het menselijk lichaam (1534) de basis voor de moderne geneeskunde. Deze zou voortaan steunen op de anatomische ontleding van het menselijk lichaam.

Onderzoekers ondervinden veel tegenstand in de 16e eeuw

Vooral de Kerk trad tegen de onderzoekers op. De twee bekendste slachtoffers zijn Bruno( een aanhanger van Copernicus) en Galilei. Bruno werd zelfs in 1600 terechtgesteld.

Galileo Galilei (Pisa, 15 februari 1564 – 8 januari 1642) was een Italiaanse natuurkundige en filosoof. Hij was hoogleraar in Pisa (1589-1592) en Padua (1592-1610).

Grondlegger van de moderne astronomie

Als een van de eersten die een telescoop gebruikten, en waarschijnlijk de eerste die hem gebruikte voor astronomische waarnemingen, ontdekte gallileiGalilei vier manen van Jupiter. Galilei kan gezien worden als de vader van de moderne astronomie. Op grond van bovenstaande waarnemingen en de theorie van Nikolaus Copernicus kwam Galilei tot de conclusie dat de zon in het midden van ons zonnestelsel staat (de heliocentrische theorie).

Eerder dacht men, op grond van de geschriften van Ptolemeus, dat de aarde in het middelpunt van het gehele universum stond, en dat de zon, de planeten en alle sterren om de aarde heen draaiden. Dit was ook een van de leerstellingen van de Rooms-katholieke Kerk. Na een aantal jaren kwam Galilei dan ook in conflict met de Kerk, alhoewel hij zelf volhield dat zijn werk slechts een zuiver theoretische beschrijving inhield, en niet in conflict was met de godsdienst, die hijzelf ook aanhing. Hij meende juist te laten zien hoe doordacht het door God geschapene in elkaar zat.Toch werd Galilei gedwongen afstand te nemen van zijn ontdekkingen, en werd hij in een kerkelijk proces veroordeeld tot levenslang huisarrest, van 1633 tot 1642.

Pas in 1992, 359 jaar na het proces, sprak paus Johannes Paulus II een excuus uit, waarmee Galilei's naam eindelijk werd gezuiverd en Galilei zelfs werd erkend als gelovig mens.

Niet met iedere wetenschapper liep het slecht af. Isaac Newton (1642-1727) werd door de Engelse koning in de adelstand verheven en kreeg zelfs een standbeeld. Hij stelde de leer van de zwaarte kracht op. De Nederlander van Leeuwenhek (1632-1723) ontwierp goede microscopen. Daardoor ontdekte hij de micro-organismen. Voor de gezondheid van de mens was die ontdekking heel belangrijk. Van Leeuwenhoek werd in 1680 lid van de Royal Society, een beroemde vereniging van geleerden in Engeland.

De Europeanen kregen door hun uitvindingen een voorsprong op de rest van de wereld. Vuurwapens, later stoomschepen en spoorwegen zouden de Europeanen daarbij in de gelegenheid stellen de wereld enkele eeuwen te overheersen.

4.5 Het Ancien Régime gaat in Europa de toon aangeven

De geschiedenis van Frankrijk tussen 1660 en 1789 wordt het Ancien Régime genoemd. Het wordt gekenmerkt door:

  • Absolute macht van de koningen;
  • Een onbeperkte pracht en praal aan het hof;
  • Een driestanden staat..

De Frans taal en literatuurstond in de Europese bovenlaag in de belangstelling. Ook de mode en de kookkunst (dat is nu ook nog het geval).

De vorst en zijn steden breken de macht van de adel

De steden sloten een overeenkomst met de koning om zich te bevrijden van de macht van de adel. De koning kreeg de taak om met geld en militaire steun van de steden een leger uit te rusten. door ook nog een andere krijgstactiek toe te passen slaagde de vorst erin de edelen aan zich te onderwerpen. In de loop van de 14e eeuw veranderde de lappendeken van feodale domeinen in grotere bestuurlijke eenheden, zoals Frankrijk, Engeland, Pruisen en Bourgondië, met een gekroonde edelman aan het hoofd, die beschikte over belastingstromen vanuit de steden.

De vorst verwerft in veel Europese landen absolute macht

In de 15e, 16e en 17e eeuw bouwden de vorsten hun macht steeds verder uit. Dit wordt absolutisme genoemd (autocratie). Het is een regeringsvorm warbij de vorst alle macht in handen heeft. Daarbij heeft hij de overtuiging dat hij door God is aangesteld om zijn onderdanen te besturen. Hij is dus aan niemand verantwoording verschuldigd. Absolute macht dus.

De vorst bouwt zijn macht op twee monopolies

Dat doet hij door:

  • Het belastingmonopolie;
  • Het geweldsmonopolie (zeggenschap over politie en leger).

Dat leidde tot de absolute macht van de Franse koningen Lodewijk XIV, XV en XVI (1660-1789).

Engeland en de Republiek als uitzonderingen

In ons land en Engeland was er geen sprake van een absolutistisch bewind. Daar moesten de vorsten hun macht delen met anderen. In Engeland werd dat via de Magna Charta van 1215 vastgelegd. Na een burgeroorlog in de 17e eeuw in Engeland werden de machten van het parlement verder uitgebreid in de Bill of Rights (1689).

4.6 De Verlichting

De 18e eeuw werd de eeuw van de Verlichting of de Redelijkheid genoemd. De onderzoekers in die tijd worden Verlichters genoemd. Zij vonden dat de samenleving net als de natuur op een redelijke manier (met het verstand) moeten worden opgelost. Daarmee zouden de problemen in de samenleving kunnen worden opgelost. Die visie wordt rationeel optimisme genoemd.

Opkomen voor een menswaardig bestaan

In de Middeleeuwen was het aardse leven en voorbereiding op de dood. De Verlichters, evenals in de Renaissance, vonden belangrijker dat de mensen tijdens hun leven gelukkig waren. Vrijheid op alle gebied vonden zij daarbij het belangrijkste. De Verlichters streden tegen: marteling van gevangenen, godsdienstvervolging, oorlog, heksenverbranding en slavernij.

De verlichters en de godsdienst

God greep niet in de wereld in omdat de wereld beheerst werd door natuurkrachten. Sommigen wisten niet of ze in een God moesten geloven. Zij worden agnosten ( niet-wetenden) genoemd. De mensen moesten leren verdraagzaam te zijn op godsdienstig gebied.

De verlichters en de economie

Adam Smith (1723-1790) schreef het belangrijkste boek An inquiery into the nature and causus of the wealth of nations (1776). Volgens hem moest ieder individu de vrijheid hebben zijn eigenbelang na te streven.

De verlichters en de politiek

De verlichters waren voor volkssoevereiniteit: degenen die macht uitoefenen, ontlenen hun macht aan het volk en niet aan God (Godsoevereiniteit).

Belangrijke Ideeën van drie beroemde Verlichters:

Volgens de Verlichters is de mens van nature goed. Het kwaad was het gevolg van slecht bestuur, van onverdraagzaamheid en van onwetendheid.

Andere culturen respecteren

Door de ontdekking van andere culturen werd de vraag gesteld: Is de eigen kijk op de wereld wel de juiste? Kon men misschien iets van andere culturen leren? Wisten de Europeanen eigenlijk wel altijd wat het beste was? Zo leerde men andere culturen te respecteren.

4.7 De verlichte despoten

Enige vorsten waren in de 18e eeuw al bereid een aantal verlichte ideeën uit te voeren. Zij werden verlichte despoten genoemd. Ze hielden wel alle macht in handen maar hielden bij het besturen meer rekening met de belangen van de bevolking. Verlichters werden aan de hoven uitgenodigd. Enkele verlichte despoten waren: Frederik de Grote van Pruisen, Catherina de Grote van Rusland.

europa 1789

Europa in 1789

4.8 De oorzaken van de Franse Revolutie

Het bestuur van de Franse koningen uit de 18e eeuw is men na de Franse revolutie het Oude Regime gaan noemen.

De kenmerken van het Oude Regime waren:

  • autocratie( alle macht in handen van de koning).
  • ongelijkheid van mensen op politiek, economisch en sociaal gebied. De bevolking was in drie bevolkingslagen verdeeld en werden standen genoemd. De Eerste Stand bestond uit de geestelijkheid. De Tweede Stand uit de adel en de Derde Stand uit de burgers in de steden en boeren. De Eerste en Tweede Stand had een groot aantal voorrechten. Binnen de Eerste en Tweede Stand waren er echter ook grote verschillen.

De voorrechten van de geestelijkheid

  • De Kerk had 10% van het land in bezit, terwijl maar 1% tot de geestelijkheid behoorde.
  • de Kerk hoefde geen belasting te betalen maar wel belasting heffen.

De voorrechten van de adel

  • De adel bezat 20% van het land, terwijl maar 1,5% van de bevolking tot de adel behoorde.
  • De adel hoefde bijna geen belasting te betalen.
  • De hoge edelen kregen de belangrijkste functies in de Kerk (bisschop of abt) en in het bestuur van het land en het leger.

De klachten van de boeren

  • Zij wilden meer grond en eerlijker belastingen. Afschaffing verplichtingen aan de adel. Bij een goede oogst konden ze aan hun verplichtingen voldoen maar bij slechte oogsten bleef er te weinig voor hen over. In 1787 en 1788 was er sprake van een slechte oogst.

De klachten van de stedelijke werklieden

  • 2% van de bevolking werkte in de nijverheid. Ze moesten lang en hard werken en het loon was erg laag. Door de slechte oogsten van 1787 en 1788 stegen, door de schaarste, de broodprijzen waardoor ze deze niet meer konden betalen.

De klachten van de Bourgeoisie

  • De kleine bovenlaag in de steden werd gevormd door de bourgeoisie. Rijke burgers zoals kooplieden, bankiers, doktoren, rechters en advocaten. Zij mochten geen belangrijke functies vervullen in tegenstelling tot de adel. Men kon wel een adellijke titel kopen bij de koning maar deze werd steeds duurder.
  • Men betaalde meer belasting dan de adel en de geestelijkheid.
  • Er was geen vrijheid van meningsuiting en drukpers.
  • Er waren te veel overheidsregels.

Het land werd slecht bestuurd.

  • Door de vele oorlogen had de regering veel schulden.
  • Het ambtenarenapparaat werkte slecht doordat hoge functies konden worden gekocht.
  • De rechtspraak was oneerlijk. Mensen van de Derde Stand werden zwaarder gestraft en de straffen waren veel te zwaar.
  • Vaak nam de koning de verkeerde beslissingen.

4.9 Het verloop van de Franse Revolutie

De Derde Stand komt in verzet

De koning riep de Staten Generaal bijeen om goedkeuring te vragen de belasting voor de edelen te verhogen. De Staten Generaal was een vergadering van de Drie Standen waarbij iedere Stand één stem had. Omdat ook veel geestelijken van adel waren dacht de adel daarmee de verhoging van de belasting tegen te kunnen houden.

Niemand wist precies wat de regels waren dus besliste de koning dat er per Stand werd gestemd. De Derde Stand was het er niet mee eens en riep zichzelf daarom uit tot Nationale Vergadering(Parlement). Daarmee wilden ze laten zien dat zij het Franse volk vertegenwoordigden. Men besloot tot het maken van een grondwet waarin de macht van de koning moest worden beperkt.

De koning geeft toe aan de Nationale Vergadering

Lodewijk XVI verbood de vergadering. De Derde Stand weigerde naar de koning te luisteren en kwam bijeen in een kaatsbaan. Uiteindelijk gaf de koning bevel aan de hoge edelen en de hoge geestelijken om deel te nemen aan de Nationale Vergadering.

De situatie was in Frankrijk nu wel veranderd. Eerst streden de koning en de adel om de macht. Nu was het echter uitgegroeid tot een strijd tussen de Derde Stand en de koning en de Tweede Stand(adel).

Arme Parijzenaars bestormden de Bastille op 14 juli 1789( in Frankrijk sindsdien Nationale feestdag), om zich te kunnen bewapenen tegen de Franse soldaten. Veel edelen vluchtten naar het buitenland. de Parijse bevolking had de Nationale Vergadering gered.

De boeren sloten zich, nadat de Bastille, was gevallen bij de opstand aan. De haat tegen de edelen leidde tot een plundering van de landgoederen. De leden van de Derde Stand slaagden erin de edelen over te halen, in de Nationale Vergadering, afstand te doen van hun voorrechten en de koning werd gedwongen het besluit goed te keuren.

In de nieuwe grondwet ( 1791) werden de volgende besluiten opgenomen:

  • Afschaffing van de voorrechten van edelen en geestelijken;
  • Openstelling van alle ambten in de regering, in de Kerk en het leger voor iedereen;
  • Toestemming aan rijke burgers en rijke boeren om grond te kopen die van de Kerk was afgenomen;
  • Sterke beperking van de macht van de koning;
  • Invoering van een scheiding der machten naar de ideeën van Montesquieu;
  • Invoering van een beperkt kiesrecht dat de macht vooral in handen van de gegoede burgerij (de bourgeoisie) legde.

Al in 1789 had de Nationale Vergadering in een Verklaring van de Rechten van de mens en de burger de ideeën van de Verlichting vast gelegd.

Radicalen verslaan hun vijanden

Lodewijk de XVI probeerde met zijn gezin te vluchten. Hij rekende daarbij op buitenlandse steun. Tijdens zijn vluchtpoging werd de koninklijke familie gevangen genomen.

robespierre

In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Pruisen kwam Oostenrijk te hulp. Hun troepen vielen Frankrijk binnen. De inval kostte Lodewijk XVI en Marie Antoinette de troon en het leven. In september 1792 werd Frankrijk een republiek. In januari 1793 werd Lodewijk XVI door het parlement beschuldigd van landverraad en werd hij ter dood veroordeeld. De leider van de radicalen was Robespierre.

De strijd tussen gematigde revolutionairen en de radicalen werd in 1793 beslist. De radicalen, onder leiding van Robespierre, kregen de steun van de arme Parijse bevolking die in1793 het parlementsgebouw omsingelden en 29 gematigden arresteerden en 21 terecht lieten stellen. De radicalen hadden nu de meerderheid in de Nationale Vergadering.

De radicalen kregen de steun van het grootste deel van de Fransen niet alleen door de Terreur maar ook door een goede organisatie van het bestuur en het leger.

  • Er werd in Frankrijk op toegezien dat de bevelen van de regering werden uitgevoerd.
  • De militaire dienstplicht werd ingevoerd waardoor het Franse leger groter werd dan dat van de tegenstanders.
  • Het Franse leger werd beter georganiseerd. Officier werd men alleen als men bekwaam was.

Wie het niet eens was met de radicalen werd terechtgesteld. Kans om zich te verdedigen was er nauwelijks . Zo werden 13.216 mensen tot de guillotine veroordeeld en 22.000 mensen zonder enige vorm van rechtsspraak ter dood gebracht. Deze periode van massale executies wordt de Terreur genoemd.

Veel gematigden , maar ook veel radicalen vonden dat er een einde moest komen aan de Terreur.

Het Parlement slaagde erin Robespierre en zijn aanhangers buiten de wet te stellen. Zij ondergingen toen ook het lot van de terechtstelling onder de guillotine.

Napoleon wordt de nieuwe heerser van Frankrijk

In de jaren 1795 - 1799 had de regering veel problemen:

  • Buitenlandse vijanden bleven oorlog voeren.
  • De nieuwe bestuurders dachten vaak aan wat goed was voor henzelf dan aan wat goed was voor Frankrijk.
  • De Franse adel probeerde met geweld de regering omver te werpen.

De opstand van de adel werd neergeslagen door troepen onder leiding van Napoleon Bonaparte. In 1799 besloot hij, gesteund door zijn troepen, zelf de macht in handen te nemen: er kwam nu een bestuur van één man. (autocratie dus)

Hij voerde een nieuwe wetgeving in de Code Napoléon. Belangrijke punten uit die wetgeving waren:

  • Iedereen was gelijk voor de wet.
  • mensen mochten niet meer gevangen worden genomen zonder dat er rechtspraak op volgde.
  • rechtszaak moest openbaar zijn.
  • beschuldigde mocht zich laten verdedigen door een advocaat en mocht getuigen ter verdediging meebrengen.
  • het vonnis, schuldig of onschuldig, werd uitgesproken door een jury van burgers.

4.10 Overzeese expansie van Europeanen

Wereldwijde handelscontacten leiden tot begin wereldeconomie

De Spanjaarden gingen in Amerika anders te werk dan de Portugezen in Azië. Zij stchtten geen factorijen maar een kolonie waar landgenoten zich konden vestigen. Ook de Portugezen stichtten in Amerika een kolonie, het latere Brazilië.

Zo ontstonden twee grote koloniën in Midden- en Zuid-Amerika. De Indianen werden verdreven omdat de Europeanen veel sterker waren omdat ze paarden en vuurwapens hadden.

Het belangrijkste voor de kolonisten waren de zilvermijnen. Maar er was ook veel grond en de Europeanen gingen in het binnenland aan veeteelt doen. In de kustprovincies werden grote plantages (landbouwbedrijven) aangelegd. Daar werden suiker, en later koffie en tabak verbouwd.

Gevolgen van de ontdekkingen

  • Verspreiding van mensen over de hele wereld onder blanke leiding. Miljoenen Afrikanen werden als slaven naar Amerika gevoerd en miljoenen Aziaten, op zoek naar werk, trokken naar de Europese koloniën in Afrika en Amerika.
  • Miljoenen sterven door ziektes en geweld. Door de onderlinge contacten bracht men nieuwe ziekten op elkaar over. Vooral Indianen werden getroffen door malaria, gele koorts, waterpokken en mazelen waardoor miljoenen stierven. Ook veel Afrikanen kwamen tijdens het slaventransport om. Maar ook van de Europeanen overleden er velen.
  • Uitwisseling van producten en begin van een wereldeconomie. Uit Amerika kwam de aardappel(zou in West Europa het belangrijkste voedingsmiddel worden), katoen, tabak, maïs, ananas, tomaten aardnoten en maniok. Maniok, een soort wortel, werd in Afrika een belangrijk voedingsmiddel. De West- Europeanen brachten naar Amerika: paarden,koeien, schapen, varkens, kippen, tarwe, suikerriet, koffie,olijven, sinasappelen, bananen, citroenen en wijnstokken. En niet te vergeten slaven uit Afrika. Uit Azië kwamen specerijen en zijde.
  • In West-Europa neemt handel in producten uit de koloniën toe. In de 17e eeuw was de handel nog niet groot tussen de werelddelen. Er waren weinig schepen en ze waren klein. Daarbij kwam ook nog dat de nieuwe producten alleen door de rijke bovenlaag konden worden betaald. In de 18e eeuw kwam daar langzaam verandering in omdat men in Europa steeds meer producten als koffie, thee, cacao, tabak en vooral suiker ging gebruiken. Steeds meer mensen konden door de toenemende welvaart deze producten kopen.

Plantagekoloniën worden gesticht in Amerika

Grote groepen mensen vertrokken om daar te gaan wonen. De Indianen werden verdreven , gedood of gevangen genomen. de Europeanen waren sterker, doordat zij vuurwapens en paarden hadden. Het belangrijkste waren de zilvermijnen. Maar er was daar ook veel grond. Europeanen gingen aan veeteelt doen en in de kustprovincies werden plantages ( landbouwbedrijven)opgericht. Er werd katoen, suiker, tabak en koffie verbouwd. Naast Spanjaarden en Portugezen hadden ook Engelsen, Fransen en Hollanders plantages aangelegd in het Caribische gebied. De Nederlanders in Suriname vooral plantages ( koffie, tabak en suikerriet). In het Zuid-Oosten van Noord-Amerika legde de Engelsen kolonisten plantages aan. In Azië zouden vooral Europeanen vanaf de 19e eeuw plantages gaan aanleggen.

Ontstaan van handelskapitalisme

Er ontstond een nieuwe vorm van economie: kapitalisme. Onder kapitalisme verstaan we een economie waarbij de grond en de bedrijven eigendom zijn van ondernemers die met hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken.

De belangrijkste kenmerken van het kapitalisme zijn:

  • De arbeider werkt in opdracht van een werkgever. deze is daarbij niet aanwezig. dat wordt een scheiding tussen kapitaal en arbeid genoemd.
  • De werkgever is een zakenman die het kapitaal heeft om grondstoffen, werktuigen, vervoermiddelen en lonen te kunnen betalen.
  • De meeste bedrijven zijn in handen van particulieren.
  • De werkgevers proberen zoveel mogelijk winst te maken.

Onder handelskapitalisme verstaan we de eerste vorm van kapitalisme, waarbij de winst door middel van de handel gemaakt wordt. De werkgevers waren voornamelijk kooplieden die via huisnijverheid producten lieten maken. Dit handelskapitalisme ontstond in de Late Middeleeuwen rond 1400.

 Zie verder hoofdstuk 5 SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 5