We hebben 107 gasten online

SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 14 Deel B

Gepost in Tweede Fase 4e druk

Wat verandert er door de kolonisatie?

early civalisations

Vanaf het einde van de 15e de eeuw trokken Europse ontdekkingsreizigers de wereld in. Spoedig daarop gingen ze over tot het vestigen van factorijen en koloniën.

Veranderingen op economisch gebied

Het veroveren en besturen van de koloniën kostte de Europese regeringen veel geld. De kosten zouden er alleen uitkomen als het Europese bedrijfsleven in de koloniën goed zaken kon doen. Vanaf het einde van de 19e eeuw werden spoorlijnen aangelegd van de kust naar het binnenland, waar exportgewassen het goed deden en waar mineralen werden gevonden. In de 20e eeuw erden ook wegen en vliegvelden aangelegd.

Uitwisseling van producten

De Europse regeringen hanteerden de regel dat koloniën geen geld mochte kosten, maar geld moesten opbrengen. Omdat men in Afrika vooral een zelfvoorzieningseconomie had, viel er voor een koloniale regering weinig te halen. Pas als Afrika deel zou gaan uitmaken van de wereldeconomie, zou een gunstiger situatie ontstaan. Doorom stimuleerden men de uitwisseling van producten. Men voerde daarom in de koloniën nieuwe landbouwgewassen en dieren in. In Amerika bijvoorbeeld werden paarden, koeien, schapen, geiten en varkens ingevoerd. Belangrijke landbouwgewassen die de Europeanen in Amerika invoerden waren koffie, suijkerriet en tarwe. Uit Amerika brachten de Europeanen gewassen naar de koloniën in Afrika en Azië: cassave, maïs, bananen, tabak, cacao en rubberbomen. Men spoorde de Afrikanen aan om landbuwgewassen te verbouwen zoals katoen, cacao, koffie, thee, tabak en rijst.

Ontstaan van delfstoffenindustrie

De Europeanen breiden de goud- en zilvermijnen verder uit. Men vond ook waardevolle delfstoffen als steenkool, koper, olie en uranium.

Verplicht werken voor de koloniale overheerser. Men werd gedwongen te werken voor de koloniale overheid of voor Europese bedrijven:

  • Zonder betaling werden mannen verplicht een aantal dagen per jaar te werken voor de overheid;

  • Boeren werden verplicht meer te verbouwen dan men nodig had of om een bepaald product te verbouwen;

  • Belastingbetaling werd ingevoerd en men kon alleen aan geld daarvoor komen door voor de Europeanen te werken.

Veranderingen op sociaal gebied

Door de activiteiten van de Europeanen werden de bestaande steden groter en groeiden sommige dorpen uit tot steden. Er ontstonden grote verschillen tussen de zaken- en woonwijken van de Europeanen en de wijken waar de inheemse bevolking woonde.

De samenstelling van de bevolking verandert vooral in Amerika

  • Van de oorspronkelijke bewoners, de Indianen, overleefden het maar weinigen. Dat kwam vooral door uit Europa overgebrachte besmettelijke ziekten zoals pokken,tyfus, mazelen en de griep.

  • Ook oorlogen en slechte behandelingen van de Indianen droegen er aan bij.

  • Miljoenen Afrikaanse slavenarbeiders werden op de plantages te werk gesteld.

  • Miljoenen Europeanen trokken naar Amerika.

  • Ook contractarbeiders werden er te werk gesteld op Plantages.

  • Er vond ook een vermenging plaats tussen de verschillende bevolkingsgroepen in de loop van de tijd.

In Afrika vestigden zich in het algemeen weinig blanken. Een duidelijke uitzondering was - naast Rhodesië - vooral Zuid-Afrika.

Veranderingen op godsdienstig en ander gebied

Verbreiding van het christelijk geloof

Duizenden priesters gingen in de 16e eeuw naar Spaans- Amerika om de Indianen tot het christendom te bekeren. De meeste Indianen werden tot Spaanse onderdanen verklaard als zij christen werden. De meeste deden dat.

Het grootste deel van Afrika werd pas in de 19e eeuw gekoloniseerd. Vanaf die tijd trokken grote aantal missionarissen en zendelingen naar Afrika om er het christendom te brengen. Ze stichtten ook veel scholen en ziekenhuizen.

Het christendom had echter bij de Afrikanen minder succes dan de Islam. Daar zijn de volgende oorzaken voor te noemen:

  • De christelijke kerken keurden veel Afrikaanse gebruiken af zoals bijvoorbeeld polygamie en het afschrikken van boze geesten;
  • De moslims probeerden altijd eerst de rijke en belangrijkste mensen te bekeren;
  • In kerken werden christelijke en Afrikaanse gebruiken met elkaar vermengd.
  • Afrikaanse godsdiensten evrschilden van plaats tot plaats

In Azië hadden de missionarissen en zendelingen heel weinig succes. Oorzaken daarvan waren:

  • Net als de Europeanen vonden de Aziaten hun eigen cultuur beter dan die van anderen;
  • Evenals het christendom hadden de Aziatische godsdiensten miljoenen aanhangers, heilige geschriften en een goede organisatie.

Uiteenlopende reacties op de westerse cultuur

Sommigen pasten zich aan maar anderen hielden meer vast aan de eigen cultuur of probeerden het te combineren. Er waren ook duidelijke tegenstanders van de westerse cultuur.

Veranderingen op politiek gebied

De indianen raakten alle macht kwijt en verloren overal hun politieke zelfstandigheid. Zij werden tweederangs burgers in hun eigen land. Alleen in het dun bevolkte en moeilijk toegankelijke Amozonegebied werden de Indianen tot aan het eind van de 19e eeuw niet gestoord.

Eerst alleen factorijen in Afrika en Azië

In Afrika en Azië gingen de Europeanen anders te werk. In de eerste twee eeuwen van het kolonialisme ( 16e en 17e eeuw) vestigden zij alleen factorijen aan de kust. Een factorij was een handelspost die bestond uit een haven, enkele pakhuizen en woningen voor de Europese kooplieden. In Afrika behoorde er ook een fort bij, om de factorij te beschermen tegen Europeanen uit andere landen en om de slaven voorafgaande aan het vervoer naar Amerika gevangen te houden.

Deze factorijen werden gestocht met toestemming van Afrikaanse heersers. Die profiteerden zelf ook van de handel. Ook tegen de slavenhandel hadden de meeste Afrikaanse heersers geen bezwaar. Een uitzondering was de koning van Congo.

Ook in Azië gaven de meeste heersers toestemming voor het stichtten van factorijen. Zij konden de steun van de Europeanen goed gebruiken met conflicten met naburige vorstendommen.

Volkeren worden direct of indirect door Europeanen bestuurd

Pas aan het einde van de 19e eeuw werden bijna heel Afrika en een groot deel van Azië tot kolonie van de Europese landen gemaakt. In sommige koloniën regelden de Europese machthebbers het bestuur helemaal zelf. Dit wordt direct bestuur genoemd. De Franse koloniën hadden direct bestuur. De Franse regering benoemdde voor elke kolonie een gouverneur en een groot aantal ambtenaren. De Fransen benoemden ook uinheemsen tot ambtenaar en deze kwamen niet uit de families van vroegere inheemse heersers. Ook het Portugese en Belgische bestuur werkten via het direct bestuur.

De Britten en de Nederlanders kozen voor het systeem van indirect bestuur. Een klein aantal Europese ambtenaren hield onopvallend toezicht op de inheemse heersers. Dit systeem had voor de koloniale heersrers grote voordelen:

  • het was goedkoop;

  • de bevolking kwam minder snel in opstand.

De Fransen zagen hun koloniaal bezit als deel van Frankrijk en gingen uit van een blijvende band tussen koloniën en Moederland. De Britten handelden in de overtuiging dat de koloniën eens onafhankelijk zouden worden.

3) Waarom wordt de dekolonisatie bevorderd.?

In elke kolonie leefden meestal verschillende volken, elk met hun eigen cultuur. Vaak stonden aanhangers van verschillende godsdiensten fel tegenover elkaar. Ook werden er verschillende talen gesproken en elk volk had een eigen geschiedenis. Pas door het kolonialisme kregen de mensen in een kolonie een gemeenschappelijk verleden. Er ontstonden in veel koloniën kleine nationalistische bewegingen. Deze wilden op korte termijn dekolonisatie (het onafhankelijk worden van een kolonie). In de 20e eeuw groeide hun aanhang.De volgende omstandigheden droegen daaraan bij:

  • Omstandigheden van binnenuit

Onderwijs in West-Europese geschiedenis en staatsinrichtingDoor dit onderwijs leerden zij begrippen kennen als democratie, vrijheid, gelijkheid, nationalisme. Indonesiërs leerden bijvoorbeeld over de vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden.Onderwijs in de eigen cultuurMen kreeg in veel koloniën onderwijs van de missie en zending. Het onderwijs in de eigen cultuur droeg bij tot de ontwikkeling van nationale gevoelens.Onderdrukking door de koloniale overheerserMin of meer werd een godsdienst opgedrongen. Men werd verplicht bepaalde gewassen te verbouwen of arbeid te verrichten. Deze dwang en onderdrukking droegen bij een het verlangen naar de vrijheid zichzelf te besturen.

Ongelijkwaardige behandeling

In de nieuwe steden die ontstonden, ontstonden nieuwe bevolkingsgroepen die westers geschoold waren. Maar ze werden door de blanken als ondergeschikt behandeld. Dat droeg bij aan het verlangen naar de vrijheid om zichzelf te besturen.

  • Omstandigheden van buitenaf

De Tweede Wereldoorlog

De nationalisten merkten dat de Europeanen niet zo sterk waren als zij dachten. Ook bleken de Europeanen hulp van de koloniën nodig te hebben (grondstoffen en manschappen).

Verschuiving van de machtscentra in de wereld

Voor de Tweede Wereldoorlog werd de politiek in de wereld voornamelijk bepaald door West-Europa, vooral door Groot- Brittannië en Frankrijk. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit overgenomen door de Verenigde Staten en de Sovjet Unie. Deze landen waren beide tegen het West-Europese kolonialisme(imperialisme). Ook in de na de Tweede Wereldoorlog opgerichte Verenigde Naties waren de meeste landen vóór dekolonisatie.

Stimulerende voorbeelden van dekolonisatie in Azië en Afrika

In Brits-Indië behaalde Ghandi, met zijn 'kruistocht' van geweldloos verzet veel succes. India werd in 1947 onafhankelijk. In Indonesië riepen Soekarno en Hatta in 1945 de onafhankelijkheid uit. Nederland probeerde dit met geweld te verhinderen, maar moest zich in 1949 terugtrekken.

In Indo-China trokken de Fransen zich na een nederlaag in 1954 in Dien Bien Phoe (vlakte der Kruiken) terug uit Zuid-Oost Azië.

In Ghana (goudkust) leidde Kwame Nkroemah het land in 1957 naar de onafhankelijkheid.

Groeiend inzicht dat het koloniale tijdperk ten einde liep

Door de hiervoor genoemde ontwikkelingen kwamen Groot Brittannië, Frankrijk en België tot het inzicht dat het koloniale tijdperk ten einde liep. Portugal probeerde zijn Afrikaanse koloniën nog te behouden door oorlog te voeren. Frankrijk deed dat ook nog tevergeefs in Algerije.

4) Kolonisatie en dekolonisatie van Latijns -Amerika

Spanjaarden onderwerpen Indiaanse volken en stichten Spaans-Amerika

In de eerste vijftig jaar na de ontdekking van Amerika veroverden de Spanjaarden bijna alle gebieden waar veel indianen woonden, van Californië en Florida in het noorden tot Chili in het zuiden: de snelle verovering kan verklaard worden door de volgende factoren:

  • De indianen werden door epidemieën getroffen;

  • De Spanjaarden hadden wapens, paarden, en honden die de Indianen vrees aanjoegen;

  • De Spanjaarden maakten handig gebruik van de verdeeldheid onder de Indianen.

Vanaf het begin was er onder de Spanjaarden een tegenstelling omtrent het doel van de veroveringen. De Spaanse veroveraars wilden roem verwerven en snel rijk worden, terwijl de Spaanse konigen hun eigen macht en rijkdom wilden vergroten en het christendom wilden verspreiden.

Om hun doel te bereiken troffen de Spanjaarden de volgende maatregelen:

  • Spaans-Amerika werd bestuurd door de Raad van Indië vanuit Madrid;

  • Spaans-Amerika werd verdeeld in twee ( later meer) onderkoninkrijken en die weer in kapitein-generaalschappen;

  • De handel werd streng gereglementeerd. Spaans-Amerika mocht alleen handel drijven op een wijze die gunstig was voor Spanje. Om controle makkelijker te maken mochten slechts twee havens in Amerika voor in- en uitvoer worden gebruikt en één in Spanje (Sevilla);

  • Duizenden priesters werden naar Amerika gestuurd om de Indianen te bekeren en hun het Spaans te leren.

  • Men kreeg opdracht om zoveel mogelijk steden te stichten. Daardoor werd de basis gelegd voor de sterke tegenstelling tussen stad en platteland.

Portugezen vestigen zich in Brazilië

In 1494, twee jaar na de ontdekking van Amerika, sloten Spanje en Portugal het verdrag van Tordesillas, waarbij ze de wereld buiten Europa verdeelden in een Spaanse en Portugese helft. De scheidslijn liep dwars door de Atlantische Oceaan van noord naar zuid, wat ten westen daarvan lag, zou Spaans gebied zijn. In 1500 nam de Portuese scheepskapitein Cabral een deel van de kust van Brazilië voor de koning van Portugal in bezit. De Portugezen trokken niet het binnenland in want daar waren geen rijke culturen te vinden. Daardoor en door de dunne bevolking ontwikkelde Brazilië zich anders dan Spaans-Amerika:

  • De Portugese regering bemoeide zich weinig met Brazilië;

  • In Brazilië vormden niet de steden maar de plantages de kern van de maatschappij.

Afrikanen vervangen Indianen als werkkrachten in Latijs-Amerika

bestemming slaven

Omdat er niet genoeg Indiaanse werkkrachten waren, besloten de Europeanen Afrikanen nederlandse slavenhandelals werkslaven naar Amerika te brengen. Ook de Nederlanders deden hieraan mee. In 1621 veroverde de West-Indische Compagnie Noordoost-Brazilië op de Portugezen. Onder Johan van Maurits slaaagden zij erin een plantagekolonie tot bloei te brengen. Maar in de tweede helft van de 17e eeuw heroverden de Portugezen de Nederlandse kolonie. De Nederlanders gingen zich vanaf die tijd richten op Guyana, waarvan Suriname een deel vormde. Suriname werd een plantagekolonie en Curacau werd een belangerijke slavenmarkt. Ook andere West-Europese staten vestigden plantagekolonies in het Caribische gebied. Omstreeks 1750 leefden ongeveer 50.000 Afrikanen in Latijns-Amerika. Een eeuw later was dat ongeveer een miljoen. Met de Afrikaanse cultuur liep het in sommige opzichten nog slechter af dan met de Indiaanse.

In Latijns Amerika ontstaat een zeer gemengde bevolking

Er was een strenge scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Er werd onderscheid gemaakt tussen 'echte' Europeanen en in Amerika geboren blanken. Deze laatsten werden in Spaans- en Portugees-Amerika creolen genoemd. Door huwelijken kreeg de Latijns-Amerika een zeer gemengde bevolking. Nakomelingen van Europees-Indiaanse ouders werden Mestiezen genoemd, nakomelingen van Europees-Afrikaanse ouders mulatten. De afkomst bepaalde voor de meeste mensen tot welke laag men behoorde. De volgende lagen waren te onderscheiden:

  • In Europa geboren blanken vormden de bovenlang;

  • Creolen vormden de middenlaag;

  • De indianen vormden met een kleine groep blanken de derde laag. denk aan boeren en ambachtslieden;

  • De Afrikaanse slaven vormden de benedenlaag. Ze werden niet als burgers erkend en hadden geen rechten.

De positie van de mestiezen en mulatten hing af van het feit of ze door een blanke vader al of niet wettig werden erkend.

zuid amerika 1780

Een Indiaanse en een Afrikaanse opstand

Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw kwamen herhaaldelijk opstanden voor. In 1780 bijvoorbeeld kwamen Indianen in Peru in opstand tegen het plaatselijke Spaanse gezag. Maar het Spaanse leger bleek te sterk. Tupac-Amaru werd gearresteerd en wreed terechtgesteld.

Meer succes hadden de Afrikaanse slaven op het Franse deel van het eiland Hispaniola. Na een bloedige burgeroorlog wonnen de slaven. Zij stichtten in 1804 de eerste onafhankelijke staat in Latijns-Amerika.

Creolen maken einde aan de Spaans-Porugese overheersing

De creolen in Latijns-Amerika voelden zich de gelijke van de Europeanen en hadden daarom bezwaar gemaakt tegen hun achterstelling. In de denkbeelden van de Verlichting en de uitwerking daarvan in de Amerikaanse en Franse revolutie zagen zij een voorbeeld. In 1810 braken in een aantal Spaans-Amerikaanse steden opstanden uit. In het begin verliepen die chaotisch maar op den duur wisten creoolse leiders als Simon Bolivar en José de San Martin veel aanhang te verkrijgen. In het begin van de 19e eeuw was het grootste deel van Spaans-Amerika bevrijd van de koloniale overheersing.

Het voormalige Spaans-Amerika verenigde zich niet in en statenbond zoals de VS, maar viel uiteen in zeventien zelfstandige republieken. De oorzaak hiervan lag in het koloniale verleden en de structuur die de Spanjaarden hadden opgelegd. Pogingen van Simon Bolivar om tot grotere eenheid te komen mislukten.

Brazilië maakte zich bijna zonder strijd los van Portugal. Braziliaanse creolen eisten in 1822 de onafhankelijkheid. De regent stelde zich achter deze eisen en werd keizer van Brazilië. In 1889 maakten militairen zonder bloedvergieten een einde aan de monarchie en verklaarden Brazilië tot republiek.

Autocratisch koloniaal bestuur wordt na de onafhankelijkheid vervangen door een slecht werkende democratie.

Verkiezingen gingen gepaard met fraude en geweld. Presidenten trokken zich van de grondwet weinig of niets aan en regeerden als dictator (caudillo genoemd). Plaatselijke machthebbers verzamelden een bende gewapende aanhangers en deden in de hoofdstad een greep naar de macht. Als oorzaken van dit slecht functioneren van het democratische systeem kunnen worden genoemd:

  • Ervaring in de democratie ontbrak;

  • Tijdens de onafhankelijksoorlogen haddwen militairen grote invloed op de politiek gekregen en dat wilden ze niet afstaan;

  • De grote massa van het volk was arm en analfabeet en leefde in een 'andere wereld'.

Zie vooor Deel C SV Tweede Fase Havo: SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 14 Deel C