We hebben 104 gasten online

SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 15 Deel A

Gepost in Tweede Fase 4e druk

Hoofdstuk 15 De opkomst van Azië Deel A:

1) China en het Westen

De Mandsjoes, die vanaf 1644 over China regeerden, onderhielden zeer weinig betrekkingen met het buitenland. Een uitzondering was Rusland. De westerse staten werden evenals de buurlanden als ondergeschikt beschouwd.

Manchurian empire

De Opiumoorlog

Uit Brits-Indië werd opium door Britse handelaren naar China vervoerd. Doordat veel Chinese ambtenaren omkoopbaar bleken, bleef de illegale opiumhandel sterk groeien. Twee miljoen Chinezen waren verslaafd.

De Chineze regering liet in 1839 alle Britse opiumvoorraden in Kanton (Gangzou) verbranden. De Britten stuurden daarop een vloot en een leger. De Chinezen waren geen partij voor de goed bewapende Britten. De Opiumoorlog duurde van 1839-1842 en was voor de Britten slechts een aanleiding geweest om in te grijpen. De ware reden was dat China de grenzen open moest stellen voor de handel.

De Chineze regering werd in een verdrag gedwongen:

  • het hele eiland Hongkong af te staan aan de Britten;

  • vijf andere havens, waaronder katon en Sjanghai open te stellen als verdragshavens voor Britse kooplieden;

  • toe te staan dat de Britse kooplieden niet onder Chinees bestuur en Chinese rechtspraak zouden vallen.

Kort daarop sloten de VS en Frankrijk dergerlijke verdragen met China. De verdragen werden in China 'ongelijke verdragen' genoemd, omdat ze veel gunstiger waren voor de westerse mogendheden.

Reacties in China

Halverwege de 19e eeuw verzwakte de macht van de centrale regering sterk. De regering slaagde er niet in het opdringen van het Westen tegen te houden. Op deze situatie werd op verschillende manieren gereageerd.

Volksbewegingen komen in opstand

Er ontstonden volksbewegingen die het Mantsjoe-bewind omver willen werpen of de westerlingen met geweld wilden verdrijven of beide.

Hervormingspogingen in regeringskringen

In regeringskringen zagen sommigen in dat China gemoderniseerd zou moeten worden naar Westers voorbeeld. De regering volgde deze raad ten dele: leger en vloot werden enigszins gemoderniseerd, er werden enkele wapenfabrieken en scheepswerven gebouwd. Maar deze 'Zelfversterking' gebeurde op kleine schaal.

In 1895 bleek China ook niet opgewassen tegen Japan, dat zich wel had gemoderniseerd naar westers voorbeeld. In een oorlog met Korea werd China verpletterend verslagen. Omdat de 'Zelfversterking' onvoldende was geweest liet de jonge keizer tijdens de 'Periode van Honderd Dagen', allerlei hervormingen naar westers voorbeeld afkondigen, onder andere op het terrein van de landbouw, industrie, leger, onderwijs en bestuur. De tegenstanders van de hervormingen verenigden zich onder leiding van de keizerin-weduwe CiXi ( Tse-sji). Na een staatsgreep werd de keizer zwakzinnig verklaard en gevangen gezet. De hervormingen gingen niet door.

De Bokseropstand

Keizerin CiXi en haar medestanders wilden ook de invloed van de westerse mogendheden teniet doen. Daartoe maakten zij gebruik van de Bokseropstand. (De Boksers waren leden van een religieuze sekte die in opstand kwamen tegen de regering maar ook China vrijmaken van alle vreemde invloeden). De Boksers werden echter verslagen door een internationaal leger, waaraan militairen van acht meest westerse landen deelnamen. De Chineze regering zag nu in dat modernisering nodig was. De ingrijpendste hervormng was die van het onderwijs.

De revolutie van 1911

De hervormingen zouden echter onvoldoende blijken om de Mandsjoe-dynastie van de ondergang te redden. Jonge intellectuelen met westerse denkbeelden vonden de hervormingen onvoldoende. Zij waren tegelijk nationalisten en revolutionairen. Hun leider werd Sun Yatsun (Soen Yat-sen) die in Hawai en Honkong had gestudeerd. Zijn idealen vatte hij samen in de drie volksbegeinselen: nationalisme, democratie en volkswelvaart. Zijn aanhangers vormden maar een klein deel van de bevolking, dat vooral in de kuststreken was te vinden.

chinese revolutie 1911

Onverwacht voor iedereen brak in 1911 de revolutie uit. In de provincie Sichuan ( Szetsjwan) ontstond een oproer, toen de regering de spoorwegen wilde nationaliseren. De opstandelingen kregen krachtige tegenstand van het noordelijke Mandsjoe-leger onder leiding van generaal Yuan Shikai. Deze ging onderhandelen met zowel de opstandelingen als de mandsjoes.

China werd in 1912 een republiek. Van de idealen van Sun Yatsen kwam echter weinig terecht. President Yuan Shikai regeerde als een militaire dictator. Sun Yatsen vluchtte naar japan. Het bestuur van de provincies droeg Yuan Shikai over aan militaire gouverneurs, warlords genoemd, die zich meestal weinig van de centrale regering aantrokken.

Nationalisten en communisten proberen de macht te veroveren

In 1912 hadden verschillende revolutionaire groeperingen zich aaneengesloten in een nieuwe politieke partij, de voorloper van de latere Guomindang ( Kwo-Min-Tang, KMT), gebaseerd op de drie door Sun Yatsen geformuleerde volksbeginselen en geleid door hem. De naam Guomindang (GMD) betekent Nationale Volkspartij.

Na de Russische Oktoberrevolutie van 1917 kregen intellectuelen belangstelling voor het marxisme. Een klein aantal van hen stichtte in 1921 de Chinese Communistische Partij (CCP). Beide partijen vonden hun aanhang vooral in de grote steden, de GMD vooral bij intelelctuelen, ondernemers en handelaars, de CCP vooral bij intellectuelen en arbeiders.

In 1916 keerde Sun Yatsen terug naar China. Het jaar daarop riep de GMD in Kanton een tegenregering uit. De westerse mogendheden erkenden echter de centrale regering in Beijng (generaal Yuan Shikai en zijn opvolgers) als de wettige regering van China. Alleen de Sovjet-Unie erkende de GMD-regering en gaf haar militiare steun. Ook zorgde de Sovjet-Unie ervoor dat de Chineze communisten met de nationalisten gingen samenwerken( eerste Verenigde Front).

Toen Sun Yatsen in 1925 stierf, beheerste de GMD alleen Kanton en omgeving. Meer succes had Sun Yatsens opvolger, generaal Chiang Kaisjek ( Tsjang Kai-sjek). Vanaf 1926 veroverde hij met behulp van de communisten een groot deel van China.

Omdat Chiang Kaisjek vond dat de communisten teveel invloed kregen begon hij in april 1927 een actie tegen de communisten in Sjanghai, waarbij duizenden omkwamen. De communisten vluchtten naar de nog niet door de GMD beheerste gebieden vooral naar Jiangxi (Kiangsi). In 1928 nam Chiang Kaisjek Bijing in. Alle warlords waren verslagen of tot onderwerping overgehaald.

China wordt communistisch.

In de bergstreken van Jiangxi, bouwden de communisten guerillabasis op en stichtten er in 1931 een communistische republiek.. In 1934 werden zij uit het gebied verdreven. Opnieuw vluchtten de communsiten, nu naar de provincie Shaanxi (Sjensi). Tijdens deze Lange Mars kwamen veel communisten om het leven.

lange mars

De communisten gingen zich vooral op het platteland richten. Zij richtten het Rode leger op dat grotendeels bestond uit boeren. Dat leger werd geschoold in het marxisme. Een van de voornaamste doelen van de revolutie zou zijn de herverdeling van de grond. Met behulp van het Rode Leger werden rijke boeren gedwongen hun land af te staan aan de arme boeren. Vanaf 1935 was Mao Zedong (Mao Tse-toeng) de absolute leider van de communisten.

Intussen had Japan China aangevallen en werd Chiang Kaisjek in 1936 gedwongen (door enkele van zijn generaals) de strijd tegen de communsten te staken en samen met de communsten een Tweede Verenigd Front te vormen tegen Japan.

burgeroorlog

Na de Japanse nederlaag brak er in 1946 een volledige burgeroorlog uit. In enkele jaren veroverde het Rode Leger, onder leiding van Lin Biao, het hele vastyeland van China. Op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong in Beijing de Volksrepubliek Chinna uit. Chiang Kaisjek vluchtte naar het eiland Taiwan en met steun van de Amerikanen richtte hij daar nationalistisch China op.

2) Japan en het Westen

Japan wordt bijna volledig van het buitenland afgesloten

In de 16e eeuw waren in Japan Portugese en Spaanse kooplieden en missionarissen aangekomen. Omdat honderduizenden tot het katholieke geloof werden bekeerd en omdat de Portugezen vuurwapens hadden voelden de sjogoen zich bedreigd. Daarom werden alle Portugezen en Spaanse kooplieden en missionarissen het land uitgezet en Japanse christenen werden vervolgd. De sjogoen kreeg daarbij hulp van Hollanders, die hierin een goede mogelijkheid zagen hun Portugese en Spaanse handelsconcurrenten kwijt te raken. De Hollanders ging het alleen om de handel.

Chinezen en Hollanders kregen als enige buitenlanders - op beperkte schaal en onder streng toezicht - het recht om met Japan handel te drijven. Ze pasten zich daar aan de Japanse cultuur aan. Ruim twee eeuwen, van 1639 tot 1854, bleef Japan een bijna gesloten land.

De openstelling leidt tot het herstel van de keizerlijke macht

In de eerste helft van de negentiende eeuw drongen Engeland, Frankrijk, Rusland en de VS aan op openstelling van Japan. Het nieuws van de Chinese nederlaag in de Opiumoorlog vergrootte het Japanse verzet tegen de openstelling. De VS besloot de zaak te forceren. Twee zeil- en twee stoomschepen van de Amerikaanse marine voeren naar Japan. Op 14 juli 1853 voeren de schepen de verboden baai van de stad Edo binnen. Grote verbazing wekten de in Japan onbekende stoomschepen. De Sjogoen begreep dat zijn land militiar te zwak was om de buitenlanders tegen te houden.

tokugawa

In 1854 werd een verdrag gesloten met de VS, spoedig gevolgd door verdragen met Engeland, Frankrijk, Rusland en Nederland. Afgesproken werd:

- enkele havens toegankelijk werden voor buitenlanders;

- handel in alle producten en grondstoffen, tegen lage invoerrechten, was toegestaan;

- buitenlanders in bepaalde steden mochten wonen en daar niet onder de Japanse rechtspraak vielen.

Veel Japanners waren het niet eens met deze verdragen. In hun ogen was de sjogoen hiervoor verantwoordelijk. Daimyo en samoerai uit West-Japan dwongen hem uiteidelijk af te treden en de macht over te dragen aan de jonge keizer Mutsihito, ook Meiji genoemd, die regeerde van 1868 tot 1912. Deze periode wordt als het Meiji-tijdperk aangeduid.

Er worden veel contacten met het buitenland belegd

De nieuwe Japanse regering wilde door modernisering kolonisatie van Japan voorkomen. Onderzocht werd waarin welke westerse landen uitblonken. Van Engeland werd de organisatie van de marine overgenomen, van Duitsland de organisatie van het leger, van Frankrijk en Duitsland de wetten. Specialisten uit westerse landen werden naar Japan gehaald om te helpen bij de aanleg van de infrastructuur, bij het opzetten van industrieën en bij het moderniseren van het onderwijs. In Japan was het analfabetisme nog weid verspreid en door die maatregelen konden rond 1900 in Japan meer mensen lezen dan in Engeland.

Een kleine groep leiders kreeg samen met de keizer de macht in handen

De daimyo werden ertoe gebracht hun lenen terug te geven aan de keizer. In ruil daarvoor kregen ze functies in het bestuur van het land of een financiële vergoeding. De diensten en belasting in natura werden afgeschaft. Japan werd ingedeeld in prefecturen, elk bestuurd door een in Tokio benoemde prefect. Er kwam een systeem van geldbelasting, bijvoorbeeld op grondbezit, die rechtstreeks aan de centrale overheid moest worden betaald.

Japan kreeg als eerste Aziatisch land een grondwet en een parlement, dat deels werd benoemd, deels gekozen via censuskiesrecht. Wetten hadden wel de goedkeuring nodig van het parlement, maar de keizer benoemde de legerleiding en de ministers. In de grondwet stond voorts dat de keizer net als vroeger 'goddelijk' was. Hij leek de meeste macht te hebben. Maar in werkelijkheid lag de macht vooral in de handen van leiders op de achtergrond. Er kwam een modern leger, gerekruteerd via algemene dienstplicht.

Snelle industriële ontwikkeling

Het aantal fabrieken steeg tussen 1898 en 1914 van 5.000 naar 16.000. Tot omstreeks 1890 zette de regering de meeste industrieën op. Alleen de staat had voldoende kapitaal hiervoor. Toen de bedrijven draaiden, verkocht de regering ze aan de weinige rijke ondernemers die Japan destijds had. Deze elite kreeg daardoor het grootste deel van de Japanse ondernemingen in handen. Tot in de jaren '30 zou ruim de helft van de Japanse bedrijven in het bezit zijn van slechts acht families. De nadruk lag op de zware industrie en de textielindustrie. Japan werd het belangrijkste handelsland van Azië.

De industriéle ontwikkeling ging over 'de ruggen van de boeren'. Het geld dat de overheid voor de modernisering nodig had, werd via belastingen voor 80% door de boeren opgebracht. Ook de boeren profiteerden van de modernisering, b.v. kustmnest, maar die leidde niet tot hogere inkomsten, Integendeel, de voedselprijzen daalden en veel boeren moesten wegens schulden hun grond verkopen. Kort na 1868 was 20% van de landbouwgrond gepacht, in 1910 was dit 45%.

Japan volgt het voorbeeld van het westers imperialisme

Pas eind 19e eeuw werd echter besloten tot het veroveren van Korea en ander Aziatisch grondgebied. De belangrijkste motieven hiervoor waren:

- het verwerven van voedsel voor de groeidende bevolking en van de grondstoffen voor de zich uitbreidende industrie;

- men hoopte zo de dreiging van het in Azië oprukkende Rusland tegen te gaan.

Na lange strijd werd Korea in 1910 ingelijfd. Taiwan was al op China veroverd (1895) en een deel van Sachalin op Rusland (1905). Na de Eerste Wereldoorlog verwierf Japan bij de Vrede van Versailles de Duitse bezittingen in China, tot grote ergernis van China.

De economische crisis van 1929 trof Japan zwaar. De oplossing werd door Japan nu weer gevonden in imperialistisch optreden. In 1931 viel Japan het Chinese Mantsjoerije aan; vanaf 1937 werden andere delen van China veroverd.

Nationalsten en militairen krijgen Japan in hun greep.

Het nationalisme werd vanaf het begin van de jaren dertig vooral aangewakkerd door een golf van anti-westerse gevoelens. Gematigde politici in de regering moesten wijken voor radicale. Verschillende politici werden door radicale nationalisten vermoord. Tot de radicalen behoorden veel militairen. Hoewel het parlementair systeem bleef bestaan was er in feite geen sprake meer van democratie. Voorbereidingen werden getroffen voor de bevrijding van Azië.

Japan neemt deel aan de Tweede Wereldoorlog

Op 7 devember begon Japan de oorlog tegen de westere mogendheden (Pearl Harbour). De politiek van de nationalsiten en militairen had rampzalige gevolgen:

- de Japanse agressie maakte naar schatting 20 miljoen slachtoffers;

- Japan werd na de capitulatie door de VS bezet in augustus 1945;

- er waren twee miljoen Japanners in de oorlog omgekomen, de industrie was grotendeels verwoest, de voedselvoorziening was ontoereikend en alle sinds 1895 veroverde gebieden waren verloren gegaan.

Zie verder voor Hoofdstuk 15 deel B: SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 15 Deel B