We hebben 140 gasten online

SV Vwo Tweede Fase Hoofdstuk 10 5e dr Walburg pers educatief

Gepost in Tweede Fase 5e druk Walburg pers educatief

Hoofdstuk 10 Van Hunebed tot heden, geschiedenis van Nederland

1 Wat er aan de Nederlanden vooraf ging

Ons grondgebied in de Prehistorie

Uit opgravingen is gebleken dat er op ons grondgebied 200.000 tot 150.000 jaar geleden al mensen woonden. Dat waren jagers en verzamelaars. Pas veel later, omstreeks 3500 voor Chr, vestigden zich landbouwers op ons grondgebied. In Drente bouwden zij hunebedden.

Ons grondgebied in de tijd van de Romeinen

Voor de Romeinen was het een grensgebied. De Rijn werd de grens (limes-systeem) van het Romeinse Rijk. De Bataven helpen als bondgenoot bij de verdediging van de grenzen. Onder Julius Civilis kwam men in opstand, maar die mislukte.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus ( 55-115 na Chr) schreef over wat hij wist of dacht te weten over de Germanen. Maar Plinius de Oudere schreef een boek Historia Naturalis  (Natuurlijke Historie) waarin hij de geografische situatie in de Germaanse gebieden.

romeinse rijngrens

 Een deel van de Romeinen werd ten zuiden van de Rijn geromaniseerd. Aan de limes (Zie afbeelding Leidsche Rijn) legden de Romeinen legerplaatsen aan zoals Nijmegen (Noviomagus). In Zuid Limburg ontstonden Romeinse villa's.

De geromaniseerde Germanen behielden ook gedeelten van hun eigen cultuur. Na het vertrek van de Romeinen, eind 4e eeuw, bleef er van de Romeinse cultuur op ons grondgebied weinig over.

2 De Opstand in de Nederlanden

Karel V brengt de Nederlanden samen in één staatsverband

Sinds 925 hoorde ons grondgebied tot het Duitse Rijk en het gezag beruste bij de Duitse koning of keizer. Deze werd gekozen door een aantal Duitse keurvorsten. In werkelijkheid echter was het gezag in de meeste gebieden in handen van hertogen, graven en bisschoppen.

Pas in de 14e en 15e eeuw tekenden zich min of meer als een politieke eenheid af. Dat kwam door twee factoren:

  • De stedengroei sinds de 12e eeuw;
  • Het streven van Bourgondië de Lage Landen in bezit te krijgen.

De steden groeien sinds de 12e eeuw

De Lage Landen werden in de 12e eeuw tijdens de opkomst van de steden weer belangrijk. De ligging werd door de toenemende handel steeds belangrijker. Een aantal steden sloot een handelsverbond, de Hanze. Alleen Noord-Italië kende in die tijd een vergelijkbare stedendichtheid.

Hertogen van Bourgondië streven ernaar de Lage Landen in hun bezit te krijgen

Vanaf de 14e eeuw begonnen ze stuk voor stuk de Lage landen aan hun bezit toe te voegen. Door erfenissen 
en oorlogen werd hertog Filips van Bourgondië (1396-1467) heer in een groot aantal gewesten, die driekwart van het gebied omvatten dat later de Nederlanden zou vormen.

lorraine

  • De gewesten waren echter in hoge mate zelfstandig;
  • Adel, geestelijkheid en stedelijke burgerij hadden rechten;
  • Steden waren door hun stadsrechten zeer zelfstandig.

Filips de Goede centraliseert

De hertog van Bourgondië voerde een bewuste centralisatiepolitiek:

  • Hij verplaatste zijn hof uit Dijon naar het centraal gelegen Brussel, hoofdstad van het hertogdom Brabant;
  • In alle hertogdommen en graafschappen stelde hij stadhouders als zijn vertegenwoordigers aan;
  • Hij stelde de Staten-Generaal in. Hij was afhankelijk van de steun van de adel, geestelijkheid en stedelijke burgerij als hij de belastingen (bede) wilde verhogen. In de Gewesten bestonden al Gewestelijke Staten. Filips zorgde er nu voor dat deze afgevaardigden stuurden naar de Staten-Generaal. De eerste werd in 1464 in  Brugge gehouden.

Gebiedsuitbreiding door Karel V

1530 eu

 Karel V (1515-1555) zette de politiek van gebiedsuitbreiding voort. In langdurige oorlogen kreeg Karel veel gebieden in handen. Daarmee was Karel V Heer geworden van alle Nederlanden (het hele gebied van de latere staten Nederland, België en Luxemburg).

Factoren die van invloed waren op het ontstaan van de Opstand

In 1568 begon in de Nederlanden een opstand tegen de opvolger van Karel V, zijn zoon Filips II.

Karel V en Filips II wilden daar twee dingen bereiken:

  • Zij wilden de macht van de regering in Brussel vergroten ten koste van de macht van de gewesten. Ze stelden in de Nederlanden een landvoogd(es) als plaatsvervanger aan en drie raden die een centrale regering vormden. Dit streven om de gewesten vanuit één plaats te besturen wordt centralisme genoemd. Dit botste met de opkomst van de burgerij die vrijheidsrechten en politieke rechten wilde behouden en vastleggen
  • Zij wilden dat alle mensen in de Nederlanden katholiek bleven. Het protestantisme in de Nederlanden verwierf namelijk steeds meer aanhangers onder de protestantse richting van de calvinisten. Zij vervolgden de protestanten met steeds strengere plakkaten (verordeningen). die moesten door plaatselijke bestuurders worden uitgevoerd. dat deden ze niet of met grote weerzin.

De aanleiding van de Opstand

w v oranje

 In  augustus 1566 kwamen groepjes calvinisten openlijk in verzet tegen de katholieke Kerk door de Beeldenstorm. Margaretha van Parma (de landvoogdes) wist door concessies de orde te herstellen. Maar Filips II zond als rectie Alva naar de Nederlanden, die landvoogd werd. Deze stelde een rechtbank in, De Raad van Beroerten). Willem van Oranje viel samen met zijn broers in 1568 met een huurleger de Nederlanden binnen in de hoop dat de bevolking in opstand zou komen tegen Alva. Dat mislukte maar de geuzen, aanhangers van Willem van Oranje, gingen door met de strijd.

De Nederlanden vallen uiteen

In 1572 hadden de Watergeuzen vanuit zee wel succes. Watergeuzen  waren aanhangers van Willem van Oranje die vanuit buitenlandse havens 
acties in de Nederlanden uitvoerden. Zij veroverden het steunpunt Den Briel. In de volgende jaren sloten zich steeds meer steden in Holland en Zeeland bij de opstandelingen aan. De gewesten sloten zich in 1576 aaneen in de Pacificatie van Gent en spraken af

dutch revolt 1576

  • de plunderende Spaanse soldaten uit het land te verdrijven;
  • te protesteren tegen de politiek van centralisatie;
  • voorlopig geen aandacht te besteden aan de verschillen in godsdienst.

In 1576 leek het er op dat de gewesten bij elkaar zouden blijven. Dit duurde echter maar tot 1579(zie de kaartjes). Enkele noordelijke gewesten en de zuidelijke steden Gent en Antwerpen sloten zich aaneen in de Unie van Utrecht (1579). Spoedig daarna sloten alle noordelijke gewesten zich aan.

In juli 1581 brak de Unie van Utrecht officieel met Filips II door het Plakkaat van Verlating. Daarin werd de trouw aan Filips II opgezegd en werd gesteld dat de Staten generaal het echt hadden een andere vorst te kiezen. De Nederlanden waren nu definitief verdeeld.

Aan de Opstand komt een einde

dutch revolt 1589 1598

 

Hoewel landvoogd Parma successen behaalde slaagden het leger van de opstandige gewesten erin het grondgebied uiteindelijk zelfs uit te breiden. Factoren die daarbij een rol speelden waren:

  • Filips II vocht ook oorlogen uit tegen Frankrijk en Engeland;
  • Het vele water en de drassige grond waren in het voordeel van de verdedigers. Men zette zelfs land onder water;
  • Vijanden van Spanje boden de Nederlanden af en toe hulp.

Na het twaalfjarig Bestand (1609-1621) duurde de oorlog tot 1648. Bij de Vrede van Munster erkende Spanje De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Laatste pagina van het Vredesverdrag van Münster met de ondertekeningen  door Spaanse en Nederlandse onderhandelaars 30 januari 1648. Algemeen Rijksarchief Den Haag

Beide parijen hadden redenen om vrede te sluiten:

  • Spanje voerde in de Nederlanden al jaren een strijd op twee fronten: in het noorden de strijd tegen de opstandige gewesten, in het zuiden drongen steeds weer franse legers binnen;
  • In het Noorden wilde vooral Holland vrede omdat dat gewest het grootste deel van de oorlogskosten moest betalen.

Gevolgen van de Opstand

  • De Nederlanden raakten verdeeld in de Republiek en de Spaanse Nederlanden;
  • De Opstand was ontstaan als verzet tegen de macht van een vorst. Nu was er een Republiek ontstaan en dat was uniek in Europa;
  • De gewesten kregen een grote mate van zelfstandigheid waar de rijke burgers de meeste macht hadden;
  • De calvinisten hadden de belangrijkste bijdrage geleverd aan de Opstand. Het werd de officiële godsdienst in de Republiek. Katholieken mochten alleen onopvallend en tegen belasting hun godsdienst beoefenen.

vredesverdrag van munster

3 De Gouden Eeuw

De 17e eeuw staat bekend als de gouden eeuw door het feit dat scheepvaart, handel, nijverheid, kunst en wetenschap in de Republiek tot grote bloei kwamen. Hollanders werden de vrachtvaarders en Amsterdam de stapelmarkt van Europa en vestigden overal op de wereld handelsposten.

Bloei van scheepvaart, handel en nijverheid

  • Na de verovering van Antwerpen door landvoogd Parma sloten de Holanders en Zeeuwen de Schelde af. Veel rijke Antwerpse kooplieden trokken naar Amsterdam, dat de rol van Antwerpen kon overnemen.
  • Er werden twee handelsondernemingen opgericht: de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602 en de West-Indische Compagnie in 1621. Deze kregen van de Staten Generaal het monopolie van de handel op Azie (VOC) en Amerika (WIC).
  • De VOC verdreef Portugese en Engelse kooplieden uit delen van Azië. De VOC beheerste de handel in winstgevende specerijen als peper, kruidnagelen en nootmuskaat. Daar kwam wel vaak geweld bij te pas tegen de inwoners van die gebieden.
  • De WIC stichtte in Amerika koloniën die deels na verloop van tijd weer verloren gingen: 1) In Noord Amerika de handelskolonie Nieuw Nederland (1624-1664) met Nieuw Amsterdam; 2) het latere New York en in het tegenwoordige Brazilië de plantagekolonie Pernambuco (1630-1654); 3) de plantagekolonie Suriname (1667).
  • De WIC was zeer actief in de slavenhandel en in de plantageproducten suiker, koffie, cacao en tabak.

Een en ander leidde tot een ontwikkeling van de nijverheid:

  • Scheepswerven en zeilmakerijen ontstonden;
  • Veel aangevoerde goederen werden eerst verwerkt en daarna doorverkocht waardoor er allerlei bedrijven ontstonden.

Bloei van kunsten en wetenschappen

De Hollandse schilderkunst van de 17e eeuw is wereldberoemd. De nachtwacht van Rembrandt is het beroemdste kunstwerk van de Gouden eeuw. Schilders uit de zeventiende eeuw waren Frans Hals, Jan Steen en Johannes Vermeer. De bloei van de schilderkunst had veel te maken met de groeiende vraag naar schilderijen.

Twee groepen mensen gingen schilderijen bestellen.

  • De eerste groep waren de stadsbestuurders en de bestuurders van wees- en armenhuizen.
  • De tweed groep was groter en bestond uit gegoede burgers, rijke ambachtslieden en winkeliers.

De vraag naar schilderijen was zo groot dat schilders zich gingen specialiseren. Zo werd Jacob van Ruysdael een bekende landschapschilder en Willem van de Velde schilderde veel zeegezichten

Vooral in de eerste helft van de 17e eeuw was er in de Republiek een aantal bekende schrijvers, zoals Pieter Cornelsz. Hooft, Jacob Cats en Joost van den Vondel. Veel burgers vonden dat boeken niet alleen voor het plezier waren maar ook om er iets van te leren. Jacob Cats werd de meest gelezen schrijver. Maar de helft van de bevolking kon in de 17e en 18e eeuw niet lezen.

In de Gouden eeuw kwam ook de wetenschap tot bloei

  • Christiaan Huygens ( 1629-1695, zoon van Constantijn Huygens, deed aan wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde.
  • Boerhave (1668-1738) was als arts in de hele wereld bekend
  • Hugo de Groot (1583-1645) schreef over Volkenrecht ('Het recht van oorlog en vrede), godsdienst en geschiedenis.
  • Spinoza (1632-1677) beroemde filosoof in de Nederlanden

Grote verschillen tussen gewesten

In de Republiek woonde 40% in de steden. In het gewest Holland zelfs 60%. Veel boeren waren zelf eigenaar van de grond. De boeren in Holland en Friesland gingen zich specialiseren in veeteelt, voor de stedelijke bevolking en de export. De zeeklei in Zeeland en Groningen was zeer geschikt voor de verbouw van graan voor de stedelijke bevolking. De boeren in de andere gewesten waren veel minder welvarend. de grond was hier dan ook vaak in bezit van de adel. Aan specialisatie kwamen ze niet toe.

Grote verschillen tussen de bevolkingslagen

  • De regenten hadden in de Republiek bijna alle macht in handen. Ze waren calvinistisch en behoorden tot twee bevolkingsgroepen: de edelen en de rijke burgers.
  • Na de edelen en de rijke burgers kwam de laag van de gegoede burgerij. Eigenaars van grote bedrijven, grote boeren, maar ze hadden geen bestuursfunctie.
  • Na de gegoede burgerij kwam de kleine burgerij waartoe behoorden: ambachtsleden, kleine handelaren, winkeliers, schoolmeesters.
  • De laag van de armen , het 'gemeen', vormde de onderste laag. Men was vaak aangewezen op de goedertierenheid van stadsbestuur of Kerk. Veel landloperij.

4 Nederland wordt een Parlementaire democratie

De patriotten krijgen de macht in handen, en daarna de Fransen

In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond er in de Republiek verzet. De mensen die in verzet kwamen noemden zich patriotten (patria = vaderland). De patriotten hadden vooral aanhang onder de kleine burgerij en onder dat deel van de gegoede burgerij waarmee het minder ging. Enkele regenten en edelen uit de oostelijke gewesten sloten zich er bij aan.

De patriotten wilden het volgende bereiken:

  • Meer mensen bij het bestuur van de Republiek betrekken;
  • De Republiek op economisch gebied weer net zo belangrijk maken als in de 17e eeuw;
  • Het gedaalde aanzien van de Republiek in de wereld herstellen.

Omdat de ideeën van de patriotten door kranten en pamfletten werden verspreid kregen ze steeds meer aanhang en in sommige steden slaagde men erin het bestuur in handen te krijgen. Met steun van een leger uit Pruisen werden de patriotten in 1787 verjaagd.

In 1789 was er in Frankrijk een revolutie uitgebroken. De Fransen verklaarden de Republiek de oorlog en vielen in 1795 ons land binnen. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland. Veel patriotten kwamen nu terug naar de Republiek en namen met de Fransen de macht over van de regenten.

De Franse tijd is als volgt in te delen:

  • 1795-1806 Bataafse Republiek onder bestuur van Frankrijk
  • 1806- 1810 Koninkrijk o.l.v. de broer van Napoleon Lodewijk Napoleon
  • 1810-1813 Provincie van Frankrijk

Grondwetten in de Bataafse en Franse Tijd

bataafse republiekvlag bataafse rep

 

kaart en vlag van de Bataafse Republiek

In 1796 werd in de Bataafse republiek een Nationale Vergadering (parlement) gekozen. Kiesrecht hadden mannen ouder dan 20 jaar, die voor volkssoevereiniteit waren en in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Unitarissen (voorstanders van een eenheidsstaat) pleegden in 1797 een staatsgreep en de eerste Nederlandse grondwet kwam tot stand. Belangrijkste bepalingen grondwet:

  • Wetgevende macht is in handen van een gekozen parlement;
  • Uitvoerende macht in handen van een door het parlement gekozen regering;
  • Autonomie van steden en gewesten werd opgeheven;
  • Kiesrecht kregen alle mannen boven de 20 jaar, die konden elzen en schrijven, in eigen onderhoud konden voorzien;
  • Burgers kregen gelijke rechten;
  • Vrijheid van godsdienst, scheiding van kerk en staat, vrijheid van drukpers en vrijheid van vergadering;
  • Niemand kan zonder proces gevangen worden gehouden;
  • Afschaffing pijnbank;
  • iedere burger is onschendbaar in zijn woning.

De grondwet kwam tot stand onder invloed van buitenlandse gebeurtenissen:

  • In 1787 was in de VS een grondwet ingevoerd die de burgers veel rechten gaf.
  • Na de Franse revolutie was er in 1791 een grondwet aangenomen, waarin de verklaring van de rechten van de Mens en Burger voorop stond.

De macht van de volksvertegenwoordiging werd echter spoedig teruggedraaid en de grondwet werd in 1801 herzien:

  • De regering kreeg meer en het parlement minder macht;
  • Het kiesrecht werd beperkt allen mannen met een bepaald vermogen kregen kiesrecht;
  • De vrijheid van drukpers en van vergadering verdween.

In 1805 eiste Napoleon opnieuw een grondwetsherziening. De macht kwam nu bijna volledig in handen van één persoon. Rutger Jan Schimmelpenninck, die de titel raadspensionaris kreeg.

In 1806 voerde Koning Lodewijk Napoleon een nieuwe grondwet in, waarbij de uitvoerende macht geheel en de wetgevende macht grotendeels bij de koning kwam te liggen.

Nadat het Koninkrijk Nederland als provincie bij Frankrijk was gevoegd gold de Franse grondwet.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ontstaat

europa 1813

In 1813 braken na de nederlaag van Napoleon overal opstanden uit. In Den Haag besloot  een drietal mensen waaronder Karel van Hogendorp, de zoon van de stadhouder Willem V, te verzoeken als vorst naar Nederland te komen. Hij werd de latere koning Willem I. Hij werd koning over de Nederlanden (besloten op het Wener Congres, dat België bij Nederland werd gevoegd, gericht tegen Frankrijk). Er werd ook een grondwet opgesteld. Zo werd Nederland een constitutionele monarchie. Dat is een koninkrijk(monarchie) met een grondwet(constitutie).

 De grondwet van 1815

  • Het land is een monarchie en erfelijk;
  • Wetgevende macht in handen van koning en parlement;
  • Leden van de Eerste kamer worden door de koning benoemd. Leden van de Tweede kamer via getrapte verkiezingen door de Provinciale Staten;
  • Uitvoerende macht in handen koning; ministers waren aan hem verantwoording schuldig;
  • Provincies kregen weer bestuursfuncties.

kon nl 1815 1830

Vrijheidsrechten:

  • Rechtspraak is openbaar;

  • Lager Onderwijs mag alleen van overheidswege worden gegeven;

  • Vrijheid van drukpers, godsdienst en scheiding van Kerk en Staat;

  • Burgers hebben gelijke rechten;

  • Niemand mag zonder proces gevangen worden gehouden;

  • Iedere burger is onschendbaar in zijn woning.

1830: België scheidt zich af

Hoe kwam het dat de vereniging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden mislukte?

  • In het Zuiden was de bevolking grotendeel katholiek.
  • In een deel van het Zuiden sprak men Frans.
  • In het Zuiden was de industrie belangrijk, in het Noorden de handel.
  • In het Zuiden kwam het liberalisme veel sneller op. De liberalen wilden dat het parlement meer macht kreeg en de vorst minder.
  • In het Zuiden vond men het onrechtvaardig dat men moest meebetalen aan de reusachtige staatsschuld van het Noorden.
  • De meest belangrijke posten in de regering, ambtenarij en leger en de magistratuur werden ingenomen door mensen uit het Noorden.

1848: Nederland krijgt een nieuwe grondwet

De belangrijkste veranderingen waren:

  • De ministers waren voortaan verantwoording schuldig aan het parlement.
  • De ministers konden door het parlement naar huis worden gestuurd.
  • Wetgevende macht in handen van het parlement en de regering.
  • Rechtsprekende macht in handen van onafhankelijke rechters.
  • Uitvoerende macht in handen van de regering.
  • Uitbreiding censuskiesrecht.
  • Eerste Kamer gekozen door de Provinciale Staten (getrapte verkiezingen).
  • Vrijheid van vereniging en vergadering, vrijheid van onderwijs.

Veel zaken bleven hetzelfde:

  • De koning hield het recht de ministers (kabinet) te ontslaan of het parlement te ontbinden;
  • De vrijheidsrechten die de burgers volgens de grondwet van 1815 al hadden, bleven nagenoeg ongewijzigd.

Deze grondwet werd ingevoerd onder invloed van de opkomst van het liberalisme en de liberale revoluties in een aantal Europese landen. In Nederland was het Thorbecke die de opdracht kreeg van koning Willem II om de grondwet te herzien.

Meer macht voor parlement en bevolking (1868-1919)

Koning Willem III raakte een aantal keren in conflict met het parlement maar moest zich uiteindelijk neerleggen bij de constitutionele parlementaire monarchie.

  • Willem I   1815-1840
  • Willem II  1840-1848
  • Willem III 1848- 1890
  • Regentes Koningin Emma (1890-1898)
  • Koningin Wilhelmina (1898-1948)
  • Koningin Juliana (1948-1980)
  • Koningin Beatrix (1980-       )

Door grondwetswijzigingen in 1887, 1896 en 1917 kregen steeds meer mensen kiesrecht. In 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd en ook in 1919 dat voor vrouwen. In 1921 mochten vrouwen voor het eerst meedoen aan verkiezingen voor de Tweede kamer. Ook werd de kiesgerechtigde leeftijd verlaagt van 23 jaar in 1887 maar 21 jaar in 1965 en 18 jaar in 1965.

Evenredige vertegenwoordiging vervangt districtenstelsel

Leden van de Tweede Kamer werden volgens de grondwet van 1848 via het districtenstelsel gekozen. De kandidaat, die in zijn district de meerderheid haalde, werd kamerlid. In 1917 werd dit stelsel vervangen door de evenredige vertegenwoordiging wardoor de volksvertegenwoordiging beter een afspiegeling vormde van het electoraat.

  • Politieke parijen kregen meer invloed op de verkiezingen;
  • Kleine partijen hadden nu een kans om een zetel te bemachtigen;
  • Sommige delen van het land waren oververtegenwoordigd.

5 Politieke stromingen en partijen tot 1940

Ismen en kwesties dragen bij tot partijvorming in Nederland

Drie 19e eeuwse stromingen hebben bijgedragen tot partijvorming in Nederland:

  • Het liberalisme gebaseerd op de Verlichting; vrijheid op alle gebied;
  • Het confessionalisme, gebaseerd op de confessie (godsdienst) en ontstaan op de toenemende invloed van het liberalisme;
  • Het socialisme, gebaseerd op de ideeën van Karl Marx.

Ook drie kwesties hebben de partijvorming in Nederland sterk beïnvloed:

  • De schoolstrijd: bijzonder onderwijs wilde gelijkstelling met openbaar onderwijs;
  • De sociale kwestie: er moest een einde worden gemaakt aan de armoede van een groot deel van de Nederlandse bevolking;
  • De kiesrechtkwestie: het streven naar uitbreiding van het kiesrecht; uiteindelijk kregen zowel mannen en vrouwen kiesrecht.

Belangrijke uitgangspunten van de confessionele partijen

Alle gezag kwam van God. Volgens hen was de overheid door God ingesteld. De overheid ontleende haar macht dus niet aan het volk , maar aan God. Er waren ook verschillen tussen de confessionele partijen:

De Anti-Revolutionaire Partij (ARP): 

  • Legde nadruk op gehoorzaamheid aan het overheidsgezag;
  • Macht was echter niet onbeperkt; De overheid moest zich niet bemoeien met de maatschappelijke kringen.

De Christelijk-Historische Unie (CHU): Scheidde zich af van de ARP:

arp 1948

  • Niet alleen de Bijbel moest van invloed zijn op het partijprogramma, maar ook de geschiedenis van Nederland;
  • de koning werd meer macht toegekend dan de volksvertegenwoordiging.

De Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP):

  • De paus had een beslissende stem in de uitleg van Gods woord; ook in politieke zaken. Encyciek Rerum Novarum speelde daarin een grote rol;
  • Men verwierp het socialisme;
  • de zwakkeren moesten wel worden beschermd;
  • Het solidariteitsbeginsel werd ingeperkt door het subsidiariteitsbeginsel: wat door een lager orgaan kan worden uitgevoerd, moet niet worden gedaan door een hoger (overheids)orgaan.

Belangrijke uitgangspunten van de liberale partijen

De overheid moest zo weinig mogelijk invloed uitoefenen. Maar daar kwam door de omstandigheden verandering in:

  • De negatieve uitwerkingen van de industrialisatie vroeg om een rol van de overheid;
  • De economische crisis van 1929 werd het de liberalen duidelijk, dat zonder ingrijpen van de overheid, zo'n crisis weer kon ontstaan.

Belangrijkste uitgangspunten van de socialisten

sdap lijst 2


De Sociaal-Democratische Bond onder leiding van Domela Nieuwenhuis was de eerste socialistische partij van Nederland. De partij spleet uiteen in een deel dat anti-parlementair en parlementair zaken wilde oplossen. Parlementair wilde de Sociaal-Democratisch Bond. Men streefde wel naar een socialistische staat. In de jaren dertig van de twintigste eeuw liet de SDAP dit idee varen en ging pleiten voor een geleide economie waarin de belangrijkste bedrijven in handen moesten blijven van de staat.

Een verklaring voor die ommezwaai lag in het feit dat de door Marx voorspelde verslechtering voor de arbeiders in de praktijk niet uit kwam. de verschillen tussen arm en rijk  werden niet groter maar kleiner. Na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat als de overheid taken op zich nam, dit niet altijd effectief was.

6 Verzuiling op andere gebieden dan de politiek

Waardoor de zuilen ontstaan

Aan het begin van de 20e eeuw was de Nederlandse samenleving verdeeld in vier zuilen:

  • Katholieken;
  • Protestanten;
  • Socialisten;
  • Neutralen (liberalen)

In de tweede helft van de 19e eeuw gingen achtergestelde groepen, orthodox-protestanten, katholieken en arbeiders, zich organiseren. Ze voelden zich achtergesteld, omdat ze leefden in en land waar:

  • In geestelijk opzicht de vrijzinnig protestanten domineerden;
  • Politiek en economie werden beheerst door liberale heren;

Deze baseerden zich op hun godsdienst of ideologie, streden voor emancipatie. Om niet te worden overvleugeld gingen de  'neutralen' zich ook organiseren.

Wat de verzuiling inhield

Verzuiling vondplaats op politiek, maatschappelijk en cultureel gebied. In de jaren '30 kwam daar nog de radio bij. Kortom men winkelde, sportte, ontspande, zocht werk, ging naar school binnen de eigen zuil.

Verzuiling vondplaats op politiek, maatschappelijk en cultureel gebied. In de jaren '30 kwam daar nog de radio bij. Kortom men winkelde, sportte, ontspande, zocht werk, ging naar school binnen de eigen zuil.

Binnen de confessionele zuilen had men groot bezwaar tegen 'gemengde' huwelijken. De top van de zuilen had veel contact met elkaar, maar de meerderheid van de bevolking leefde vreedzaam naast elkaar.

De zuilen en hun leiders

Er werd onderling politiek wel samengewerkt. Daar zijn de volgende verklaringen voor:

  • Er was trouw en respect voor de leider van de eigen zuil;
  • Samenwerking tussen de zuilen was een noodzaak, omdat geen enkele zuil een meerderheid kon behalen.

De leiders hadden een goede greep op hun zuil:

  • Door allerlei regelingen konden ze controle uitoefenen;
  • Veel leiders vervulden dubbelfuncties;
  • er bestonden banden van vriendschap binnen de elites;
  • Er bestond een groot gevoel van saamhorigheid; ging gepaard met een krachtige leiding;
  • Kiezers vertrouwden erop dat hun leiders wisten wat goed was.

7 Veranderingen in de politieke partijen vanaf 1945

De confessionele partijen

1963 jongeling

Nieuwe partijen sinds 1945:

  • 1945: ter vervanging van de RKSP werd de Katholieke Volkspartij (KVP) opgericht;
  • 1968 afsplitsing van de KVP: de Politieke Partij radicalen (PPR);
  • 1975 afsplitsing van de ARP: Reformatorisch Politieke Federatie (RPF);
  • 1980 ARP, CHU en KVP vormden het Christen-Democratisch Appel;
  • 2001 ontstaan Christen Unie, orthodox-christelijk na samen gaan GPV en RPF.

Veranderingen in uitgangspunten sinds 1945:

De partijen kregen meer oog voor de aanvullende rol van de staat op sociaal-economisch gebied. Per onderwerp werd bekeken of er een rol voor de overheid was weggelegd. Euthanasie en abortus bleven politieke hangijzers...

De Liberale Partijen

Nieuwe partijen sinds 1945 en hun uitgangspunten

vvd 1956

 
1945: Oprichting Partij van de Vrijheid, ging in 1948 op in de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD);

  • De VVD ziet gevaren voor de vrijheid van het individu. Pleit voor individualisering en meer privatisering;
  • Democraten '66 opgericht in 1966 uit onvrede met de bestaande partijen, is een sociaal-liberale partij. Burgers meer invloed geven op het bestuur van het land.

De socialistische partijen

Nieuwe partijen sinds 1945

  • 1945: Oprichting Communistische Partij Nederland (CPN), voortzetting Communistische Partij Holland (CPH);
  • 1946: Oprichting Partij van de Arbeid, voortzetting van de SDAP;
  • 1957: Oprichting Pacifistisch Socialistische Partij. Links van de PvdA;
  • 1972: Oprichting Socialistische Partij: ideologisch gericht op China;

Veranderingen in uitgangspunten sinds 1945:

  • Verregaande bureaucratisering in de jaren 60 meer roep om democratisering;
  • Heroriëntering in de jaren '80 op individualisering in de PvdA;
  • Groen Links wil een sterke greep van de overheid op de economie. Milieu prioriteit boven groei economie;sp 1998
  • SP kiest in de jaren '90 voor een meer 'open' socialisme. Protestpartij. Lijkt op vroegere SDAP.

sp 1998

8 Vooral vanaf de jaren '60 verandert veel, maar niet alles

Oorzaken daarvoor zijn:

  • Ontkerkelijking van de Nederlandse bevolking;
  • Streefdoelen verzuilde partijen waren bereikt;
  • De vrees voor elkaar was verdwenen.

Verhouding tussen politieke leiders, de media en de kiezers verandert

verkiezingen 2003

De trouw en het respect voor de leiders namen af:

  • Het aantal zwevende kiezers nam steeds weer toe;
  • De partijleider werd afgerekend op stemmenverlies.

Ook de verhouding tussen de politieke leiders en de journalisten veranderde:

  • Doordat de kritiek toenam;
  • Politieke leiders door journalisten meer 'op de huid' werden gezeten;
  • Tegenstellingen werden nu in het openbaar besproken

Gedeeltelijke ontzuiling bij de politieke partijen

  • In het CDA gingen katholieken en protestanten samenwerken;
  • In 1958 werd de Boerenpartij opgericht uit onvrede over de landbouwpolitiek van de overheid, zat van 1963 tot 1981 in de Tweede Kamer;
  • De Centrumpartij zette zich vooral af tegen buitenlanders; zat in de Tweede kamer  van 1982 tot 1986 en van 1989 tot 1998.
  • Lijst Fortuyn haalde in 2002 26 zetels, in 2003 acht zetels, maar verdween in 2006 uit de Kamer.

Gedeeltelijk ontzuiling in de media:

  • Er kwamen nieuwe publieke omroepen: de TROS (1969), Veronica (1976), BNN (1998).
  • Er kwamen veel commerciële omroepen.

Al met al houden de zuilen grotendeels hun greep op de samenleving:

  • De meerderheid van de leerlingen bezoekt confessionele scholen;
  • Oude verzuilde partijen handhaven zich;
  • Aanhang oude verzuilde partijen groeide;
  • Leiders van oude zuilen blijven samenwerken;
  • Aanhang Christen Unie groeit;
  • Er kwam een nieuwe verzuilde omroep: Evangelische Omroep (EO).

10 Uitbreiding en beperking van de verzorgingsstaat

Verzorgingsstaat komt to stand

Vooral in de jaren '50 en '60 va de vorige eeuw werd de verzorgingsstaat opgebouwd. De overheid rekent het tot haar taak de veiligheid, de welvaart en het welzijn van alle burgers te garanderen. Zo wilde men een catastrofe zoals in de jaren '30 voorkomen.

De verzorgingsstaat komt in de problemen

Belangrijke oorzaken daarvan waren:

# In de jaren 80 verkeerde de economie in een crisis en waren er 800.000 werklozen.

# De verzorgingsstaat werd onbetaalbaar. 26 % van de bevolking was werkloos en/of arbeidsongeschikt. Een kwart van de bevolking zat thuis, zonder werk en met een uitkering.

# Er werd misbruik gemaakt van de sociale uitkeringen.

# Er waren honderduizenden vacatures tegenover honderduizenden werklozen.

# De mensen werden steeds ouder.

In 1983 bedroegen dekosten van de verzorgingsstaat 35,7% van het Nationale Inkomen. Dat kon zo niet doorgaan.

Inmiddels is de WAO versoberd en vallen nieuwe 'arbeidsongeschikten' in de WIA en wordt de AOW in fasen verhoogd van 65 naar 67 jaar.

 Zie verder hoofdstuk 11 SV Vwo Tweede Fase Hoofdstuk 11 5e dr