We hebben 174 gasten online

SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 14 5e dr Walburg pers educatief

Gepost in Tweede Fase 5e druk Walburg pers educatief

Hoofdstuk 14 Kolonisatie en dekolonisatie

1 Oude culturen in Amerika, Afrika en Azië

belize maya

 

In deze paragraaf wordt kort ingegaan op die oude culturen.

Vanaf 1500 kregen die oude culturen in de niet-westerse wereld te maken met de expansie van Europa.

Oude culturen in Amerika

In Amerika leefden veel Indiaanse stammen of volken. Een stam is een groep mensen die zegt af te stammen van een gemeenschappelijke voorouder en die een eigen cultuur heeft.

Het woord 'stam' heeft ook de betekenis gekregen van een primitieve, onderontwikkeld egroep. Het wordt daarom vaak in Sprekend Verleden vervangen door 'volk'.

tzolkin kalender

Tzolkin, Kalender van de Maya's van 260 dagen(ze ontwikkelden er ook een van 365 dagen) De Maya's bedachten een kalender en kenden een beeldschrift. De Inca's bedachten een klok in de vorm van een zonnewijzer

Drie volken, de Maya's, Azteken en Inca's hebben voor de komst van de Europeanen prachtige bouwwerken, gebruiksvoorwerpen, sieraden en andere kunstvoorwerpen vervaardigd. De Maya's woonden in het tegenwoordige Honduras, Guatemala, en het Mexicaanse schiereiland Yucatan. De bloeitijd van hun cultuur duurde van de 4e tot de 10 eeuw.De Azteken drongen in de 13e eeuw vanuit het Noorden in Mexico door. In de volgend eeeuwen onderwierpen zij de meeste volken van Mexico en Midden-Amerika. Omstreeks 1200 stichtten de Inca's de stad Cuzco (Peru). Hun gebied omvatte toen echter niet meer dan 50 vierkante kilometer. In de 15e eeuw begonnen de Inca's veroveringstochten naar het noorden en het zuiden. Het rijk liep toen van Ecuador tot het midden van Chili.

aztec imperium

De Azteken en Inca's werden de belangrijkste tegenstanders van de Europeanen toen die Amerika kwamen koloniseren. De volken hadden als belangrijkste middel van bestaan de landbouw. Men paste irregatie en bemesting toeen kend emeer dan twintig gewassen, waaronder een aantal in de rest van de wereld onbekende zoals, Mais, aardappelen, cacao, tomaten tabak . In Mexico hield men kippen en kalkoenen. Scapen, geiten, varkens, koeien en paarden kwamen in Amerika niet voor. Ook het wiel en d ewagen kenden ze niet. Alle vervoer van goederen moest door dragers gebeuren.

manchu picchu

Op deze afbeelding van de terrasvorming in Machu Picchu (van de Inca's in het Andesgebergte) is goed te zien hoe men het klaarspeelde hoog in de bergen landbouw te beoefenen.

Opvallend was de hoge graad van organisatie in de indiaanse samenleving:

  • Aan het hoofd stond een vorst die als een god werd vereerd.

  • Onder de vorst en zijn raad stonden bestuurders van steden en daaronder de wijken.

  • Ambtenaren regelden alerlei openbare taken.

De bovenlaag bestond uit bestuurders, legeraanvoerders, ambtenaren en priesters. Daaronder kwamen de kooplieden en handelslieden. De benedenlaag werd gevormd door de boeren. Bij de Azteken kwam daaronder nog de laag van de slaven, die grotendeels uit krijgsgevangenen bestond.

De godsdienst nam een zeer voorname plaats in. Daaardoor hadden de priesters grote invloed. De priesters zagen de Spanjaarden als afgezanten van de god Quetzalcoal, van wie voorspeld was dat ze over zee uit het oosten komen.

Oude culturen in Afrika

 

In het oude Afrika ten zuiden van de Sahara leefden ongeveer duizend volken merendeels in dorpen. De gelaagdheid kwam duidelijk tot uiting in het onderscheid tussen vrije mensen en slaven en vooral tussen mannen en vrouwen. Slavernij was de enige manier om iemand voor zich te laten werken. Slaven waren vaak krijgsgevangenen en ook wel misdadigers of mensen die hun schulden niet konden betalen. Binnen enkele generaties werden de nakomelingen van de slaven geheel in de familie opgenomen.

De grote verschillen in het dorpsleven bestonden tussen mannen en vrouwen. Vrouwen bewerkten het land en gingen naar de markt om te ruilen, kopen en verkopen, en waren vaak tamelijk zelfstandig. De mannen gingen op jacht en trokken ten strijde tegen verderop wonende vijanden en nomaden.

Er bestonden wel honderden politieke organisaties. Deze kunnen in drie groepen worden onderverdeeld: staatsloze samenlevingen, koninkrijken en imperia. In de staatloze samenleving leefde een volk verspreid in dorpen, die geheel los van elkaar functioneerden.

Na het jaar 1000 ontstonden en koninkrijken in gebieden die gunstig lagen voor de handel over lange afstand. Voorbeelden van bekende Afrikaanse koninkrijken zijn Ife en Benin (nu Nigeria), Asante (nu Ghana) en Ganda (nu Oeganda). Het oudste van de imperia is Ghana (vermoedelijk vanaf omstreeks 700). Toen het op het hoogtepunt van zijn macht was - halverwege de 11e eeuw -  omvatte het imperium delen van de tegenwoordige staten Mauretanië, Senegal, en Mali. Ten oosten van Ghana kwam een ander rijk op, Mali. De bloeitijd van Mali viel in de periode 1250-1460. Mali beheerste de trans-Sahara-handel. De stad Timboektoe werd het belangrijkste eindpunt van de kameelkaravanen. Met die karavanen kwamen ook geleerden en theologen naar Mali. Timboektoe werd in de hele moslimwereld een bekend centrum van handel, godsdienst en wetenschap.

Enkele gemeenschappelijke kenmerken zijn:

  • het vereren van voorouders, geesten en goden;

  • het gebruik maken van magie tegen kwade geesten;

  • hekserij.

  • medicijmannen, regenmakers en toekomstvoorspellers stonden in hoog aanzien.

    Oude culturen in Azië

    Het chinese keizerrijk en het confucianisme

In de vlakte van de Gele Rivier ( Huang He) ontstonden de eerste staten. Een van die staten heette Chin. In 221  voor Christus veroverde de 
vorst van Chin bijna heel Oost-China en noemde zich voortaan Shih Huang-ti ( 'de eerste keizer'). Na diens dood stchtte Liu Pang de Han-dynastie, die 400 jaar zou regeren. Met een dynastie wordt een serie heersers bedoeld uit één familie.

De keizers regeerden als absolute vorsten. Ze gingen er van uit dat, de Hemel hun absolute macht verleende, het 'Hemels Mandaat'. Het rijk werd bestuurd vanuit het keizerlijke hof in Beijing vanaf 1421. Het rijk werd verdeeld in provincies, die weer in prefecturen en die weer indistricten. Aan het hoofd van elk stonden door de keizer benoemde ambtenaren. De hoogste ambtenaren werden mandarijnen genoemd. Men kon ambtenaar worden door deel te nemen aan een staatsexamen. De examens werden slechts eenmaal in de drie jaar gehouden en minder dan één procent van de kandidaten slaagde de eerste keer. Deze bureaucratie van ambtenaren heeft de uitoefening van het centraal gezag over het reusachtige rijk mogelijk gemaakt.

 In de 6e eeuw voor Christus ontwierp een Chinese denker onder de naam Confucius een leer ter aanvulling op het bestaande geloof in een hemelse en aardse orde, het Confucianisme. Pas tijdens de Han-dynastie werd het Confucianisme langzamerhand de officiële leer van het keizerrijk. Het confucianisme legt de nadruk op het juiste persoonlijke gedrag. Confucius geloofde dat de aard van de mens goed was. Als mensen zich juist gedroegen, zouden alle problemen in de samenleving verdwijnen. Zijn leer van de  'Vijf Menselijke Relaties'  gaf aan wat de juiste betrekkingen waren tussen een heerser en zijn onderdanen, tussen een vader en zijn zoon, tussen echtgenoot en zijn vrouw, tussen een oudere en een jongere broer. Van de hoger geplaatste werd welwillendheid en vriendelijkheid verwacht, van de lager geplaatsten toewijding en gehoorzaamheid aan de hoger geplaatsten. Als de keizer handelde in overeenstemming met de confucianistische leer, dan zouden zijn ambtenaren en volk dat ook doen. Zo ontstonden er talrijke rituelen en vaste omgangsvormen.

 

De Chinezen beschouwden China als het middelpunt van de wereld: vandaar hun eigen naam van het toenmalige Chinese gebied: het Rijk van het Midden. Deze zienswijze van China wordt sinocentrisme genoemd.

Het oude Japan

In Japan ontstonden eerst kleine staten. In elke staat was een scherpe scheiding tussen een machtige bovenlaag, bestaande uit een adelijke clan ( groep van verwante families) en de rest van de bevolking. Elke staat stond onder leidng van een clanhoofd. Ieder clanhoofd was tevens hogepriester. Japan had een eigen godsdienst het sjintoïsme. Op den duur gingen de meeste clans het clanhoofd van de staat Yamoto als hun meerdere, tenno (keizer), erkennen. De leider van de Yamoto-clan werd als de afstammeling van de zonnegodin beschouwd. Clanhoofden die de keizer hadden geholpen bij het vergroten van zijn macht werden met belangrijke functies beloond.

Aan het eind van de 12e eeuw wist een clanleider Minamoto Yoritomo, de andere clans onder zijn gezag te brengen. De keizer verleende hem de titel Sjogoen (opperbevelhebber). In feite beschikte de Sjogoen over meer macht dan de keizer.

Er ontstond een nieuwe regeringsvorm in Japan, die overeenkomsten vertoonde met middeleeuws Europa. De Sjogoens stelden hoofden van machtige families aan om het land te besturen, daimyos genoemd en deze hadden aanvankelijk vooral een militaire taak. In de loop van de tijd gingen ze zich zelfstandiger gedragen.

De samenleving was in vier lagen verdeeld:

  • De bovenlaag werd gevormd door de Daiymo, ongeveer 270, en de Samoerai, ongeveer 400.000.

  • De tweede laag, ongeveer 80%, bestond uit de boeren.

  • De derde laag werd gevormd door de ambachtslieden.

  • De vierde laag bestond uit kooplieden (zij werden zo laag gewaardeerd omdat ze niets produceerden).

  De Japanners voelden zich sterk verbonden met de groep (zoals familie, clan of dorp) waartoe zij behoorden. Buiten de eigen groep leek nauwelijks leven mogelijk.

Het oude India

 Net als elders was jagen en verzamelen het middel van bestaan. Landbouw werd tussen 4000 en 3000 vóór Christus voor het eerst in India bedreven. In de Induscultuur, die omstreeks 3000 vóór Christus in het stroomgebied van de Indus ontstond, werd landbouw voor verreweg de meeste mensen het belangrijkste middel van bestaan. Vanaf de 4e de eeuw ontstonden in delen van het Indiase grondgebied grote en goed georganiseerde rijken. Er was opmerkelijk grote verdeeldheid op godsdienstig gebied. Wisselend heersten hindoeïstische, boeddistische en islamitische vorsten.

Rond 500 was het hindoeïstische Guptarijk op wetenscahppelijk gebied Europa de baas.Astronomen zagen al dat de aarde om zijn as draaide en ook rond de zon. Het decimale stelsel werd er uitgevonden en via de Arabieren bereikte dit het Westen. Medici ontdekten de functie van de ruggegraat en het beenderenstelsel, deden aan plastische chirurgie en voerden lang voor medici in het Westen de keizersnede uit.

Schrijvers produceerden een grote en gevarieerde hoeveelheid literatuur. er waren bibliotheken met duizenden boeken. aan de universiteit van Nakada studeerden duizenden studenten. gelelrden uit alle delen van azië kwamen erheen.

In de 6e eeuw viel het Gupta-rijk uiteen in een aantal kleine rijken. Aan het einde van de 12e eeuw vestigde een moslimvorst weer een groot rijk, het sultanaat van Delhi. Nadat dat rijk was uiteengevallen vestigden de Mogols een nieuw moslimrijk (1562-1858). een van hen was Akbar. Hij besteeg de troon in 1556 en zag in dat het rijk niet door tirrannie bijeengehouden kon worden. Hij maakte een einde aan de vervolging en achterstelling van Hindoes. Ook op andere tereinen bevorderde hij de eenheid van het rijk. Zo voerde hij een stelsel van regelingen in dat voor allen gold, ongeacht hun taal of godsdienst. Op den duur begon het Mogolrijk uit een te vallen in een groot aantal door hindoe- of moslimvorsten geregeerde gebieden.

2 Wat verandert er door de kolonisatie?

early civalisations

Vanaf het einde van de 15e de eeuw trokken Europese ontdekkingsreizigers de wereld in. Spoedig daarop gingen ze over tot het vestigen van factorijen en koloniën.

Veranderingen op economisch gebied

Betere verbindingen

Het veroveren en besturen van de koloniën kostte de Europese regeringen veel geld. De kosten zouden er alleen uitkomen als het Europese bedrijfsleven in de koloniën goed zaken kon doen. Vanaf het einde van de 19e eeuw werden spoorlijnen aangelegd van de kust naar het binnenland, waar exportgewassen het goed deden en waar mineralen werden gevonden. In de 20e eeuw erden ook wegen en vliegvelden aangelegd.

Uitwisseling van producten

De Europse regeringen hanteerden de regel dat koloniën geen geld mochte kosten, maar geld moesten opbrengen. Omdat men in Afrika vooral een zelfvoorzieningseconomie had, viel er voor een koloniale regering weinig te halen. Pas als Afrika deel zou gaan uitmaken van de wereldeconomie, zou een gunstiger situatie ontstaan. Doorom stimuleerden men de uitwisseling van producten. Men voerde daarom in de koloniën nieuwe landbouwgewassen en dieren in. In Amerika bijvoorbeeld werden paarden, koeien, schapen, geiten en varkens ingevoerd. Belangrijke landbouwgewassen die de Europeanen in Amerika invoerden waren koffie, suikerriet en tarwe. Uit Amerika brachten de Europeanen gewassen naar de koloniën in Afrika en Azië: cassave, maïs, bananen, tabak, cacao en rubberbomen. Men spoorde de Afrikanen aan om landbouwgewassen te verbouwen zoals katoen, cacao, koffie, thee, tabak en rijst.

Ontstaan van delfstoffenindustrie

De Europeanen breiden de goud- en zilvermijnen verder uit. Men vond ook waardevolle delfstoffen als steenkool, koper, olie en uranium.

Verplicht werken voor de koloniale overheerser.

Men werd gedwongen te werken voor de koloniale overheid of voor Europese bedrijven:

  • Zonder betaling werden mannen verplicht een aantal dagen per jaar te werken voor de overheid;

  • Boeren werden verplicht meer te verbouwen dan men nodig had of om een bepaald product te verbouwen;

  • Belastingbetaling werd ingevoerd en men kon alleen aan geld daarvoor komen door voor de Europeanen te werken.

    Veranderingen op sociaal gebied

    Steden goeien in omvang en aantal

 Door de activiteiten van de Europeanen werden de bestaande steden groter en groeiden sommige dorpen uit tot steden. Er ontstonden grote verschillen tussen de zaken- en woonwijken van de Europeanen en de wijken waar de inheemse bevolking woonde.

De samenstelling van de bevolking verandert vooral in Amerika

  • Van de oorspronkelijke bewoners, de Indianen, overleefden het maar weinigen. Dat kwam vooral door uit Europa overgebrachte besmettelijke ziekten zoals pokken,tyfus, mazelen en de griep.

  • Ook oorlogen en slechte behandelingen van de Indianen droegen er aan bij.

  • Miljoenen Afrikaanse slavenarbeiders werden op de plantages te werk gesteld.

  • Miljoenen Europeanen trokken naar Amerika.

  • Ook contractarbeiders werden er te werk gesteld  op Plantages.

  • Er vond ook een vermenging plaats tussen de verschillende bevolkingsgroepen in de loop van de tijd.

In Afrika vestigden zich in het algemeen weinig blanken. Een duidelijke uitzondering was - naast Rhodesië -  vooral Zuid-Afrika.

Veranderingen op godsdienstig en ander gebied

Verbreiding van het christelijk geloof

Duizenden priesters gingen in de 16e eeuw naar Spaans- Amerika om de Indianen tot het christendom te bekeren. De meeste Indianen werden tot Spaanse onderdanen verklaard als zij christen werden. De meeste deden dat.Het grootste deel van Afrika werd pas in de 19e eeuw gekoloniseerd. Vanaf die tijd trokken grote aantal missionarissen en zendelingen naar Afrika om er het christendom te brengen. Ze stichtten ook veel scholen en ziekenhuizen.Het christendom had echter bij de Afrikanen minder succes dan de Islam. Daar zijn de volgende oorzaken voor te noemen:

  • De christelijke kerken keurden veel Afrikaanse gebruiken af zoals bijvoorbeeld polygamie en het afschrikken van boze geesten;

  • De moslims probeerden altijd eerst de rijke en belangrijkste mensen te bekeren;

  • In kerken werden christelijke en Afrikaanse gebruiken met elkaar vermengd.

  • Afrikaanse godsdiensten verschilden van plaats tot plaats

In Azië hadden de missionarissen en zendelingen heel weinig succes. Oorzaken daarvan waren:

  • Net als de Europeanen vonden de Aziaten hun eigen cultuur beter dan die van anderen;

  • Evenals het christendom hadden de Aziatische godsdiensten miljoenen aanhangers, heilige geschriften en een goede organisatie.

Uiteenlopende reacties op de westerse cultuur

Sommigen pasten zich aan maar anderen hielden meer vast aan de eigen cultuur of probeerden het te combineren. Er waren ook duidelijke tegenstanders van de westerse cultuur.

Veranderingen op politiek gebied

De indianen raakten alle macht kwijt

Ze verloren overal hun politieke zelfstandigheid. Zij werden tweederangs burgers in hun eigen land. Alleen in het dun bevolkte en moeilijk toegankelijke Amozonegebied werden de Indianen tot aan het eind van de 19e eeuw niet gestoord.

Eerst alleen factorijen in Afrika en Azië

In Afrika en Azië gingen de Europeanen anders te werk. In de eerste twee eeuwen van het kolonialisme ( 16e en 17e eeuw) vestigden zij alleen factorijen aan de kust. Een factorij was een handelspost die bestond uit een haven, enkele pakhuizen en woningen voor de Europese kooplieden. In Afrika behoorde er ook een fort bij, om de factorij te beschermen tegen Europeanen uit andere landen en om de slaven voorafgaande aan het vervoer naar Amerika gevangen te houden.

Deze factorijen werden gestocht met toestemming van Afrikaanse heersers. Die profiteerden zelf ook van de handel. Ook tegen de slavenhandel hadden de meeste Afrikaanse heersers geen bezwaar. Een uitzondering was de koning van Congo.

Ook in Azië gaven de meeste heersers toestemming voor het stichtten van factorijen. Zij konden de steun van de Europeanen goed gebruiken met conflicten met naburige vorstendommen.

Volkeren worden direct of indirect door Europeanen bestuurd

 Pas aan het einde van de 19e eeuw werden bijna heel Afrika en een groot deel van Azië tot kolonie van de Europese landen gemaakt. In sommige koloniën regelden de Europese machthebbers het bestuur helemaal zelf. Dit wordt direct bestuur genoemd. De Franse koloniën hadden direct bestuur. De Franse regering benoemdde voor elke kolonie een gouverneur en een groot aantal ambtenaren. De Fransen benoemden ook uinheemsen tot ambtenaar en deze kwamen niet uit de families van vroegere inheemse heersers. Ook het Portugese en Belgische bestuur werkten via het direct bestuur.

De Britten en de Nederlanders kozen voor het systeem van indirect bestuur. Een klein aantal Europese ambtenaren hield onopvallend toezicht op de inheemse heersers. Dit systeem had voor de koloniale heersrers grote voordelen:

  • het was goedkoop;

  • de bevolking kwam minder snel in opstand.

De Fransen zagen hun koloniaal bezit als deel van Frankrijk en gingen uit van een blijvende band tussen koloniën en Moederland. De Britten handelden in de overtuiging dat de koloniën eens onafhankelijk zouden worden.

3 Waardoor wordt de dekolonisatie bevorderd?

In elke kolonie leefden meestal verschillende volken, elk met hun eigen cultuur. Vaak stonden aanhangers van verschillende godsdiensten fel tegenover elkaar. Ook werden er verschillende talen gesproken en elk volk had een eigen geschiedenis. Pas door het kolonialisme kregen de mensen in een kolonie een gemeenschappelijk verleden.Er ontstonden in veel koloniën kleine nationalistische bewegingen. Deze wilden op korte termijn dekolonisatie (het onafhankelijk worden van een kolonie). In de 20e eeuw groeide hun aanhang.De volgende omstandigheden droegen daaraan bij:

  • Omstandigheden van binnenuit

Onderwijs in West-Europese geschiedenis en staatsinrichting

Door dit onderwijs leerden zij begrippen kennen als democratie, vrijheid, gelijkheid, nationalisme. Indonesiërs leerden bijvoorbeeld over de vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden.

Onderwijs in de eigen cultuur

Men kreeg in veel koloniën onderwijs van de missie en zending. Het onderwijs in de eigen cultuur  droeg bij tot de ontwikkeling van nationale gevoelens.

Onderdrukking door de koloniale overheerser

Min of meer werd een godsdienst opgedrongen. Men werd verplicht bepaalde gewassen te verbouwen of arbeid te verrichten. Deze dwang en onderdrukking droegen bij een het verlangen naar de vrijheid zichzelf te besturen.

Ongelijkwaardige behandeling

In de nieuwe steden die ontstonden, ontstonden nieuwe bevolkingsgroepen die westers geschoold waren.Maar ze werden door de blanken als ondergeschikt behandeld. Dat droeg bij aan het verlangen naar de vrijheid om zichzelf te besturen.

  • Omstandigheden van buitenaf

De Tweede Wereldoorlog

De nationalisten merkten dat de Europeanen niet zo sterk waren als zij dachten. Ook bleken de Europeanen hulp van de koloniën nodig te hebben (grondstoffen en manschappen).

Verschuiving van de machtscentra in de wereld

Voor de Tweede Wereldoorlog werd de politiek in de wereld voornamelijk bepaald door West-Europa, vooral door Groot- Brittannië en Frankrijk. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit overgenomen door de Verenigde Staten en de Sovjet Unie. Deze landen waren beide tegen het West-Europese kolonialisme(imperialisme). Ook in de na de Tweede Wereldoorlog opgerichte Verenigde Naties waren de meeste landen vóór dekolonisatie.

Stimulerende voorbeelden van dekolonisatie in Azië en Afrika

In Brits-Indië behaalde Ghandi, met zijn 'kruistocht' van geweldloos verzet veel succes. India werd in 1947 onafhankelijk. In Indonesië riepen Soekarno en Hatta in 1945 de onafhankelijkheid uit. Nederland probeerde dit met geweld te verhinderen, maar moest zich in 1949 terugtrekken.In Indo-China trokken de Fransen zich na een nederlaag in 1954 in Dien Bien Phoe (vlakte der Kruiken) terug uit Zuid-Oost Azië.In Ghana (goudkust) leidde Kwame Nkroemah het land in 1957 naar de onafhankelijkheid.Groeiend inzicht dat het koloniale tijdperk ten einde liepDoor de hiervoor genoemde ontwikkelingen kwamen Groot Brittannië, Frankrijk en België tot het inzicht dat het koloniale tijdperk ten einde liep. Portugal probeerde zijn Afrikaanse koloniën nog te behouden door oorlog te voeren. Frankrijk deed dat ook nog tevergeefs in Algerije.

4 Kolonisatie en dekolonisatie van Latijns-Amerika

Spanjaarden onderwerpen Indiaanse volken en stichten Spaans-Amerika

In de eerste vijftig jaar na de ontdekking van Amerika veroverden de Spanjaarden bijna alle gebieden waar veel indianen woonden, van Californië en Florida in het noorden tot Chili in het zuiden: de snelle verovering kan verklaard worden door de volgende factoren:

  • De indianen werden door epidemieën getroffen;

  • De Spanjaarden hadden wapens, paarden, en honden die de Indianen vrees aanjoegen;

  • De Spanjaarden maakten handig gebruik van de verdeeldheid onder de Indianen.

  Vanaf het begin was er onder de Spanjaarden een tegenstelling omtrent het doel van de veroveringen. De Spaanse veroveraars wilden roem verwerven en snel rijk worden, terwijl de Spaanse konigen hun eigen macht en rijkdom wilden vergroten en het christendom wilden verspreiden.

Om hun doel te bereiken troffen de Spanjaarden de volgende maatregelen:

  • Spaans-Amerika werd bestuurd door de Raad van Indië vanuit Madrid;

  • Spaans-Amerika werd verdeeld in twee  ( later meer) onderkoninkrijken en die weer in kapitein-generaalschappen;

  • De handel werd streng gereglementeerd. Spaans-Amerika mocht alleen handel drijven op een wijze die gunstig was voor Spanje. Om controle makkelijker te maken mochten slechts twee havens in Amerika voor in- en uitvoer worden gebruikt en één in Spanje (Sevilla);

  • Duizenden priesters werden naar Amerika gestuurd om de Indianen te bekeren en hun het Spaans te leren.

  • Men kreeg opdracht om zoveel mogelijk steden te stichten. Daardoor werd de basis gelegd voor de sterke tegenstelling tussen stad en platteland.

    Portugezen vestigen zich in Brazilië

In 1494, twee jaar na de ontdekking van Amerika, sloten Spanje en Portugal het verdrag van Tordesillas, waarbij ze de wereld buiten Europa verdeelden in een Spaanse en Portugese helft. De scheidslijn liep dwars door de Atlantische Oceaan van noord naar zuid, wat ten westen daarvan lag, zou Spaans gebied zijn. In 1500 nam de Portuese scheepskapitein Cabral een deel van de kust van Brazilië voor de koning van Portugal in bezit. De Portugezen trokken niet het binnenland in want daar waren geen rijke culturen te vinden. Daardoor en door de dunne bevolking ontwikkelde Brazilië zich anders dan Spaans-Amerika:

  • De Portugese regering bemoeide zich weinig met Brazilië;

  • In Brazilië vormden niet de steden maar de plantages de kern van de maatschappij.

    Afrikanen vervangen indianen als werkkrachten in Latijns-Amerika

bestemming slaven

Omdat er niet genoeg Indiaanse werkkrachten waren, besloten de Europeanen Afrikanen 
als werkslaven naar Amerika te brengen. Ook de Nederlanders deden hieraan mee. In 1621 veroverde de West-Indische Compagnie Noordoost-Brazilië op de Portugezen. Onder Johan van Maurits slaaagden zij erin een plantagekolonie tot bloei te brengen. Maar in de tweede helft van de 17e eeuw heroverden de Portugezen de Nederlandse kolonie. De Nederlanders gingen zich vanaf die tijd richten op Guyana, waarvan Suriname een deel vormde. Suriname werd een plantagekolonie en Curacau werd een belangerijke slavenmarkt. Ook andere West-Europese staten vestigden plantagekolonies in het Caribische gebied. Omstreeks 1750 leefden ongeveer 50.000 Afrikanen in Latijns-Amerika. Een eeuw later was dat ongeveer een miljoen. Met de Afrikaanse cultuur liep het in sommige opzichten nog slechter af dan met de Indiaanse.

nederlandse slavenhandel

In Latijns-Amerika ontstaat een zeer gemengde bevolking

Er was een strenge scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Er werd onderscheid gemaakt tussen 'echte' Europeanen en in Amerika geboren blanken. Deze laatsten werden in Spaans- en Portugees-Amerika creolen genoemd. Door huwelijken kreeg de Latijns-Amerika een zeer gemengde bevolking. Nakomelingen van Europees-Indiaanse ouders werden Mestiezen genoemd, nakomelingen van Europees-Afrikaanse ouders mulatten. De afkomst bepaalde voor de meeste mensen tot welke laag men behoorde. De volgende lagen waren te onderscheiden:

  • In Europa geboren blanken vormden de bovenlang;

  • Creolen vormden de middenlaag;

  • De indianen vormden met een kleine groep blanken de derde laag. denk aan boeren en ambachtslieden;

  • De Afrikaanse slaven vormden de benedenlaag. Ze werden niet als burgers erkend en hadden geen rechten.

De positie van de mestiezen en mulatten hing af van het feit of ze door een blanke vader al of niet wettig werden erkend.

zuid amerika 1780

Een Indiaanse en een Afrikaanse opstand

Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw kwamen herhaaldelijk opstanden voor. In 1780 bijvoorbeeld kwamen Indianen in Peru in opstand tegen het plaatselijke Spaanse gezag. Maar het Spaanse leger bleek te sterk. Tupac-Amaru werd gearresteerd en wreed terechtgesteld.

Meer succes hadden de Afrikaanse slaven op het Franse deel van het eiland Hispaniola. Na een bloedige burgeroorlog wonnen de slaven. Zij stichtten in 1804 de eerste onafhankelijke staat in Latijns-Amerika.

Creolen maken een einde aan de Spaans-Portugese overheersing

De creolen in Latijns-Amerika voelden zich de gelijke van de Europeanen en hadden daarom bezwaar gemaakt tegen hun achterstelling. In de denkbeelden van de Verlichting en de uitwerking daarvan in de Amerikaanse en Franse revolutie zagen zij een voorbeeld. In 1810 braken in een aantal Spaans-Amerikaanse steden opstanden uit. In het begin verliepen die chaotisch maar op den duur wisten creoolse leiders als Simon Bolivar en José de San Martin veel aanhang te verkrijgen. In het begin van de 19e eeuw was het grootste deel van Spaans-Amerika bevrijd van de koloniale overheersing.

Het voormalige Spaans-Amerika verenigde zich niet in en statenbond zoals de VS, maar viel uiteen in zeventien zelfstandige republieken. De oorzaak hiervan lag in het koloniale verleden en de structuur die de Spanjaarden hadden opgelegd. Pogingen van Simon Bolivar om tot grotere eenheid te komen mislukten.

Brazilië maakte zich bijna zonder strijd los van Portugal. Braziliaanse creolen eisten in 1822 de onafhankelijkheid. De regent stelde zich achter deze eisen en werd keizer van Brazilië. In 1889 maakten militairen zonder bloedvergieten een einde aan de monarchie en verklaarden Brazilië tot republiek.

Autocratisch koloniaal bestuur wordt na de onafhankelijkheid vervangen door een slecht werkende democratie.

Verkiezingen gingen gepaard met fraude en geweld. Presidenten trokken zich van de grondwet weinig of niets aan en regeerden als dictator (caudillo genoemd). Plaatselijke machthebbers verzamelden een bende gewapende aanhangers en deden in de hoofdstad een greep naar de macht. Als oorzaken van dit slecht functioneren van het democratische systeem kunnen worden genoemd:

  • Ervaring in de democratie ontbrak;

  • Tijdens de onafhankelijksoorlogen haddwen militairen grote invloed op de politiek gekregen en dat wilden ze niet afstaan;

  • De grote massa van het volk was arm en analfabeet en leefde in een 'andere wereld'.

 5 Kolonialisme en nationale staten in het Midden-Oosten

Arabieren vormen een imperium

Nog voor de dood van de profeet Mahammed was heel het Arabisch schiereiland door zijn vogelingen veroverd. In enkele jaren werden grote delen van het Perzische en Oost-Romeinse (Byzantijnse) rijk onder de voet gelopen, evenals de kuststrook van Noord-Afrika. In 711 stak een Arabisch leger onder leiding van Tarik de zeestraat tussen Afrika en Spanje over. Het grootste deel van het Ibrisch schiereiland werd vervolgens veroverd. De Arabieren trokken zelfs het Frankische rijk binen. Daar werd een Arabisch leger echter door een Frankisch leger verslagen. Pogingen van de Arabieren om via de Balkan Europa binnen te dringen mislukten

christian mohammedan.

  • Het godsdienstig enthousiasme van de moslims. De koran beloofde degenen die bij de uitvoering van de djihad sneuvelden, toegang tot het paradijs.

  • De strijdlustige aard van de Arabische bedoeïnen. Met name door de ruiterij beschikten de Arabieren bovendien over een sterk leger.

  • In Arabië heerste overbevolking. Door het tekort aan voedsel in het eigen land werden de Arabieren aangetrokken door vruchtbare gebieden als Mesopotamië.

  • Het Perzische en het Oost-Romeinse rijk hadden elkaar lang bestreden en waren daardoor zeer verzwakt en eenvoudig te veroveren.

  • De verdraagzame houding van de islam stak gunstig af tegen de vervolging van godsdienstige minderheden in het Oost-Romeinse rijk. Grote groepen zagen de Arabieren als bevrijders. Werd men moslim dan was men niet langer tweederangs burger.

    De ondergang van het Arabisch Imperium

In de 8e eeuw viel het rijk gedeeltelijk uiteen. Twee families streden om de functie van kalief: de Omajjaden en de Anbbassieden. De Abbassieden wonnen; ze richtten een bloedbad aan onder hun tegenstanders en namen het kalifaat over in 750. Eén lid van de Omajjaden-familie wist te ontkomen en vluchtte naar Spanje waar hij een eigen kalifaat stichtte met Cordoba als hoofdstad. Aan het eind van de 10e eeuw kwam het tot een tweede afscheiding: het kalifaat Egypte met als hoofdstad Caïro.

Later in de Middeleeuwen kregen de Arabieren veel aanvallen van buiten te verduren. De kruistochten vanuit West-Europa, vanaf 1096, hadden tijdelijk succes. Met de val van Cordoba in 1492 werden de moslims definitief uit Spanje verdreven. Vanuit Azië werden de Arabieren bedreigd door de Mongolen.

De Turken vormen een Imperium

Vanuit Centraal-Azië waren de Turken in de 13e eeuw Klein-Azië binnengetrokken en hadden daar een staat gesticht. Ze namen de islam over en veroverden de laatste resten van het Oost-Romeinse (Byzantijnse ) rijk. In 1453 viel de Oost-Romeinse hoofdstad Constantinopel, die zich altijd met succes tegen de Arabieren had weten te verdedigen. Constantinopel werd Istanboel. De Turken veroverden kort daarna de Balkan en het grootste deel van het Midden-Oosten.

ottomaans imperium

 

De Turken wisten hun rijk vijf eeuwen bijeen te houden. Hun heersers, sultans, regeerden met harde hand. Om hun leger te kunnen betalen legden ze de bevolking zware belastingen op. Regelmatig braken er daarom opstanden uit die echter werden neergeslagen.

Onder de Arabische overheersing had het Midden-Oosten een bloeiperiode meegemaakt, die de cultuur van West-Europa overtrof. Onder de Turkse heerschappij kwam daarin verandering.

Het Turkse Imperium komt in financiéle problemen

In de loop van de 17e eeuw kwam er een einde aan de Turkse veroveringen. Nu zijn geen nieuwe oorlogen voerden, behaalden zij ook geen oorlogsbuit meer; die oorlogsbuit was - naast de belastingen -  een belangrijke bron van inkomsten waaruit zij hun legers betaalden. Om aan voldoende geld te komen ging de Turkse regering geld lenen in West-Europa. Maar omdat deze leningen niet konden worden terugbetaald, was de Turkse regering genoodzaakt steeds meer voorrechten aan West-Europese staten toe te staan.

Invloeden uit West-Europa verzwakken het bewind van de sultans

Het leger werd naar West-Europees voorbeeld gemoderniseerd. Aanvankelijk werd Frankrijk als leermeester beschouwd, later Duitsland. West-Europeese officieren werden als adviseurs en leraren op militiare scholen tewerkgesteld. Westerse missionarissen en zendelingen werd het toegestaan scholen op te richten. Het vertalen en drukken van westerse boeken werd aangemoedigd. Bibliotheken waar men deze boeken kon lezen werden opgericht. Voor het invoeren van een parlementaire democratie voelden de sultans echter niets.

De maatregelen van de sultans zouden andere gevolgen krijgen dan zij hadden bedoeld. De officieren maakten bijvoorbeeld niet alleen kennis met westerse strijdmethoden, maar ook met allerlei andere westerse denkbeelden zoals vrijheid, gelijkheid, democratie, nationalisme, scheiding tussen godsdienst en staat.

Arabisch en ander nationalisme

Missionarissen en zendelingen droegen bij tot het ontstaan van het Arabisch nationalisme onder een groot deel van de bovenlaag van de bevolking in de Arabische wereld. De Arabische nationalisten zouden zich eerst tegen de Turken keren en kort daarop tegen de Fransen en Britten. Ook in het Europese deel van het Turkse rijk kwamen nationalistische stromingen op. Dit zou in de loop van de 19e eeuw leiden tot de onafhankelijkheid van Griekenland, Bulgarije, Servië, Roemenië en Albanië.

West-Europees Imperialisme krijgt greep op het Turkse Imperium

Door de industrialisatie nam  de belangstelling voor het Midden Oosten toe:

  • Naast oude handelsproducten werden grondstoffen als katoen, ijzererts en olie uit het Midden-Oosten belangrijk voor de economie van West-Europa.

  • De fabrikanten zochten naar vergroting van hun afzetgebied.

  • Toen het Suez-kanaal was gegraven werd het Midden-Oosten ook belangrijk als verbindingsweg naar Azië.

De West-Europese staten wisten hun invloed in het Turkse Rijk te vergroten:

  • West-Europese kooplieden waren niet onderworpen aan de Tukse rechtsspraak.

  • Frankrijk en Groot-Brittannië bezettten delen van het Turkse rijk. Frankrijk bezette in 1830 Algerije, in 1881 Tunesië, en in 1912 Marokko. Linbanon en Syrië werden weliswaar niet doopr Frankrijk bezet, maar de Franse invloed was er groot, omdat Frankrijk zich opwierp als beschermer voor de daar wonende christelijke minderheden. Groot-Brittannië veroverde in 1878 Cyprus, Egypte in 1882 en Soedan in 1898. Ook bezette Groot Brittannië enkele steunpunten langs de handelsroute aan de Rode Zee en de Perzische Golf.

Het Duitse rijk onder leiding van keizer Wilhelm II bouwde goede betrekkingen met de Turken op. De Duitsers verwierven eind 19e eeuw de rechten om olie en andere delfstoffen te winnen in ruil voor leningen en hulp bij de modernisering van het leger en de aanleg van een spoorlijn van Istanboel naar de Perzische Golf. Dat leidde in de 1e wereldoorlog tot een bondgenootschap dat het einde zou betekenen van het Turkse rijk.

na de 1e wereldoorlog

legenda na 1e wo

Reacties op Europse overheersing

Eeuwenlang was de wereld van de islam superieur geweest aan die van Europa. Waaraan was nu het Europese overwicht toe te schrijven?

De moslims waren ervan overtuigd dat het niet aan de islam lag, maar aan de wijze waarop deze door de mensen werd uitgelegd. Als de islam werd gezuiverd van defaitisme en onderdrukking en als men enkele zaken zoals de technologie overnam, dan zou de Arabische wereld het Westen kunnen weerstaan. Deze groep moslims wordt wel met het woord reformisten aangeduid.

Een andere groep moslims, de fundamentalisten, zocht de oorzaken ook in het afwijken van de zuivere leer van de islam. Voor het terugdringen van de westerse invloed was volgens deze groep voldoende terug te keren naar de ware leer en zuivere islamitische staat zoals ten tijde van Mohammed.

De stichting van een nieuw Turkije

De Turkse officieren die in contact waren gekomen met westerse denkbeelden, de Jonge Turken genoemd, grepen in 1908 met steun van hun soldaten de macht in het rijk. Al gauw werden de liberalen onder deze officieren terzijde geschoven door radicale nationalisten die zowel de westerse als de islamitische cultuur ondergeschikt wilden maken aan de Turkse cultuur. De Turkse cultuur werd met harde hand aan de bevolking opgelegd. Het meest berucht werd de slachting onder de Armeniërs in 1915. Hierdoor werd echter ook het verzet tegen hun heerschappij opgewekt.

Na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog moest de Turkse regering een verdrag ondertekenen dat het einde betekende van het Turkse rijk. In Europa werd het Turkse grondgebied teruggebracht tot Istanboel en directe omgeving. In Het Midden-Oosten werd alleen Klein-Azië behouden.

Het 'nieuwe Turkije ' kreeg een nieuwe regering onder leiding van generaal Moestafa Kemal. Na een harde strijd met de langs de kust wonende Grieken kreeg Turkije weer zeggenschap over het kustgebied. Bij het vredesverdrag van 1923 werden 1.500.000 Grieken gedwongen Turkije te verlaten en 400.000 Turken werden Griekenland uit gezet. Nog steeds is er sprake van tegenstellingen tussen Grieken en Turken bijvoorbeeld rond Cyprus.

De regering van Moestafa Kemal wilde van Turkije een moderne staat maken naar Westers model. Men voerde daarvoor de volgende veranderingen door:

  • Het kalifaat werd opgeheven. Dus was er sprake van een scheiding tussen kerk en staat.

  • De rechtsspraak werd niet meer op de sharia gebaseerd, maar op wetboelen naar westers model.

  • Naast godsdienstig onderwijs kwam er ook openbaar onderwijs.

  • Vrouwen kregen dezelfde rechten als mannen. Polygamie werd verboden.

  • Mannen en vrouwen werd aangemoedigd zich westers te kleden.

  • De infrastructuur werd verbeterd.

  • Nieuwe industrieën werden opgezet.

  Een groot deel van de bevolking steunde het verwesteringsproces niet. De grootgrondbezitters moesten niets hebben van landhervormingen. De islamitische geestelijken waren tegen de hervormingen gekant, omdat die de invloed van de islam beperkten.

Bij de verkiezingen van 1950 bleek een partij van grootgrondbezitters en moslims veel aanhang te hebben. De partij werd verboden. dat overkwam in 1981 ook een partij die de vestiging van een islamitische staat nastreefde. In de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije neutraal. Toen Rusland terriotoriale aanspraken maakte op bepaalde Turkse gebieden zocht Turkije steun bij de VS, waarvan het economische en militaire steun kreeg. In 1952 werd Turkije lid van de Navo.

Arabisch nationalisme door Frankrijk en Groot-Brittannië tegengewerkt

brittan and the me 1917 1971

 

Na de Eerste wereldoorlog kwam er geen onafhankelijke Arabische staat in de 'vruchtbare maansikkel'. In plaats daarvan kregen Groot-Brittannié en Frankrijk mandaatgebieden uit naam van de Volkenbond. De Fransen onderdrukten het verzet in hun mandaatgbieden hardhandig. Damascus werd tweemaal door hen gebombardeerd. Pas in 1945 zou Frankrijk zich terugtrekken uit Syrië en Libanon. De Britten verleenden al voor de Tweede Wereldoorlog zelfstandigheid aan gebieden, behalve aan Palestina.

Maar er was niets terechtgekomen van één grote Arabische staat. Oorzaken daarvoor waren onder andere:

  • Arabische activisten waren tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Turken geexecuteerd.

  • De mandaatgebieden bevorderden niet de samenwerking en leidden tot het ontstaan van nationalistische bewegingen.

  • Ieder mandaatgebied had eigen problemen.

  • Het Arabische nationalisme was pas van recente datum.

Nationale staten worden gesticht

Groot Brittannië en Frankrijk droegen door hun verdeling van Noord-Afriika ook bij tot het ontstaan van lokaal nationalisme. Egypte was in 1882 door de Britten bezet. In 1922 werd het officieel een koninkrijk, maar de Britten hielden er een bezettingsleger.

arabische landen

De rest van West-Afrika bleef onder West-Europees gezag tot na de Tweede wereldoorlog. Marokko dat deels onder Frans, deels onder Spaans toezicht stond , kreeg in 1956 de onafhankelijkheid evenals Tunesië. Libië, werd in 1951 onafhankelijk, na eerst door Italië te zijn bezet. In Algerije trokken de Fransen zich pas terug in 1962, na een felle strijd.

Nasser maakt einde aan laatste resten van het kolonialisme in Egypte

In 1952 werd koning Faroek door het leger onder leiding van Gamal Abdel Nasser van de troon gestoten. In 1958 werd de koning van Irak en de eerste minister door revolutionairen omgebracht. Irak werd een republiek. In Libië werd de koning door een militaire staatsgreep onder leiding van Kaddafi afgezet in 1969..In Egypte werd het Suezkanaal door Nasser genationaliseerd in 1956. Dit leidde tot een korte oorlog met Engeland, Frankrijk en Israël, tot grote woede van de SU en de VS. Nasser's succes in de Suezcrisis droeg ertoe bij dat hij in de Arabische wereld als een nieuwe leider werd gezien.Voor deze snelle verovering kunnen verschillende oorzaken worden aangewezen:
 

6 Kolonisatie en dekolonisatie van Zwart-Afrika

De komst van de Europeanen  

De eerste Europeanen aan de West-Afrikaanse kust waren Portugezen. Dat was rond 1450.

In de loop van de 17e eeuw werden zij ten dele verdrongen door Britten, Fransen en

Hollanders en Denen. De Europeanen kwamen om handel te drijven. In het begin

producten als goud, specerijen en ivoor. Maar de slavenhandel werd darna het belangrijkste.

Zo ontstond er een driehoekshandel. 

In Afrika beperkten de Europeanen zich vierhonderd jaar lang tot factorijen.

De forten die men bouwde waren bedoeld tegen Europese concurrenten. De

Europeanen beperkten zich om twee redenen voornamelijk tot het stichten van

deze nederzettingen:

Afrika bleek bijzonder ongezond voor de blanken (ruim de helft stierf binnen een jaar).

Vanuit het binnenland werden voldoende slaven en andere producten aangevoerd

door Afrikaanse handelaars.

Maar enkele gebieden kregen al vroeg het karakter van een kolonie Angola in de

16e eeuw en Zuid-Afrika in de 17e eeuw.

Een schatting geeft aan dat er 11.479.000 miljoen slaven zijn verhandeld waarvan

er ongeveer 10 miljoen levend in Amerika aankwamen. De meeste kwamen uit

West-Afrika. In de 19e eeuw kwamen ook Oost-Afrikanen naar Amerika. Meer

dan de helft van de Afrikaanse slaven kwam niet in Amerika terecht maar in

het Midden-Oosten.

De gevolgen van de slavenhandel voor het verloop van de geschiedenis van

Afrika, daarover zijn onderzoekers het niet eens met elkaar. Een feit is in

ieder geval wel dat de slavenhandel een gevoel van superioriteit bij de

blanken bevestigde.

Ontdekkingsreizigers gaan het binnenland van Afrika verkennen

Tot de 19e eeuw beperkte men zich tot het kustgebied van Afrika. Daarna

gaan ontdekkingsreizigers het binnenland intrekken. Waarom deed men dat?

Een van de oorzaken was de invloed van de Wetenschappelijke Revolutie.

In Engeland werd de African Society opgericht en in Frankrijk de Societe de

Geographie met als doel het binnenland te ontdekken.

Een andere oorzaak was de invloed van het christendom. Men wilde de

'heidenen' bekeren.

Een derde oorzaak was economisch: het zoeken van andere

handelsmogelijkheden in plaats van de slavenhandel.

Voorlopig kwam er echter alleen in de kuststreken van West-Afrika een

nieuwe handel op gang: die in palmolie.

West-Europese staten verdelen en koloniseren bijna heel Afrika

In de tweede helft van de 19e eeuw werd bijna heel Afrika opgedeeld in koloniën

door West-Europese staten. Via kleine expedities naar het binnenland dwong

men heersers hun handtekening te zetten onder een verdrag dat een beplaald

gebied onder 'bescherming'  plaatste van een Europese staat. Hiermee vergrootte

men hun invloed. De West-Europeanen gaven er de voorkeur aan in Afrika vreedzaam

te werk te gaan maar als dreigementen niet hielpen grepen de blanken met geweld in.

De vaak kleine legers die Afrika veroverden, bestonden voor het overgrote deel uit

Afrikanen geleid door Europese officieren: er waren genoeg mannen bereid als

beroepssoldaat in dienst van Euroese regeringen te treden.

Veel Afrikanen nemen uitingen van westerse cultuur over

Alle stadsbewoners pasten zich gedeeltelijk aan de westerse cultuur aan.

Allen spraken min of meer de taal van de koloniale machthebber. Sommige

Afrikanen probeerden een mengvorm tot stand te brengen tussen de

 Euroepse en Afrikaanse cultuur terwijl andere de Afrikaanse cultuur benadrukten.

De Frans sprekende Afrikanen noemden deze stroming négritude. Een van de

belangrijkste voormannen werd de latere president van Senegal, Lèopold Senghor.

Rascisme leidt tot gewapenden onderdrukking en paternalisme

De meeste Europeanen vonden dat zij superieur waren aan de Afrikanen omdat

de blanke meer ontwikkeld was, 'beschaafd' en niet 'barbaars'. Het rascisme uitte

zich op vele manieren. In de 19e eeuw  vond het zijn uitwerking in gewelddadige

onderdrukking. In de 20e eeuw kreeg het paternalisme de overhand.

Uit het koloniaal beleid op het gebied van het onderwijs blijkt, dat de Europeanen

geen risico wilden lopen hun superioriteit te verliezen. Het onderwijs was er vooral

om tolken en administratief personeel voor regering en bedrijfsleven op te leiden.

Men vreesde voor 'eigenwijze' Afrikanen' die meer wilden. In de meeste koloniën liet

men het onderwijs over aan missie en zending. Allen de Franse regering voerde een

duidelijke onderwijspolitiek.

Toch was een bijkomend gevolg dat goed opgeleide Afrikaners het bestuur ging

bekritiseren. Ondanks hun opleiding bleven de Afrikanen ongelijkwaardig aan de

Europeanen.

Verzet van de Afrikanen

Afrikanen bleken niet opgewassen tegen de organisatie en bewapening van de

Europeanen. Dat bleek b.v in West-Afrika. Ondanks een guerilla-strijd van 16 jaar

door Samouri Touré (1882-1898) viel het gebied in Franse handen. In Soedan lukte

het niet tegen de Engelsen en in Zuid-Afrika wonnen uiteindelijk de Britten de strijd

ten koste van duizenden Zulu-doden.  Begin 20e eeuw brak er in Tanganjilka (Tanzania)

de Maji-Maji-opstand uit tegen de Duitsers, omdat die de bevolking dwong tot katoenbouw.

De opstand werd neergeslagen en leidde tot grote verleizen. In Zuid-West-Afrika leden de

Hetero's zware verliezen tegen de Duitsers. Men hield maar ongeveer 21 % over van de

bevolking.

Tot de Eerste Wereldoorlog kwamen opstanden regelmatig voor. Men zocht nu naar

andere soorten van verzet die meer kans van slagen hadden: de nationalistische bewegingen.

Veel staten verkrijgen onafhankelijkheid op vreedzame wijze.

De Britse kolonie Goudkust (Ghana) bracht de dekolonisatie in Afrika op gang.

 De Britten waren eerder dan de andere bereid om hun koloniën de onafhankelijkheid

 te verlenen. In de Britse koloniën waren meer goed opgeleide nationalisten

In Ghana werd de Convention People de belangrijkste politieke partij onder leiding

van Kwame Nkrumah. Deze behaalde een grote verkiezingsoverwinning. De Britten

gaven eerst zelfbestuur in 1954 en later volledige onafhankelijkheid. Van toen af

heet het land Ghana.

In 1960 verkeeg Nigeria de onafhankelijkheid maar het land bestond uit veel bevolkingen

 en deze hadden ook verschillende godsdiensten. Een en ander leidde tot verdeeldheid

en Nigeria werd een federale staat. Nigeria zou het toneel worden van veel interne strijd.

In 1946 kwam er een einde aan gedwongen arbeid in het Franse koloniale rijk. De inwoners

van Afrika zouden burgers worden van groot-Frankrijk. De dekolonisatie van de Franse

koloniën kwam in 1958 in een stroomversnelling terecht. De Gaulle maakte een einde aan

de koloniale oorlog in Algerije en liet veertien gebieden zelf kiezen voor Groot-Frankrijk of

de onafhankelijkheid. In 1960 stemde de Gaulle er in toe om alle gebieden in Zwart-Afrika

de onafhankelijkheid te verlenen.

In sommige staten verliep de dekolonisatie gewelddadig

In Belgisch Congo was van een goede voorbereiding op de dekolonisatie geen sprake. In

de steden vormden Afrikanen politieke partijen die naar onafhankelijkheid streefden.

Sommige waren voor een federale structuur andere zoals Mouvement National Congolais,

 in 1958 opgericht door Patrick Lumumba, wilden een sterke nationale regering                                                                                                                                                                                                                                                      . In 1959 liep een demonstratie uit de hand en politici in Brussel besloten Congo een jaar

later de onafhankelijkheid te verlenen. Lumumba werd de eerste minister-president van

een coalitiekabinet. Er ontstond chaos in het land en Katanga scheidde zich af

(rijk aan delfstoffen). Een burgeroorlog van vijf jaar volgde. Lumumba werd verdacht

van communistische sympathiën, werd door tegenstanders vermoord, en het land werd

32 jaar lang, vanaf 1965, bestuurd door Mobutu.

Een andere belangrijke oorzaak van gewelddadige dekolonisatie was het bestaan van

een aantal vestigingskolonies. Tegenover vestigingskolonies stonden handelskolonies.

Een van de vestigingskolonies was Kenya. Om blanke boeren van voldoende grond te

voorzien werd grond van de Kikuju ontweigend. Deze kwamen daartegen in opstand.

Zij noemden zich de Legers voor Grond en Vrijheid, door de Britten Mau-Mau- beweging

genoemd. Militair gezien mislukte hun opzet, maar politiek gezien zou het een succes

worden. De Britse regering staakte haar steun aaan de blanke boeren en belegden

met de belangrijkste politieke leider, Jomo Kenyatta en andere Afrkanen een conferentie

 waarop zij het eens werden  over een grondwet. In 1963 werd het land onafhankelijk en

Kenyatta werd president. Met Britse financiële steun werd een deel van het land verdeeld

onder Afrikaanse boeren.

Een apart verloop had de dekolonisatie van de Portugeese koloniën Angola, Mozambique,

Guinee-Bissau en de Kaap Verdische eilanden. Portugal wilde zijn koloniën niet loslaten.

Toen de koloniën dat merkten ontstond er een guerillaoorlog. Vanaf begin jaren '60 tot

1974 werd er gevochten. Er kwam een einde aan de strijd door de 'Anjerrevolutie' in

 Portugal zelf. Die leidde tot de onafhankelijkheid van de Portugese koloniën.

Ook de strijd om de Britse vestigingskolonie Rhodesië verliep gewelddadig. Sinds 1963

hadden de blanken er zelfbestuur en in 1965 verklaarde men zich onafhankelijk. Engeland

greep niet in. Enkele Afrikaanse partijen begonnen een guerillaoorlog die uiteindelijk in 1980

 leidde tot algemene verkiezingen waarbij de partij van Robert Mugabe won. Hij werd premier

 en zou het land tot de rand van de afgrond brengen. Rhodesië wordt nu Zimbabwe genoemd.

7) Kolonisatie en dekolonisatie van India

Rond 1500 drongen de Portugezen als eerste door in de Aziatische wateren. Men wilde er de 

 missie brengen en specerijen verkrijgen. Ze stichtten Goa aan de West kust van India, maar

drongen niet door in het binnenland. Ook de Nederlanders, die de Portugezen in de loop van

de 17e eeuw verdrongen, deden dat niet. Uiteindelijk bleken de Britten het sterkste en in 1761

versloegen ze de Fransen. De Britten beperkten zich in het begin tot het drijven van handel en

 het veroveren van enkele voor de handel belangrijke gebieden. Na het verlies van de

Amerikaanse koloniën legde men daar het zwaartepunt onder leiding van de

Britse-Oost-Indische-Compagnie. Maar na een grote opstand tegen het koloniale gezag

nam de Britse regering het gezag zelf in handen.

Het Britse bewind brengt in India belangrijke veranderingen

Veel boeren gingen er op achteruit, sommige profiteerden ervan

De Britten stonden toe dat het land van boeren die hun belasting niet betaalden werd verkocht. 

Verder verhoogden ze de belastingen waardoor boeren minder voor zichzelf konden produceren

Er waren twee voordelen voor de boeren:

De Britten verbeterden de verbindingen;

Ook de gezondheidszorg werd beter waardoor het sterftecijfer terugliep.

Door de snelle toename van de bevolking werd dit weer teniet gedaan.

In handel en nijverheid gngen veel Indiërs erop achteruit, sommige erop vooruit

Voor de komst van de Britten verwerkten men zelf de grondstoffen. Na de

industrialisatie kwamen de meeste producten daar vandaan. Er ontwikkelden zich

 echter ook industriën die de concurrentie wel aankonden met de Britten zoals

textielfabrieken in Bombay en ijzer-en staalproducenten zoals van de familie Tata.

Betere verbindingen, waarvan vooral de Britten profiteerden

Van de betere verbindingen profiteerden echter vooral de Britten.

Gebruiken die de Britten als barbaars beschouwden, werden afgeschaft.

  • Men vaardigde wetten uit tegen het vermoorden van meisjesbaby's

  • men vaardigde wetten uit tegen het brengen van mensenoffers;

  • Men verbood het gebruik om vrouwen levend mee te verbranden bij de

  • dood van hun echtgenoot(Sati).

    Engelse taal en onderwijs werden ingevoerd voor de Indische bevolking

In India werden vele talen ghesproken. Engels werd de taal waarmee de bovenlaag

 van Britten en Indiërs zich bedienden. Het onderwijs was sterk Europees gericht.

Een deel van in het Westen gevormde Indiërs zoals Ghandi en Nehru had aan Britse

universiteiten gestudeerd en hadden daarbij een grondige kennis opgedaan van

democratie en nationalisme. Deze gingen zich organiseren.

Nationalisten gaan ijveren voor onafhankelijkheid

In 1885 werd het Indian National Congress opgericht. Zij aanvaardden het Britse

bestuur maar vonden dat zij als Indiërs dezelfde rechten meosten hebben als de

inwoners van de blanke delen van het Britse wereldrijk. Het ging hun vooral om

meer verantwoordelijkheid bij het bestuur van het land en om verbetering van het

onderwijs.

Onder de hindoes, die in het Congress ver in de meerderheid waren, ontstond een

radicale stroming onder leiding van Tilak (1856-1920). Hij was zowel anti-westers

als anti-moslim. Hij beriep zich niet op het Britse recht maar op zijn geboorterecht

als Indiër. En dat betekende zelfbestuur.

Inmiddels hadden de meeste moslims zich uit het Congress teruggetrokken, bang

door de hindioes te worden overheerst. In 1906 werd de All Indian Moslim League

opgericht. Later werd Mohammed Ali Jinnah (1876-1948) er de leider van. Na de

Eerste Wereldoorlog werd Mahatma Ghandi de belangrijkste leider van het Congres.

Hij ijverde voor het samengaan van Hindoes en Moslims. Hij pleitte voor geweldloosheid

en burgerlijke ongehoorzaamheid als middelen om de onafhankelijkheid te bereiken.

Ook kwam hij op voor de lagere kasten en onaanraakbaren. Het kastenstelsel hoort

bij het hindoïsme.

Ghamdi deed dus een beroep zowel op het geboorterecht van elke Indiër als op de

rechtsregels van de Britse parlementaire democratie. Die twee waren voor hem niet

 in tegenspraak. Ghandi werd door de Britten vaak gevangen gezet , maar ook vaak

voor gesprekken uitgenodigd. In 1935 kregen de provincies volledig zelfbestuur en

een eigen volksvertegenwoordiging. Achttien procent van de bevolking kreeg kiesrecht.

Het Congres werd een politieke partij.

Splitsing in de Congrespartij tussen hindoes en moslims

Ghandi kreeg onder de bevolking veel steun voor zijn streven naar eenheid onder de

nationalisten. Bij leiders als Nehru en Jinnah ontstonden er echter andere gedachten.

Ze gingen steeds meer ijveren voor een aparte moslimstaat. Tijdens de tweede

wereldoorlog werkten ze met de Britten samen. Ghandi en de Congrespartij begonnen

echter een anti-Britse 'Verlaat-Indié- Campangne. Ghandi werd door de Britten

gevangengezet. In 1944 werd hij vrijgelaten. Hij riep moslims en hindoes op zowel

trouw te zijn aan de eigen godsdienst als aan elkaar. Zijn poging was vergeefs.

Ontstaan van India en Pakistan

india en pakistan 

In 1947 werd de poging om de eenheid te bewaren opgeheven. Er ontstonden

twee staten: India en pakistan. Pakistan bestond toen uit twee uiteenliggende

delen: West- en Oost-Pakistan. Tegelijkertijd kwam er en grote trek op gang van

 ruim vijftien miljoen mensen omdat het niet goed mogelijk was de grenzen precies

volgens godsdienstige lijnen te trekken. Ghandi voerde vergeefs actie voor verzoening

 en werd in januari 1948 vermoord door een radicale hindoe.

Zie verder hoofdstuk 15 SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 15 5e dr