We hebben 120 gasten online

SV Tweede Fase Havo Hoofdstuk 15 5e dr Walburg pers educatief

Gepost in Tweede Fase 5e druk Walburg pers educatief

Hoofdstuk 15 De opkomst van Azië 

1 China en het Westen

 De Mandsjoes, die vanaf 1644 over China regeerden, onderhielden zeer weinig betrekkingen met het buitenland. Een uitzondering was Rusland. De westerse staten werden evenals de buurlanden als ondergeschikt beschouwd.

Manchurian empire

 De Opiumoorlog

Uit Brits-Indië werd opium door Britse handelaren naar China vervoerd. Doordat veel Chinese ambtenaren omkoopbaar bleken, bleef de illegale opiumhandel sterk groeien. Twee miljoen Chinezen waren verslaafd.

De Chineze regering liet in 1839 alle Britse opiumvoorraden in Kanton (Gangzou) verbranden. De Britten stuurden daarop een vloot en een leger. De Chinezen waren geen partij voor de goed bewapende Britten. De Opiumoorlog duurde van 1839-1842 en was voor de Britten slechts een aanleiding geweest om in te grijpen. De ware reden was dat China de grenzen open moest stellen voor de handel.

De Chineze regering werd in een verdrag gedwongen:

  • het hele eiland Hongkong af te staan aan de Britten;

  • vijf andere havens, waaronder katon en Sjanghai open te stellen als verdragshavens voor Britse kooplieden;

  • toe te staan dat de Britse kooplieden niet onder Chinees bestuur en Chinese rechtspraak zouden vallen.

Kort daarop sloten de VS en Frankrijk dergerlijke verdragen met China. De verdragen werden in China 'ongelijke verdragen' genoemd, omdat ze veel gunstiger waren voor de westerse mogendheden.

Reacties in China

Halverwege de 19e eeuw verzwakte de macht van de centrale regering sterk. De regering slaagde er niet in het opdringen van het Westen tegen te houden. Op deze situatie werd op verschillende manieren gereageerd.

Volksbewegingen komen in opstand

Er ontstonden volksbewegingen die het Mantsjoe-bewind omver willen werpen of de westerlingen met geweld wilden verdrijven of beide.

Hervormingspogingen in regeringskringen

In regeringskringen zagen sommigen in dat China gemoderniseerd zou moeten worden naar Westers voorbeeld. De regering volgde deze raad ten dele: leger en vloot werden enigszins gemoderniseerd, er werden enkele wapenfabrieken en scheepswerven gebouwd. Maar deze 'Zelfversterking' gebeurde op kleine schaal.

In 1895 bleek China ook niet opgewassen tegen Japan, dat zich wel had gemoderniseerd naar westers voorbeeld. In een oorlog met Korea werd China verpletterend verslagen. Omdat de 'Zelfversterking' onvoldende was geweest liet de jonge keizer tijdens de 'Periode van Honderd Dagen', allerlei hervormingen naar westers voorbeeld afkondigen, onder andere op het terrein van de landbouw, industrie, leger, onderwijs en bestuur. De tegenstanders van de hervormingen verenigden zich onder leiding van de keizerin-weduwe CiXi ( Tse-sji). Na een staatsgreep werd de keizer zwakzinnig verklaard en gevangen gezet. De hervormingen gingen niet door.

De Bokseropstand

Keizerin CiXi en haar medestanders wilden ook de invloed van de westerse mogendheden teniet doen. Daartoe maakten zij gebruik van de Bokseropstand. (De Boksers waren leden van een religieuze sekte die in opstand kwamen tegen de regering maar ook China vrijmaken van alle vreemde invloeden). De Boksers werden echter verslagen door een internationaal leger, waaraan militairen van acht meest westerse landen deelnamen. De Chineze regering zag nu in dat modernisering nodig was. De ingrijpendste hervormng was die van het onderwijs.

De revolutie van 1911

De hervormingen zouden echter onvoldoende blijken om de Mandsjoe-dynastie van de ondergang te redden. Jonge intellectuelen met westerse denkbeelden vonden de hervormingen onvoldoende. Zij waren tegelijk nationalisten en revolutionairen. Hun leider werd Sun Yatsun (Soen Yat-sen) die in Hawai en Honkong had gestudeerd. Zijn idealen vatte hij samen in de drie volksbeginselen: nationalisme, democratie en volkswelvaart. Zijn aanhangers vormden maar een klein deel van de bevolking, dat vooral in de kuststreken was te vinden.

chinese revolutie 1911

Onverwacht voor iedereen brak in 1911 de revolutie uit. In de provincie Sichuan ( Szetsjwan) ontstond een oproer, toen de regering de spoorwegen wilde nationaliseren. De opstandelingen kregen krachtige tegenstand van het noordelijke Mandsjoe-leger onder leiding van generaal Yuan Shikai. Deze ging onderhandelen met zowel de opstandelingen als de mandsjoes.

China werd in 1912 een republiek. Van de idealen van Sun Yatsen kwam echter weinig terecht. President Yuan Shikai regeerde als een militaire dictator. Sun Yatsen vluchtte naar japan. Het bestuur van de provincies droeg Yuan Shikai over aan militaire gouverneurs, warlords genoemd, die zich meestal weinig van de centrale regering aantrokken.

Nationalisten en communisten proberen de macht te veroveren

In 1912 hadden verschillende revolutionaire groeperingen zich aaneengesloten in een nieuwe politieke partij, de voorloper van de latere Guomindang ( Kwo-Min-Tang, KMT), gebaseerd op de drie door Sun Yatsen geformuleerde volksbeginselen en geleid door hem. De naam Guomindang (GMD) betekent Nationale Volkspartij.

Na de Russische Oktoberrevolutie van 1917 kregen intellectuelen belangstelling voor het marxisme. Een klein aantal van hen stichtte in 1921 de Chinese Communistische Partij (CCP). Beide partijen vonden hun aanhang vooral in de grote steden, de GMD vooral bij intelelctuelen, ondernemers en handelaars, de CCP vooral bij intellectuelen en arbeiders.

In 1916 keerde Sun Yatsen terug naar China. Het jaar daarop riep de GMD in Kanton een tegenregering uit. De westerse mogendheden erkenden echter de centrale regering in Beijng (generaal Yuan Shikai en zijn opvolgers) als de wettige regering van China. Alleen de Sovjet-Unie erkende de GMD-regering en gaf haar militiare steun. Ook zorgde de Sovjet-Unie ervoor dat de Chineze communisten met de nationalisten gingen samenwerken( eerste Verenigde Front).

Toen Sun Yatsen in 1925 stierf, beheerste de  GMD alleen Kanton en omgeving. Meer succes had Sun Yatsens opvolger, generaal Chiang Kaisjek ( Tsjang Kai-sjek). Vanaf 1926 veroverde hij met behulp van de communisten een groot deel van China.

Omdat Chiang Kaisjek vond dat de communisten teveel invloed kregen begon hij in april 1927 een actie tegen de communisten in Sjanghai, waarbij duizenden omkwamen. De communisten vluchtten naar de nog niet door de GMD beheerste gebieden vooral naar Jiangxi (Kiangsi). In 1928  nam Chiang Kaisjek Bijing in. Alle warlords waren verslagen of tot onderwerping overgehaald.

China wordt communistisch.

In de bergstreken van Jiangxi, bouwden de communisten guerillabasis op en stichtten er in 1931 een communistische republiek.. In 1934 werden zij uit het gebied verdreven. Opnieuw vluchtten de communsiten, nu naar de provincie Shaanxi (Sjensi). Tijdens deze Lange Mars kwamen veel communisten om het leven.

lange mars

De communisten gingen zich vooral op het platteland richten. Zij richtten het Rode leger op dat grotendeels bestond uit boeren. Dat leger werd geschoold in het marxisme. Een van de voornaamste doelen  van de revolutie zou zijn de herverdeling van de grond. Met behulp van het Rode Leger werden rijke boeren gedwongen hun land af te staan aan de arme boeren. Vanaf 1935 was Mao Zedong (Mao Tse-toeng) de absolute leider van de communisten.

Intussen had Japan China aangevallen en werd Chiang Kaisjek in 1936 gedwongen (door enkele van zijn generaals) de strijd tegen de communsten te staken en samen met de communsten een Tweede Verenigd Front te vormen tegen Japan.

burgeroorlog

Na de Japanse nederlaag brak er in 1946 een volledige burgeroorlog uit. In enkele jaren veroverde het Rode Leger, onder leiding van Lin Biao, het hele vastyeland van China. Op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong in Beijing de Volksrepubliek Chinna uit. Chiang Kaisjek vluchtte naar het eiland Taiwan en met steun van de Amerikanen richtte hij daar nationalistisch China op.

2 Japan en het Westen

Japan wordt bijna volledig van het buitenland afgesloten

In de 16e eeuw waren in Japan Portugese en Spaanse kooplieden en missionarissen aangekomen. Omdat honderduizenden tot het katholieke geloof werden bekeerd en omdat de Portugezen vuurwapens hadden voelden de sjogoen zich bedreigd. Daarom werden alle Portugezen en Spaanse kooplieden en missionarissen het land uitgezet en Japanse christenen werden vervolgd. De sjogoen kreeg daarbij hulp van Hollanders, die hierin een goede mogelijkheid zagen hun Portugese en Spaanse handelsconcurrenten kwijt te raken. De Hollanders ging het alleen om de handel.

Chinezen en Hollanders kregen als enige buitenlanders - op beperkte schaal en onder streng toezicht - het recht om met Japan handel te drijven. Ze pasten zich daar aan de Japanse cultuur aan. Ruim twee eeuwen, van 1639 tot 1854, bleef Japan een bijna gesloten land.

De openstelling leidt tot het herstel van de keizerlijke macht

In de eerste helft van de negentiende eeuw drongen Engeland, Frankrijk, Rusland en de VS aan op openstelling van Japan. Het nieuws van de Chinese nederlaag in de Opiumoorlog vergrootte het Japanse verzet tegen de openstelling. De VS besloot de zaak te forceren. Twee zeil- en twee stoomschepen van de Amerikaanse marine voeren naar Japan. Op 14 juli 1853 voeren de schepen de verboden baai van de stad Edo binnen. Grote verbazing wekten de in Japan onbekende stoomschepen. De Sjogoen begreep dat zijn land militiar te zwak was om de buitenlanders tegen te houden.

tokugawa

 

In 1854 werd een verdrag gesloten met de VS, spoedig gevolgd door verdragen met Engeland, Frankrijk, Rusland en Nederland. Afgesproken werd:

- enkele havens toegankelijk werden voor buitenlanders;

- handel in alle producten en grondstoffen, tegen lage invoerrechten, was toegestaan;

- buitenlanders in bepaalde steden mochten wonen en daar niet onder de Japanse rechtspraak vielen.

Veel Japanners waren het niet eens met deze verdragen. In hun ogen was de sjogoen hiervoor verantwoordelijk. Daimyo en samoerai uit West-Japan dwongen hem uiteidelijk af te treden en de macht over te dragen aan de jonge keizer Mutsihito, ook Meiji genoemd, die regeerde van 1868 tot 1912. Deze periode wordt als het Meiji-tijdperk aangeduid.

Er worden veel contacten met het buitenland gelegd

De nieuwe Japanse regering wilde door modernisering kolonisatie van Japan voorkomen. Onderzocht werd waarin welke westerse landen uitblonken. Van Engeland werd de organisatie van de marine overgenomen, van Duitsland de organisatie van het leger, van Frankrijk en Duitsland de wetten. Specialisten uit westerse landen werden naar Japan gehaald om te helpen bij de aanleg van de infrastructuur, bij het opzetten van industrieën en bij het moderniseren van het onderwijs. In Japan was het analfabetisme nog weid verspreid en door die maatregelen konden rond 1900 in Japan meer mensen lezen dan in Engeland.

Een kleine groep leiders kreeg samen met de keizer de macht in handen

De daimyo werden ertoe gebracht hun lenen terug te geven aan de keizer. In ruil daarvoor kregen ze functies in het bestuur van het land of een financiële vergoeding. De diensten en belasting in natura werden afgeschaft. Japan werd ingedeeld in prefecturen, elk bestuurd door een in Tokio benoemde prefect. Er kwam een systeem van geldbelasting, bijvoorbeeld op grondbezit, die rechtstreeks aan de centrale overheid moest worden betaald.

Japan kreeg als eerste Aziatisch land een grondwet en een parlement, dat deels werd benoemd, deels gekozen via censuskiesrecht. Wetten hadden wel de goedkeuring nodig van het parlement, maar de keizer benoemde de legerleiding en de ministers. In de grondwet stond voorts dat de keizer net als vroeger 'goddelijk' was. Hij leek de meeste macht te hebben. Maar in werkelijkheid lag de macht vooral in de handen van leiders op de achtergrond. Er kwam een modern leger, gerekruteerd via algemene dienstplicht.

Snelle industriële ontwikkeling

Het aantal fabrieken steeg tussen 1898 en 1914 van 5.000 naar 16.000. Tot omstreeks 1890 zette de regering de meeste industrieën op. Alleen de staat had voldoende kapitaal hiervoor. Toen de bedrijven draaiden, verkocht de regering ze aan de weinige rijke ondernemers die Japan destijds had. Deze elite kreeg daardoor het grootste deel van de Japanse ondernemingen in handen. Tot in de jaren '30 zou ruim de helft van de Japanse bedrijven in het bezit zijn van slechts acht families. De nadruk lag op de zware industrie en de textielindustrie. Japan werd het belangrijkste handelsland van Azië.

De industriéle ontwikkeling ging over 'de ruggen van de boeren'. Het geld dat de overheid voor de modernisering nodig had, werd via belastingen voor 80% door de boeren opgebracht. Ook de boeren profiteerden van de modernisering, b.v. kustmnest, maar die leidde niet tot hogere inkomsten, Integendeel, de voedselprijzen daalden en veel boeren moesten wegens schulden hun grond verkopen. Kort na 1868 was 20% van de landbouwgrond gepacht, in 1910 was dit 45%.

Japan volgt het voorbeeld van het westers imperialisme

Pas eind 19e eeuw werd echter besloten tot het veroveren van Korea en ander Aziatisch grondgebied. De belangrijkste motieven hiervoor waren:

- het verwerven van voedsel voor de groeidende bevolking en van de grondstoffen voor de zich uitbreidende industrie;

- men hoopte zo de dreiging van het in Azië oprukkende Rusland tegen te gaan.

Na lange strijd werd Korea in 1910 ingelijfd. Taiwan was al op China veroverd (1895) en een deel van Sachalin op Rusland (1905). Na de Eerste Wereldoorlog verwierf Japan bij de Vrede van Versailles de Duitse bezittingen in China, tot grote ergernis van China.

De economische crisis van 1929 trof Japan zwaar. De oplossing werd door Japan nu weer gevonden in imperialistisch optreden. In 1931 viel Japan het Chinese Mantsjoerije aan; vanaf 1937 werden andere delen van China veroverd.

Nationalisten en militairen krijgen Japan in hun greep.

Het nationalisme werd vanaf het begin van de jaren dertig vooral aangewakkerd door een golf van anti-westerse gevoelens. Gematigde politici in de regering moesten wijken voor radicale. Verschillende politici werden door radicale nationalisten vermoord. Tot de radicalen behoorden veel militairen. Hoewel het parlementair systeem bleef bestaan was er in feite geen sprake meer van democratie. Voorbereidingen werden getroffen voor de bevrijding van Azië.

Japan neemt deel aan de Tweede Wereldoorlog

Op 7 december begon Japan de oorlog tegen de westerse mogendheden (Pearl Harbour). De politiek van de nationalsiten en militairen had rampzalige gevolgen:

- de Japanse agressie maakte naar schatting 20 miljoen slachtoffers;

- Japan werd na de capitulatie door de VS bezet in augustus 1945;

- er waren twee miljoen Japanners in de oorlog omgekomen, de industrie was grotendeels verwoest, de voedselvoorziening was ontoereikend en alle sinds 1895 veroverde gebieden waren verloren gegaan.

3 Opkomend Azië na de Tweede Wereldoorlog

Azië is niet alleen van belang omdat er een bijzonder snelle economische groei plaatsvindt. Er leeft ook het grootste deel van de wereldbevolking.

Zuid-Oost Azie

In het Westen is men over het algemeen geneigd de wereldgeschiedenis met Europa of de VS als middelpunt te beschrijven. Deze invalshoek is in ieder geval voor de geschiedenis na 1845 niet langer houdbaar.

Chinese communisten gaan eigen weg

Op het vasteland van China waren in 1949 de communisten aan het bewind gekomen. Rusland en China sloten een verband van 'vriendschap en bijstand'. Zo ontstond in theorie een groot communistisch blok. In de praktijk rezen er echter meningsverschillen. Het maoisme verschilde te veel van het sovjetrussische centralisme.

Vietnam en Indonesië vechten zich vrij

gs indonesie 

De sterk gegroeide nationale gevoelens in Azië maakten na de 2e Wereldoorlog een terugkeer naar het kolonialisme bijna overal onmogelijk. Voorbeelden van landen die hun koloniën wilden behouden waren Frankrijk en Nederland. De Nederlanders vochten tussen 1946 en 1949 in Indonesië strijd tegen de nationalisten zoals de Fransen dat deden van 1945 tot 1954 in Vietnam. Aan de andere kant hebben Engeland en de VS meegewerkt aan een overdracht van gezag aan nieuwe staten. (India, Pakistan en de Filipijnen) De Engelsen hielden tot 1997 alleen Honkong dat zij in 1897 voor honderd jaar van China hadden gepacht.De dekolonisatie van Vietnam (1945-1954) maakt intressante vergelijkingen mogelijk met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd:- In beide gevallen wilde een Europese staat het koloniale gezag herstellen.- De Fransen en Nederlanders werden echter, geconfronteerd met vijandig gezinde 'staten-in- wording' : de Republiek Vietnam (uitgeroepen in september 1945) en de Republiek Indonesia (geproclameerd in augustus 1945).- Vervolgens probeerden zowel Frankrijk als Nederland de staten -in-wording door een combinatie van geweld en onderhandelingen te isoleren en daarna te liquideren.- Echter, de meerderheid van de inheemse bevolking stond achter de eigen nationale leiders.Er zijn echter ook verschillen aan te geven:- De macht in Vietnam werd in 1945 in handen genomen door een groep Russisch georïenteerde communisten, onder leiding van Ho Chi Minh. In Indonesië werd de macht overgenomen door Soekarno c.s. die geen communisten waren.- Frankrijk leed een militaire nederlaag terwijl Nederland door de VN en de VS onder druk werd gezet om 'overwinningen bij de politionel acties 'niet uit te buiten.- Vietnam werd na 1954 het toneel van een militaire confrontatie tussen Oost en West, twerijl Indonesië zich buiten de Koude Oorlog hield.

Japan en de Filipijnen volgen de VS

Van 1945 tot 1952 werd Japan bezet door de VS. Japan mocht nooit weer agressor worden. De politieke en militaire leiders werden door het tribunaal van Tokio berecht. Keizer Hirohito werd hier buiten gelaten omdat hij volgens de VS niet verantwoordelijk was voor de in zijn naam begane oorlogsmisdaden. Men handhaafde hem als staatshoofd omwille van de eenheid en rust onder de bevolking.

Wel voerde de VS een aantal hervormingen door:

- Japan werd een parlementaire democratie.

- De rechten van de mens werden hersteld en uitgebreid.

- Landmacht, luchtmacht en vloot werden afgeschaft en de oorlogsindustrie opgeheven. In de grondwet werd vastgelegd dat het Japanse volk  voor altijd afzag van het gebruik van oorlog om internationale geschillen te regelen.

- Door de landhervormingen werd het grootgrondbezit beperkt.

- De onafhankelijkheid van de media ten opzichte van de overheid werd beschermd.

 Op buitenlands gebied sloot Japan in 1952 met de VS een veiligheidsverdrag. Zo werd het officieel neutrale Japan in de praktijk een trouwe bondgenoot van het Westen.

Veel Japanners vonden echter de afhankelijkheid van de VS te groot. Zo werd het eiland Okinawa, de belangrijkste Amerikaanse militiare basis, het symbool van de beperkte zelfstandigheid van hun land. Pas in 1972 gaf de VS het eiland aan Japan terug.

Na de nederlaag van Japan kon de VS de eerder gedane toezegging van onafhankelijkheid voor de Filipijnen nakomen. Dat gebeurde in juli 1946. De staatsinrichting werd naar het voorbeeld van de VS ingericht. De Filipijnen werden bondgenoot van de VS. Op militair gebied werd dit vastgelegd in een verdrag over Amerikaanse vloot- en luchtmachtbasis op de Filipijnen. Ook op economisch gebied maakte men afspraken.

Ook Maleisië wordt bondgenoot van het Westen

Na de oorlog waren de Britten niet bereid de kolonie direct onafhankelijkheid te verlenen. Van 1950 tot 1954 woedde er een binnenlandse oorlog tussen de Britten en de communistische beweging. De Britten slaagden erin de communistische beweging terug te dringen. Maleisië werd in 1957 onafhankelijk. De Britten droegen de macht over aan een regering die de oorspronkelijke Maleisische bevolking voorrechten gaf boven de geïmporteerde Chinezen en Indiërs. Op economisch en militair gebeid werden de Britse belangen veiliggesteld.

Indonesië wordt in de jaren '50 een van de leiders van de ongebonden landen.

Eind 1949 werd het land onafhankelijk, na vergeefs militiar ingrijpen van Nederland. Het land werd een parlementaire democratie, en een eenheidsstaat, geregeerd vanuit Jakarta. Er bleven nauwe economische betrekkingen bestaan. Maar in 1957 ging met over tot nationalisatie van alle Nederlandse bedrijven uit onvrede over het feit dat Nederland niet bereid bleek Nieuw-Guinea aan Indonesië af te staan.

Indonesië stond niet in directe verbinding met een communistisch land. En op initiatief van de leiders van India en Indonesië, Nehru en Soekarno, werd de beweging van niet-gebonden landen opgericht. Deze beweging werd bekend als de Non-Aligned Movement(NAM). Deze landen wilden niet aan het kapitalistische Westen worden gelieerd maar ook niet aan het communistische Oosten. Het hoogtepunt van de beweging werd  'De Conferentie van Bandoeng' in 1955 op het eiland Java. Als blok hadden zij internationaal gewicht, omdat zij zeer belangrijke grondstoffenleveranciers waren voor de westerse staten.

Slechts in het begin van de jaren '60 doorbrak Indonesië zijn neutrale opstelling door relaties met China aan te knopen. Vanaf 1965 hervatttte Indonesië zijn neutraliteitspolitiek.

Communistische staten raken met elkaar in oorlog: Cambodja, Vietnam en China

In de jaren '60 probeerde de Cambadjaanse leider, prins Sihanoek, zijn land buiten de Vietnamoorlog te houden. Toen de Amerikanen hun steun aan Lon Nol staakten, veroverde de Rode Kmer de hoofdstad Phnom Penh en nam de macht in april 1975 over. De Rode Kmer vestigde in Cambodja een schrikbewind en bracht 2 miljoen van de 7 miljoen inwoners om het leven. In 1979 verdreef Vietnam de Rode Kmer uit het grootste gedeelte van Cambodja.

China probeerde in 1979 tevergeefs Vietnam te dwingen zich uit Cambodja terug te trekken. Pas in 1989 trok Vietnam, zich uit eigen beweging, uit Cambadja terug.

4 Natievorming, communisme, democratie en patronage

ven diagram socialisme

- de opbouw van naties waarbij traditie tegenover modernisering kwam te staan;

- het mislukken van het communistische model;

- het mislukken van westerse democratie als regeringsvorm  in de meeste niet-economische staten.

Natievorming, traditie en modernisering

Het doel van de nationalistische bewegingen in Azië was politieke onafhankelijkheid te verkrijgen met overname van het model van de natie-staat. Zowel in Europa als in Azië hadden alle landen al lange tijd een vorm van gecentraliseerd gezag met een omvangrijk ambtenarenapparaat. In de meeste landen strekte het centrale gezag zich echter niet over het gehele grondgebied uit. Over de grenzen van dat grondgebied bestond bovendien nog onduidelijkheid. Men zocht daar naar een geschikte regeringsvorm. Met uitzondering van Japan en Korea bestaat de bevolking van de staten uit verschillende etnische en godsdienstige groepen. Ook waren er veel culturele verschillen. De meeste landen in Azië worden aangeduid als 'plurale samenlevingen'.

De oplossing van de regeringsvorm werd in de meeste landen gevonden in de opbouw van een autoritaire staat met een grote greep op het leven van de bewoners van het land. Democratie werd in de meeste landen afgewezen omdat democratie de mensen niet bleek samen te binden.

De oplossing voor de verdeeldheid van de bevolking werd gevonden in de invoering van:

- een staatsideologie waarin de eenheid van het land werd benadrukt;

- een standaardtaal ;

- het bevorderen van één nationale cultuur.

Het communistisch model mislukt in China, Vietnam en Noord-Korea

De ontwikkeling van het communistisch model kan sinds 1945 voor deze landen in twee perioden worden gesplitst:

- een periode van opbouw van een gecentraliseerde communistische staat;

- een periode van interne hervormingen en versoepeling van de ideologie.

China onder leiding van Mao Zedong

mao

Mao domineerde de interne communistische revolutie in China. Het begon met een grote landhervorming (1950-1952). Bijna de helft van de landbouwgrond werd opnieuw verdeeld. De grondeigenaren werden op massabijeenkomsten door volkstribunalen als 'vijanden van het volk' berecht. Twee miljoen van hen kwamen daarbij om.

De grote vraag bleef echter: hoe nu verder het communisme in te voeren? Aanvankelijk wilde men het Russische model invoeren. Maar Mao wilde een eigen radicalere koers door gebruik te maken van de Chinese rijkdom: het enorme aantal mensen in China. Mao kondigde daarom in 1958 de Grote Sprong Voorwaarts aan waarbij de hele plattelandsbevolking werd georganiseerd in volkscommunes. Een volkscommune omvatte een aantal dorpen en moest zelf in al haar beghoeften voorzien. daartoe behoorde ook het produceren van staal in primitieve staaloventjes.De Grote Sprong Voorwaarts werd echter een grote mislukking. Het gevolg was een zeer ernstige hongersnood, die aan tallozen het leven kostte.

In 1966 lanceerden de radicalen, onder leiding van Mao een nieuwe massacampagne: de Grote Proletarische Culturele revolutie om de macht van de tegenstanders te breken die zch vooral in de steden bevonden. Miljoenen functionarissen uit de partij, het bedrijfsleven en het onderwijs werden ontslagen en op het platteland tewerkgesteld. De steden werden echter zodanig ontwricht, dat Mao na enkele jaren een einde liet maken aan de Culturele revolutie. Een aantal slachtofefrs van de Culturele Revolutie werd gerehabiliteerd, onder wie Deng Xiaoping in 1973. de radicalen bleven echter overheersen tot de dood van Mao in 1976.

Meer openheid onder leiding van Deng Xiaping vanaf eind 1978.

De vier radikaalste leiders werden gearresteerd, onder wie de vrouw van Mao en drie leden van het Politburo. Vele miljoenen slachtoffers van de Culturele Revolutie werden nu gerehabiliteerd.

dengxiaoping

 

Deng Xiaping had als voornaamste doel van China een moderne, geindustriële staat te maken. Hij wilde Vier Moderniseringen doorvoeren:  modernisering van de landbouw, industrie, wetenschap en defensie. De moderniseringen hielden in:

- meer vrijheid op alle gebieden, maar vooral op economisch gebied;

- minder waarde hechten  aan de communistische ideologie;

- samenwerking op technisch-wetenschappelijk gebied met het Westen en Japan.

Deng Xiaping benadrukte economische successen boven ideologische zuiverheid want stelde hij: 'wat doet het ertoe of een kat wit of zwart is, als ze maar muizen vangt.

Vietnam

 In Vietnam kunnen twee perioden worden onderscheiden na de overwinning van Noord-Vietnam in 1975 in de Vietnam-oorlog. In de eerste periode tot 1986 werd strak vastgehouden aan de communistische leer. Toen de glasnost in Rusland werd doorgevoerd verminderde de Russische steun waardoor het land in een economische crisis terechtkwam, bovendien drukte het aanhouden van een groot leger in Cambodja zwaar op de economie van het land. Na 1979 waren er van tijd tot tijd voedseltekorten.

In de tweede periode vanaf 1986 ontstond er een poltiek van nieuwe openheid. Journalisten en kunstenaars mochten zich vrij uiten en boeren kregen een eigen stukje grond en konden hun producten op de vrije markt verkopen. De VS hieven in 1994 het handelsembargo op. Sindsdien groeit de economie sterk. Ook het toerisme nam steeds meer toe. In 2007 bezochten 4 miljoen mensen het land.

Noord-Korea

Noord-Korea heeft altijd het communsitische model van staatsvorming gevolgd. Het werd financieel en militiar gesteund door de Russen. Na 1965 heeft het land echter met veel economische problemen te kampen en eind jaren '90 ontstond er zelfs hongersnood. Door het fabriceren van een eigen atoombom en intercontinentale raketten raakt het land steeds meer geisoleerd.

Westerse democratie in Japan succesvol

Het land heeft geen koloniaal verleden en de industrialisatie begon er al inde tweede helft van de 19e eeuw. Het parlementaire stelsel werd toen ook  in Japan ingevoerd. In de jaren '30 van de 20e eeuw kregen radicale nationalisten en militairen echter de macht in handen. Na de 2e Wereldoolog werd Japan onder leiding van de VS een parlementaire democratie. Japan werd een economische grootmacht.

Ook in India werkt de westerse democratie

De meeste niet-westerse staten hebben de westerse democratie afgewezen. India is echter sinds ruim een halve eeuw een parlementaire staat. Hoe heeft dat sinds 1947 gewerkt?

India kreeg een staatsinrichting naar het voorbeeld van Engeland en de VS. Het parlement funcioneert zoals het Engelse; van de VS nam men de rechten van de mens over en de inrichting van de staat in deelstaten met een grote zelfstandigheid. Nehru, de eerste politiek leider van India (1947-1964) slaagde er in  conflicten tussen belangengroepen vreedzaam op te lossen. Zijn dochter voerde een minder op compromissen gerichte politiek. De verdeelheid nam daardoor toe en Indira Ghandi werd door haar Sikh-lijfwachten gedood. Na haar volgde haar zoon haar op maar moest door financiéle schandalen aftreden. De oppositie kwam toen aan de macht. Sindsdien wordt India geregeerd door wisselende regeringscoalities. De democratie werkte dus.

Westerse democratie na lange tijd weer een kans in Indonesië

Tussen 1950 en 1957 was Indonesië een democratie. Er kwam daarna een geleide democratie. In 1965 werd er een mislukte greep naar de macht gedaan waarvan onduidelijk is wie daarvoor verantwoordelijk waren. Men wees de PKI als schuldige aan waardoor honderdduizenden werden omgebracht. Vanaf 1966 tot 1999 werd Indonesië bestuurd door een militair bewind onder Soeharto. In 1999 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden sinds 1966 en in 2004 waren er voor het eesrt directe presidentsverkiezingen.

Op de Filipijnen einde aan de dictatuur maar nog geen democratie

Ferdinand Marcos werd in 1965 tot president gekozen. Onder zijn leiding veranderde de Filipijnse democratie vanaf 1972 in een dictatuur. Marcos riep toen de noodtoestand uit en regeerde tot 1986 als een dictator. Doodsescaders van de politie en het leger vervolgden tegenstanders. Het bewind was corrupt en economisch weinig succesvol. In 1983 werd de populaire, niet-communistische, politieke tegenstander van Marcos, Benigno Aquino door Filipijnse militairen vermoord. Een miljoenenprotest ontstond en bij nieuwe verkiezingen stelde de weduwe van Aquino zich kandidaat tegen Marcos. Zij won de verkiezingen maar Marcos erkende de verkiezingen niet. Maar door een opstand van een groot deel van de bevolking en het leger werd Marcos gedwongen de Filipijnen te ontvluchten. Tussen 1986 en 1992 was Aquino president. Zij heeft geprobeerd terug te keren naar de democratie, maar dit is grotendeels mislukt. Verklaringen daarvoor zijn:

- ook Cory Aquino bleek niet bereid de noodzakelijke landhervormingen door te voeren;

- zij was, als president, afhankelijk van de steun van bepaalde legerfacties om verschillende couppogingen te overleven.

De economie van het land wordt beheerst door enige machtige famiies die grote plantages en bedrijven in eigendom hebben. Dat is een erfenis uit het koloniale verleden. Zowel de presidenten van de VS als van de Filipijnen weigerden daadwerkelijke hervormingen door te voeren. Maar de Filipijnen worstelden ook met een grote overheidsschuld. Daarnaast is er sprake van een groei van de bevolking met 2,2% per jaar. Dat legt een enorme druk op de Filipijnse economie.

Beperking van de democratie in Maleisië

Na ernstige rellen tussen Maleiers, Chinezen en Indiërs werd in 1969 een regeringsvorm met een beperkte democratie ingevoerd. De persvrijheid werd beperkt. De belangrijkste bevolkingsgroep, de Maleiers, worden door de regering sterk bevoordeeld.

Democratie en autoritair bewind wisselen elkaar af in Zuid-Korea

Voor een groot deel kan deze afwisseling verklaard worden uit verdeeldheid onder de Koreaanse bevolking. Koreanen zien de democratie niet als gunstig. Zij worden beïnvloed door het traditionele Koreaanse begrip van macht, waarbij macht niet verdeeld behoort te worden. Het delen van macht betekent daardoor in Korea een groter verlies van invloed voor machthebbers dan in het Westen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Zuid-Korea, onder invloed van de VS, een democratie. De eerste president werd Syngan Rhee ( 1948-1960). Hij voerde tot 1960 een autoritair bewind. Er was in dat jaar tijdens de verkiezingen erg gefraudeerd. De president trad op advies van de Amerikanen af. De na nieuwe verkiezingen gekozen president, Chang Muyon, kreeg minder macht. Hij wist echter niet aan de hoge verwachtingen voor economische en politieke hervormingen te voldoen. In 1961 voerde het leger een staatsgreep uit en Park werd president. deze werd in 1979 vermoord.  Na een nieuwe militaire coup kwam generaal Chun aan de macht. Onderd ruk van de VS werd er een referendum gehouden voor invoering van de democratie. Sinds 1987 is er in Zuid-Koera meer democratie. In februari 1993 werd Kim Young Sam de eerste vrij gekozen president zonder band met het leger.

Patronage-verhoudingen in het oosten van Azië nog steeds belangrijk

De staten in het oosten zijn evenals de westerse staten hecht georganiseerd. Toch zijn erin het oosten bepaalde traditionele elementen zoals het voortdurend belang van patronage-verhoudingen blijven voortbestaan.  Een patronage-verhouding bestaat uit een persoonlijke relatie tussen een patroon en een cliënt. In ruil voor loyaliteit aan de patroon krijgt de cliënt bepaalde voordelen. Ook Italië kent zo'n systeem. In alle landen van het oosten van Azië wordt het maatschappelijke, economische en politieke verkeer in belangrijke mate bepaald door netwerken van dergelijke patronage-verhoudingen. In de politiek is het belangrijkste netwerk vooral geconcentreerd rond de president of premier. Daarmee wordt de invloed van het parlement sterk teruggedrongen.

Sinds het midden avn de jaren '80 zijn in Japan acties op gang gekomen om politieke hervormingen door te voeren, maar de praktijk bleek weerbarstiger. De vermenging van openbaar en prive-belang is nu net een gevolg van patronage-verhoudingen.

Patronage in Indonesië als voorbeeld

soeharto

Indonesië liet weer een ander gevolg van patronage zien. Daar werd de macht beheerst door president Soeharto en een kleine groep militairen. Zij gaven in ruil voor volgzaamheid economische voordelen aan hun ondergeschikten. Zo was een gedeelte van de prive-ondernemingen in Indonesië in handen van bepaalde legeronderdelen die zich de winsten toe-eigenden. Ook de familie van de president was eigenaar van grote zakenimperia. President Yudhoyono stelde in 2004 een commissie ter bestrijding van de corruptie in (KPK). Deze commissie bracht verschillende grote corruptiezaken, b.v. in de olie- en gaswinning, aan het licht. Toch blijft de corruptie nog een groot probleem.

5 Grote economische groei in delen van Azië

De volgende kenmerken van de landen in Azië sinds 1945 komen aan de orde:

Terwijl de economiën van de westerse wereld jaarlijks niet of nauwelijks groeien, varieert in het oosten van azië de jaarlijkse groei van het nationale product met uitzondering van japan tussen de 6 en 10%.

Japan gaat tot de economisch belangrijskte staten behoren.

Ondanks de vernielingen van de Tweede Wereldoorlog kon Japan zich snel herstellen. Deels was dit het gevolg van de al aanwezige infrastructuur, deels het gevolg van het hoge onderwijspeil. Tussen 1950 en 1970 ontwikkelde Japan zich op economisch gebied tot één van de belangrijkste landen ter wereld. Na de VS was Japan de grootste economische macht geworden. De motor van deze economische groei lag vooral bij de middelgrote bedrijven, die flexibel en innovatief opereerden. De Japanners slaagden er door een aantal maatregelen in de kwaliteit van hun producten te verbeteren en de productiekosten te verlagen. Voorrang werd gegeven aan het ontwikkelen van hoogwaardige technologie. Arbeidsintensieve en technologisch minder gecompliceerde industrieën werden verplaatst naar landen met een lager loonpeil.

ontwikkeling nikkei 1970 2008

 

Ontwikkeling Nikkei index van 1970 tot 2009

Maar op 1 april 1991 stortte de Japanse beurs plotseling in en begon een economische recessie. Door speculatie waren de prijzen van grond, aandelen en onroerend goed ver boven de werkelijke waarde gestegen. Toen de bank van Japan beloofde de geldhoeveelheid te beperken leidde dat tot een dure Yen. Daardoor werden Japanse producten veel minder aantrekkelijk voor de buitenlandse consument. De Japanse economie herstelde zich langzaam in de tweede helft van de jaren '90.

China: een nieuwe economische politiek onder Deng

Binnen tien jaar slaagde Mao er tweemaal in een radicale beweging te lanceren die China ontwrichtten: De Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele revolutie. De negatieve gevolgen van  deze radicale bewegingen bleven op sommige gebieden nog lang doorwerken. In het onderwijs verbeterde de situatie pas in de jaren '70. Op economisch gebied was echter al snel een vooruitgang te zien, maar de bevolkingsgroei deed die echter weer teniet. Na Mao's dood werd een éénkindbeleid ingevoerd dat aan het begin van de 21e eeuw leidde tot ongeveer een halvering van het aantal geboorten.

voorspelling beroepsbevolking India en China

 

Voorspelling beroepsbevolking India en China

Na de dood van Mao werd Deng Xiaoping de voornaamste leider. Op economisch gebied werden meer vrijheden toegestaan. Zo konden boeren eigen stukjes land krijgen en hun producten op de vrije markt verkopen. De Chinese machthebbers besloten de export te stimuleren en buitenlandse investeringen in China toe te laten. De oostelijke zeeprovincies kregen een speciale rol. Er ontstonden zogenaamde Speciale Economische Zones, die door de regering in Beiijng bedoeld waren als 'experimenteer-gebieden' met een westers kapitalistisch economisch systeem. Verder werden na 1984 een beurs- en geldmarktsysteem ingevoerd en de mogelijkheid voor staatsbedrijven hun eigen economisch beleid te voeren. De gevolgen waren groot. Tussen 1985 en 1990 werd de industriële productie van China bijna verdubbeld.

De economische vooruitgag begon in 1980 het eerst op het platteland. Daarna echter sterkrer in de stedelijke centra. Daardoor ontstonden economische verschillen die een bron vormen van maatschappelijke spanningen.

Sterke economische groei in India

Omdat de bevolking van India sneller groeit dan in China wordt verwacht dat India binnen enkele decennia van alle landen de meeste inwoners zal hebben. De bevolking is echter zeer arm. Zo'n 70 tot 90% geeft het hele inkomen nog uit aan voedsel. Men neemt allerlei maatregelen die de economische groei en welvaart kunnen verhogen.

In sommige gebieden grote vooruitgang in de productie van de landbouw

Nog steeds is het merendeel van de bevolking, ruim 60%, werkzaam in de landbouw. Een voorbeeld waar de 'groene revolutie' is geslaagd is de Punjab ( tegen de grens met Pakistan). Daar wordt per hectare tweemaal zoveel geproduceerd als elders in India. Een groot prrobleem vormt het grootgrondbezit. De regeringen van de deelstaten blijken beheerst te worden door de grootgrondbezitters. Zij houden het beleid van de centrale regering tegen.

Meer liberale koers leidt tot industriële groei

voorspelling bnp india en china

Voorspelling BNP India en China

De regeringen van India hadden lange tijd een voorkeur voor een door de staat begeleide aanpak van de economie met vijfjarenplannen.Onder Rajiv Ghandi en zijn opvolgers werd op economisch gebied een meer liberale koers gevaren. Deze ontwikkeling werd versterkt door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie (1991).

Aan het begin van de 21e eeuw was India na China de snelst groeiende economie ter wereld. De volgende omstandigheden speelden daarbij een rol:

- De regering ging de bureaucratie bestrijden;

- De deelstaten kregen meer vrijheid van de centrale overheid om zich economisch te ontwikkelen. India werd zo o.a. één van de belangrijkste exporteurs van software in de wereld.

- Een sterke groei van het hoger onderwijs, met name in de natuurwetenschappen en moderne technologie;

- Steeds meer westerse bedrijven verstigden zich in India, omdat er vanwege lage lonen goedkoop kon worden geproduceerd.

Sterk ontwikkeld zijn de staalindustrie (Arcelor Mittal) en machineindustrie, de chemische industrie en de textielsector. Door het hoge opleidingspeil in India was niet alleen de bouw van kerncentrales mogelijk, maar ook de oprichting van ICT-bedrijven mogelijk. Het land kan volledig in zijn industriële behoeften voorzien met behulp van eigen fabrieken.

De NIE's zijn bijzonder succesvol

Een aantal kleine tot middelgrote staten, aangeduid als 'Newly Industrialising Economies' (Nie's), maken een succesvolle economische ontwikkeling door. Ze worden ook wel aangeduid als de 'Aziatische tijgers'' bestaan uit Honkong, Zuid Korea, Singapore en Taiwan. Deze landen kenden een hoge economische groei, volledige werkgelegenheid en over het algemeen een lage inflatie. Tussen 1965 en 1988 was de groei van het BNP per hoofd van de bevolking in de ontwikkelingslanden gemiddeld 2,7% per jaar, terwijl het voor de NIE's boven de 6% per jaar lag. Hoe is dezxe ontwikkeling te verklaren? De NIE's hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken:

- In de eerste plaats is er economisch een verschuiving opgetreden van landbouw naar industrie;

- In de tweede plaats hebben de NIE's internationale bedrijven ertoe kunnen brengen een deel van hun productie naar hun landen te verleggen;

- In de derde plaats werd de industrialisatie van de NIE's met succes gericht op export;

- Tenslotte is het succes van de NIE's mede te verklaren door de leidende rol van de overheid.